Vrijthof
Het Vrijthof was in de Romeinse tijd van ca. 50 voor Christus tot ca. 450 na Christus een begraafplaats. Het gebied lag net buiten het castellum langs de Romeinse weg die vanuit Maastricht liep naar Tongeren. In de Romeinse tijd was het gebruikelijk doden buiten de stad te begraven op herkenbare plekken. Vandaar deze begraafplaats langs de Romeinse weg. In de vroege Middeleeuwen, na het vertrek van de Romeinen, is het castellum nog zeker tot het jaar 682 in gebruik gebleven. In de Merovingische tijd bleef het gebied van het huidige Vrijthof een begraafplaats. Armen en ellendigen werden er begraven.

In de vierde eeuw werd waarschijnlijk de eerste christelijke gemeenschap te Maastricht gesticht door de Bisschop Servatius van Tongeren. Zijn eerste kathedrale kerk zou hebben gelegen op de plaats waar nu de Onze Lieve Vrouwekerk staat. Dit was in de zuidoosthoek van het castellum. Rond deze kerk is binnen de muur rond het castellum het eerste stadscentrum van Maastricht gegroeid. Servatius werd een belangrijk leider van de stad en tevens de eerste bisschop van Maastricht. Na zijn dood aan het einde van de vierde eeuw (ca 384) werd hij volgens de overlevering begraven op de begraafplaats buiten het castellum aan de zuidzijde van de Romeinse heerbaan, ter hoogte van het huidige Vrijthof. De bisschop werd de beschermheilige van de stad en men bouwde in zesde eeuw een kapelletje op de plaats van zijn graf. De begraafplaats van Sint Servatius werd een bekend pelgrimsoord. In de elfde eeuw en de twaalfde eeuw ontstond onder gelovigen de legende over Sint Servaas. Hierdoor sprak het leven van de vrome bisschop steeds meer tot de verbeelding; het aantal gelovigen dat zijn graf bezocht, werd steeds groter. Het kapelletje boven het graf van Sint Servaas werd vervangen door een kerk, die door de jaren heen werd uitgebreid. Steeds meer mensen kwamen rond de kerk wonen. De Sint Servaaskerk kreeg een kapittel. Dit was zonder meer een autonoom staatje binnen de stad Maastricht dat bescherming bood aan haar inwoners. Het kapittel kende haar eigen bestuur, rechten, rechtspraak en privileges. Naast leider van het geestelijk leven was het kapittel als grootgrondbezitter binnen de muren van de stad ook de machtigste op economisch gebied. Het gebied rond de Sint Servaas ontwikkelde zich naast het gebied rond de bisschopskerk, de Onze Lieve Vrouwekerk, als tweede groeikern van de stad.

Het Vrijthof verloor zijn aloude functie als begraafplaats. Vóór de Sint Servaaskerk ontstond een groen plein. Het terrein was ongeschikt voor bebouwing, omdat het broekland, een drassig gebied, was. Uit onderzoek is gebleken dat de een tak van de Jeker over het Vrijthof heeft gelopen. Het terrein was dus een moerassig gebied. Op het Vrijthof heeft lange tijd een poel gelegen; deze lag in de zuidoosthoek. Bij de bebouwing van het gebied heeft men de drassige plaats altijd vermeden. Huizen werden geplaatst tegen de oplopende glooiing langs het plein. Dit is ook te zien aan de uitbreidingen van de grafkerk van Sint Servaas. Deze is grotendeels gericht naar de droge noordelijke glooiende kant van het Vrijthof. Bijvoorbeeld de pandhof is in die richting aangelegd. De kerk had aan de kant van het Vrijthof een ingang, die men kon bereiken via een trap, omdat de grafkelder hoger lag dan het groene plein voor de kerk. Het is logisch dat men bij latere bebouwing koos voor de droge delen van het terrein. Alleen de voorganger van de huidige Hoofdwacht werd in 1642 ooit midden op het Vrijthof gebouwd. Voor de nieuwbouw van de Hoofdwacht koos men in 1733 toch voor een drogere plaats, aan de rand van het plein.

Het groene plein dat in het midden van de bebouwing ontstond, werd de kern van het huidige Vrijthof. Het was grond van iedereen. Mensen kwamen er naar toe om hout te sprokkelen of om er hun koeien te laten grazen. In de Middeleeuwen werd het Vrijthof ommuurd. Het plein was toegankelijk via vijf ijzeren hekken, gelegen tegenover de Statenstraat, de Grote Staat, de Bredestraat en bij de Sint Janskerk.

De oudste vermelding dateert uit 1223. Keizer Frederik II zou het grondgebied in dat jaar aan het Sint-Servaaskapittel hebben geschonken. De oudste naam van het Vrijthof luidt Campus liber: dat betekent vrij veld. Voorts wordt het gebied ook wel Atrium genoemd; dat verwijst naar het plein als voorhof van de Sint Servaaskerk. De naam Vrijthof betekende waarschijnlijk "vrijplaats", wellicht omdat de lettergreep "vrijt" afgeleid is van het gotische woord freidjan, dat "sparen" betekent. Binnen de omheining die rond het plein was aangebracht golden eigen rechtsregels. Op het Vrijthof werd je gespaard van de stadswetten.

In de loop van de Middeleeuwen ontwikkelde het Vrijthof zich tot een mooie groene weide met veel bomen. In 1591 werden de bomen in diagonale belijning geplant. Aan het begin van de zeventiende eeuw werd de Sint Servaasfontein gebouwd. Het water van de fontein werd aangevoerd via smalle gootjes die dwars over het Vrijthof liepen naar de bleekveldjes. Op deze veldjes legden de vrouwen het wasgoed "op de bleek" om het te laten drogen en schoner te krijgen. In het voorjaar van 1737 werden drie rijen lindebomen langs de vrije kanten van het Vrijthof in een U-vorm geplant ter vervanging van de diagonaalsgewijze bomenrijen. Aan het begin van de negentiende eeuw werden de rijen lindebomen verdubbeld. Onder de bomen werden bankjes, canapés genoemd, geplaatst.

Het plein bleef tot in de achttiende eeuw een groene plaats, daarna werd het plein geplaveid. Vanaf de achttiende eeuw werd de aankleding van het Vrijthof verschillende malen veranderd. In de negentiende eeuw werd op het Vrijthof een kiosk geplaatst, later nog eens verfraaid met een plantsoen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd (dit) alles gesloopt. In 1980 heeft het Vrijthof (weer) een nieuwe verplaatsbare kiosk gekregen. Een nieuwe versie van de Luikse Perroen, die in 1292 werd geplaatst op het Vrijthof en met de komst van de Fransen in 1794 werd afgebroken, kreeg in 1955 weer een plek op het Vrijthof. De Perroen werd geplaatst in de noordoost-hoek van het plein; hier had zijn voorganger ook altijd gestaan. Tijdens de aanleg in de jaren 2003/ 2004 van de nieuwe parkeergarage onder het Vrijthof werd de Perroen vernield; bijna vier jaar later keert de gerestaureerde Perroen waarschijnlijk weer op zijn oude plaats terug.

Door de eeuwen heen heeft het Vrijthof dienst gedaan als wandelplaats voor inwoners, als exercitie- en paradeplaats voor het garnizoen, terechtstellingen vonden er plaats en het plein was het centrum voor stedelijke plechtigheden, zoals de grote Sint Servaasprocessie. Vanaf het einde van de negentiende eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog was het Vrijthof het centrum van het openbare vervoer in Maastricht. Op het plein kwamen alle lijnen bij elkaar: van hieruit kon men met het openbaar vervoer in alle richtingen rijden. Op 5 juli 1884 bood de particuliere Maastrichtse Omnibus-Maatschappij voor het eerst openbaar vervoer aan. Het vervoer was afgestemd op de aankomst en vertrektijden van de trein. Met een wagenpark bestaande uit vier wagens en acht paarden werden mensen veertien keer op een dag vervoerd van de Boschsstraat over het Vrijthof naar het station Staatsspoor. Dit tracé was ongeveer twee kilometer lang en de rit per Omnibus duurde twintig minuten. Vanaf 1896 werden de Omnibussen vervangen door de Maastrichtse Tram, de "gaasbies". De Tram was slecht gemaakt, bood weinig comfort en reed niet snel, waardoor veel mensen de voorkeur gaven aan "lopen" in plaats van het reizen met het openbaar vervoer. In 1902 werd de Maastrichtse Tram opgeheven. In 1903 kwam de paardentram er voor in de plaats. Ook die was niet erg geliefd bij de Maastrichtenaren. In 1920 volgde de elektrische stadsbus de paardentram op. Al snel werden deze vervangen door stadsbussen met benzinemotoren. In de loop der jaren kregen steeds meer mensen een eigen auto. Door het toenemend verkeer in de binnenstad ontstonden er parkeerproblemen. Om hier een oplossing voor te bieden diende het Vrijthof geruime tijd als parkeerplaats. Nu men de auto's sinds het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw onder het plein kan parkeren, worden steeds vaker evenementen op het Vrijthof gehouden, zoals het Preuvenemint, Winterland, kermissen, carnaval en grote concerten. Het Vrijthof is al sinds zijn ontstaan het hart van de stad: het is een echte ontmoetingsplaats. De Maastrichtenaren noemen het wel "De Hoeskamer vaan Mestreech". Toeristen komen naar het historische plein om een terrasje te pikken en de mooie gebouwen rond het plein te bekijken.
Café Aux Pays Bas
Het café Aux Pays Bas, gelegen aan de oostkant van het Vrijthof, was in de jaren dertig van de vorige eeuw de ontmoetingsplaats van een aantal professionele Limburgse kunstenaars verenigd in de Kunstenaarsvereniging Limburg. Deze groep was een afscheiding van de Limburgse Kunstkring bestaande uit professionele en amateur kunstenaars. Toen in de jaren '30 de economische omstandigheden verslechterden, meenden de professionele kunstenaars dat ze zich moesten onderscheiden van de amateurs. Het gevolg van de economische crisis was immers dat er minder opdrachten voor kunstenaars waren dan voordien.

Scheppend kunstenaars, die zich bezig hielden met vrije en toegepaste kunsten, zoals beeldend kunstenaars, architecten, drukkers en topografen, verenigden zich in de Kunstenaarsvereniging Limburg. Tot de eerste leden behoorden onder andere Edmond Bellefroid, Charles Eyck, Han Jelinger, Harry Koolen, Paul Kromjong, Hub. Levigne, Jkvr. Judy van Kessenich, Joep en Suzanne Nicolas, Jef Scheffers, Cephas Stauthamer, Paul Windhausen, Charles Vos, Henri Schoonbrood, Alphons Boosten, Jos Wielders, Willy Marres, Charles Nypels, J. Veltman en Alexander Stols. De kunstenaars vertoefden graag in het café Aux Pays Bas. De zelfbewuste, getalenteerde, jonge dochter van de uitbater, Tiny Kaiser, was zonder twijfel één van de redenen van de populariteit van Aux Pays Bas. Ze werd door de kunstenaars vereeuwigd in een aantal tekeningen en schilderijen zoals door Bellefroid, Jonas, Schoonbrood en Scheffers. Charles Vos vervaardigde een bronzen beeld van haar.
Generaalshuis
Het Generaalshuis ligt aan de noordelijke zijde van het Vrijthof. Het gebouw dateert uit 1804. Zijn naam dankt het statige stadspaleis aan de bewoners, de generaals Dibbets en DesTombes. Beide waren vestingcommandanten in de negentiende eeuw.

Het Generaalshuis werd gebouwd op de fundamenten van het Witte Vrouwenklooster. Het Witte Vrouwenklooster, dat achter de kerk lag, werd rond 1229 gesticht en is daarmee het oudste klooster vanMaastricht. Op de plaats waar de kerk van de zusters stond, lag voorheen de palts (het paleis) van de Merovingische en Karolingische heersers.
Groote Sociëteit
In de vorige eeuw lagen drie befaamde sociëteiten aan het Vrijthof. De oudste sociëteit is La Grande Société de Maestricht. De Groote Sociëteit werd ook wel de Officieren sociëteit of Hollandse Sociëteit genoemd, omdat de hoofdofficieren van het garnizoen er lid van waren en de meeste leden oranjegezind waren. Het sociëteitsgebouw werd gevestigd in de noordwestelijke hoek van het Vrijthof. Nog steeds is de Groote Societeit daar gehuisvest, tegenover het hoofdpostkantoor. Sinds 1762 zetelt de sociëteit in het gebouw. In de zaal op de begane grond is het wapen van de sociëteit nog te zien. Boven de spiegels in de wand is aan de ene kant van de zaal het stadswapen van Maastricht aangebracht en aan de andere kant dat van de sociëteit; de initialen G en S zijn in elkaar verstrengeld. In de Middeleeuwen deed het in Maaslandse stijl gebouwde pand dienst als herberg en heette het "De Gulden Ring". In dit gebouw was ook de bakkerij van het Sint-Servaaskapittel gevestigd.

De Société de Maestricht werd op één oktober 1760 opgericht door tweeënvijftig vooraanstaande Maastrichtenaren. De initiatiefnemer was Hobbe, Baron van Aylva. Hij was de eerste president van de Sociëteit. Baron Aylva was opperstalmeester ten tijde van de regering van stadhouder Willem IV. De baron stond in hoog aanzien door zijn (belangrijk) beroep als commandant van de vesting Maastricht en Gouverneur van de stad. De sociëteitsleden waren trouwens allen belangrijke burgers. Op de ledenlijst stonden onder anderen de namen van kanunnikken van de Sint Servaas, magistraten, kasteelheren, hooggeplaatste functionarissen en heren van hoge militaire rang. Enkel mannen konden lid worden van de Groote Sociëteit. Pas sinds 1992 zijn vrouwen ook welkom. Het was een besloten vereniging: je moest lid zijn om deel te nemen. Leden mochten wel introducés meenemen, maar ook zij moesten van het mannelijk geslacht zijn. In het sociëteitsgebouw kwamen de leden bij elkaar om iets te drinken, te kaarten, te biljarten, te lezen of te roddelen. In korte tijd liep het ledenbestand op tot tweehonderd mensen. De sociëteit nam een vooraanstaande positie in het culturele leven van de stad in. Dit blijkt onder andere uit het feit dat het merendeel van de aandeelhouders van de na 1780 in de voormalige Jezuïetenkerk te vestigen stadsschouwburg, lid was van de Groote Sociëteit. De officieren bezochten regelmatig het theater, dat pas in de 19e eeuw de Bonbonnière werd genoemd. Naast het schouwburgbezoek blijkt ook uit de beroemde leestafel die de sociëteit bezat dat de stedelijke elite goede smaak had. Men las de beste kranten en tijdschriften uit heel Europa. Bovendien schafte de Sociëteit in 1774 de eerste Encyclopédie geschreven door Diderot en d'Alembert aan.

Uit een klachtenboek dat in de sociëteit lag, blijkt dat de elite zich niet alleen bezighield met "belangrijke zaken". De kanunnik schrijft bijvoorbeeld dat de officieren geen dames voor vermaak mochten meebrengen en ook niet mochten vloeken. Anderen klaagden over een kanunnik van de Sint Servaas, omdat die vals spel zou spelen bij het kaarten.

De Groote Sociëteit was een bloeiende vereniging. In april van het jaar 1838 werd een buitensociëteit geopend op het buitengoed Slavante. De tuin van het voormalige klooster van de Observanten (op Slavante) was een populaire plek voor een zondagswandeling buiten de stadsmuren. Gedurende de negentiende eeuw werden op dit landgoed openluchtconcerten gehouden. De sociëteit liet het nog bestaande kapelletje van het voormalig klooster restaureren en liet het nu nog bestaande Casino, een ontwerp van Kraft, bouwen. De Sociëteit verkocht Slavante in 1906 aan de gemeente Maastricht.

Een jaar later fuseerde de Groote Sociëteit met de meer op wetenschap gerichte Sociëteit der Emulatie. De Emulation had haar sociëteitslokaal naast het Spaans Gouvernement, aan de zuidzijde van het Vrijthof. Sindsdien heet de vereniging Groote Sociëteit en Emulatie. In 1985 fuseerde de sociëteit met de Sociëteit d'Eglantier. De officiële naam van de vereniging is tegenwoordig Groote Sociëteit en d'Eglantier.

In het lange bestaan van de Sociëteit werd de vereniging een aantal keren vereerd door hoog bezoek. Op 16 juni 1841 bezocht Koning Willem II het buitenverblijf Slavante. Later bezochten ook koning Willem III met zijn vrouw Sophie de buitensociëteit. Prins Hendrik bracht de sociëteit een bezoek in 1910. Koningin Emma met haar dochter prinses Wilhelmina vereerden de Groote Sociëteit ook met hun aanwezigheid..

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw van de Groote Sociëteit ernstig beschadigd. De grote bibliotheek met oude boeken, tijdschriften, dagbladen en schilderijen werd door de Duitse bezetter beroofd. Bij de bevrijding brak zelfs brand uit in het gebouw. Na de oorlog is de Groote Sociëteit weer gegroeid. De vereniging democratiseerde sindsdien. Het ledenaantal steeg in de jaren 1990-2005 van 60 naar 130. Of iemand lid mag worden, hangt niet van zijn vermogen af. Leden moeten eerlijk zijn, ethisch handelen en hoge morele normen nastreven. Tegenwoordig kan men lid worden via het systeem van coöptatie: minimaal twee leden moeten iemand voordragen en diegene moet vervolgens goedgekeurd worden door een ballotagecommissie. Tegenwoordig bestaat het ledenbestand voornamelijk uit middenstanders en beoefenaars van vrije beroepen. De gemiddelde leeftijd van de leden van de Groote Sociëteit ligt rond 65 jaar.
Hoofdwacht
De Hoofdwacht, gelegen aan de westzijde van het Vrijthof naast de Sint Servaaskerk, heeft in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw een belangrijke functie in de stad vervuld. In het gebouw werden namelijk 's nachts de sleutels van de stadspoorten bewaard en bewaakt. Het sluiten en openen van de poorten verliep volgens een bepaald ceremonieel: 's avonds en 's morgens trok een groep soldaten langs de stadspoorten, voorafgegaan door tamboers en een regimentskapel. Ze sloten of openden de poorten. De Hoofdwacht werd dag en nacht bewaakt door twee schildwachten, direct voor de ingang in de rood met witte schildwachthuisjes.

De Hoofdwacht werd in 1736 demonstratief centraal gebouwd aan het Vrijthof als zichtbaar centrum van het militaire gezag binnen de vesting Maastricht. Dagelijks vonden parades van het garnizoen, ceremoniën en strafvoltrekkingen voor het gebouw plaats. In het gebouw zetelde tot 1866 de Hoofdwacht. Dit was de belangrijkste militaire wacht binnen de vesting. Alle andere wachten van de stad moesten hier de gang van zaken rapporteren en verantwoording afleggen over hun werkzaamheden.
Hotel Du Casque
Hotel Du Casque is gelegen op de hoek van het Vrijthof en de Helmstraat. Het hotel is één van de oudste herbergen van de stad: de oudste vermelding van dit logement dateert uit 1439. Toen heette het etablissement Herberg De Helm. In de Franse Tijd werd dit vertaald in het Frans. Sindsdien heet het hotel "Du Casque", dit betekent letterlijk "van de helm". Door de eeuwen heen bood het hotel regelmatig onderdak aan de adel uit de omstreken.

Het hotel werd in 1862 helemaal herbouwd. In 1931-1933 werd het gebouw in opdracht van de firma Heineken weer gesloopt en opnieuw opgebouwd. Dit maal kreeg het hotel een grotere oppervlakte. Het hotel werd in Art Deco stijl ontworpen door architect Jan Boterenbrood. Hotel Du Casque is één van de laatste werken van deze Amsterdamse architect. Het hotel wordt aan de kant van het Vrijthof gekenmerkt door vier bouwlagen en een lijstgevel met een asymmetrische gevelindeling. Aan de Helmstraat telt het hotel vijf bouwlagen. Het hotel is bekleed met Franse kalksteen met uitzondering van de begane grond; deze is bekleed met graniet. In het interieur zijn nog enkele Art Deco- stijl elementen bewaard gebleven. Ze zijn te zien in de betimmeringen en de plafond decoraties.
Huis Pijls
Aan de zuidkant van het Vrijthof ligt het herenhuis Vrijthof 19. Het huis werd in 1905 als particuliere woning van de rechter mr. Alfred Pijls (1955-1940) gebouwd. Pijls werd in 1855 in Maastricht geboren als zoon van Willem Hubert Pijls (1819-1903). Zijn vader was lange tijd burgemeester, wethouder en raadslid van Maastricht. Alfred Pijls studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit Leiden en kreeg vervolgens een betrekking bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht. Hij werd aangesteld tot rechter (1888-1903). Toen zijn vader in 1903 stierf, erfde hij het ouderlijk woonhuis, gelegen aan het Vrijthof. Alfred Pijls liet het huis verbouwen en het pand was sedertdien bekend als "Hotel particulier de Monsieur A. Pijls Place d'Armes a Maestricht". Het huis werd ontworpen door de Luikse architect S. Rémont. Het gebouw werd gekenmerkt door een eclectische vormgeving. Dit is te zien aan de gedecoreerde gevels met geblokte hardstenen banden in kettingverband en zandstenen vullingen. Het interieur is eveneens rijkelijk gedecoreerd. Het eclecticisme maakt gebruik van allerlei citaten uit de architectuurgeschiedenis.
In den ouden Vogelstruys
Het bekendste café van Maastricht is In den ouden Vogelstruys. Het ligt aan de oostkant van het Vrijthof op de hoek met de Platielstraat. Het gebouw doet sinds het midden van de negentiende eeuw dienst als logement. Voorheen kende het voornamelijk de functie van woonhuis. De eigenaren volgden elkaar snel op.

De huisnaam De Struys komt in de archieven voor het eerst voor in het jaar 1474. De eigenaar Peter in den Struys of misschien één van zijn voorgangers, hanteerde waarschijnlijk een struisvogel als uithangbord. Vermoedelijk bezat hij een logement. Daar is geen bewijs voor, maar het lijkt een voor de hand liggende conclusie. In de Middeleeuwen kende Maastricht namelijk nog niet het gebruik van huisnummers. Mensen konden elkaar vinden door de huisnaam. Deze werd vaak afgeleid van het beroep dat de eigenaar beoefende. Aangezien de meeste mensen niet konden lezen en schrijven, werd de huisnaam verbeeld op uithangborden. Een bord met een struisvogel verwijst waarschijnlijk niet naar de handel in pluimvee. Deze vogelsoort kwam immers niet voor in Maastricht. De struisvogel, een dier uit exotische landen, zal gekozen zijn om de vele pelgrims over te halen bij hen te overnachten en niet bij één van de vele andere logementen aan de Vrijthof. Het huis lag recht tegenover de Sint Servaaskerk en haar Schatkamer. Gelovigen kwamen van verre om het graf van Sint Servaas en de vele waardevolle relieken en reliekhouders te vereren. In de Schatkamer hingen twee struisvogeleieren als reliekhouders. Dit soort bijzondere eieren werd al in de dertiende eeuw gebruikt door de Europese geestelijkheid om gelovigen naar hun kerken te trekken. De Middeleeuwse bezoekers waren vol verbazing over de exotische producten. De eieren spraken extra tot de verbeelding, omdat men dacht dat struisvogeleieren uitgebroed werden door het hete zand en niet door de vogels zelf. Vandaar werden ze beschouwd als het zinnebeeld van de maagdelijke geboorte van Jezus Christus. Daarnaast is het ei het symbool voor de dood en verrijzenis van Jezus. Tijdens het paasfeest in de christelijke kerk wordt de dood en verrijzenis van Jezus herdacht. Het nieuwe leven wordt gevierd, omdat Jezus is opgestaan uit zijn graf en het eeuwig leven heeft gekregen. Het ei is het symbool voor het nieuwe begin en het nieuwe leven. Daarnaast wordt het ei beschouwd als de symbolische steen die het graf van Christus afsloot en met Pasen weggerold werd. Vanuit deze redenering wordt de keuze voor het uithangbord met een struisvogel verklaard.

De huisnaam De Struys was in enkele decennia ingeburgerd in het Maastrichtse leven. De huisnaam is nooit een vaste familienaam geworden. Dit was overigens wel in de Middeleeuwen gebruikelijk. Vanaf de vijftiende eeuw namen mensen een vaste achternaam, voorheen veranderde deze naam naar gelang het beroep van de man als hoofd van het gezin. De Struys was de achternaam van verschillende bewoners. De naam is waarschijnlijk geen vaste achternaam geworden, omdat de eigenaren en uitbaters van het pand elkaar relatief snel opvolgden. De meeste families hebben het huis niet langer dan twee generaties in hun bezit gehad.

In den Struys was een houten huis, gebouwd in het begin van de vijftiende eeuw. Het huis werd gebouwd op de kelders van het stenen huis dat voorheen op de plek van de huidige In den Oude Vogelstruys en het eerste huis aan de Platielstraat lag. Dit huis wordt voor het eerst vernoemd aan het begin van de dertiende eeuw; waarschijnlijk was het toen al oud. In de vroege Middeleeuwen waren stenen huizen in Maastricht zeldzaam, daarom werden ze als zodanig uitdrukkelijk vernoemd in verkoop- en verervingaktes van onroerend goed. Het stenen huis aan de Vrijthof heette Schönecken. Het dankte zijn naam aan de eigenaren, de heren van Schönecken. Schönecken was een dorp en een burcht in de Eifel. Het Maastrichtse huis diende als stadsresidentie van 1264 tot 1353. Later werd het huis enkele decennia bewoond door de heer Hendrik van Schutdorp. Over hem is weinig bekend, net als over de reden voor het afbreken van het stenen huis om er vervolgens een vakwerkhuis voor in de plaats te bouwen. Op de kelder van het voormalige stenen huis werden twee nieuwe gewelfde kelders van steen gebouwd. Hierop plaatste men een indrukwekkend houten geraamte van vierentwintig meter diep en minstens vijf verdiepingen hoog, waarvan twee zolders. Het houten huis had een dak dat naast de huidige Struys ook de eerste vier huizen van de Platielstraat bedekte. Vermoedelijk was De Struys een typisch koopmans- of handelshuis. De grote zolder bood genoeg opslagruimte voor weefgetouwen.

Het imposante vakwerkhuis op de hoek van Het Vrijthof met de Platielstraat werd na drie eeuwen, in 1730 versteend. De aanleiding was een brand in de Brusselsestraat, veroorzaakt door een schot uit een zo geheten "vuurroer"(een primitief geweer) op een duif. Een strooien dak werd daarbij fataal geraakt. De wind heeft waarschijnlijk gezorgd voor een grote brand, waardoor 42 woningen tussen de Jekerstraat en Kommel in vlammen opgingen. Dit incident toonde hoe kwetsbaar Maastricht was voor brand en bombardementen. Het overgrote deel van de huizen in de stad was immers gebouwd van hout. Het stadsbestuur verordende nadien dat, wanneer nieuwe huizen werden gebouwd, deze een stenen voorgevel en zijgevels moesten hebben, daken moesten bedekt worden met leien of pannen in plaats van stro en scheidingsmuren tussen huizen moesten anderhalve steen dik zijn. De verstening van de stad zorgde er ook voor dat de uithangborden werden vervangen door gekapte gevelstenen. In de zeventiende en achttiende eeuw zijn er honderden vervaardigd. Honderdtachtig gevelstenen zijn bewaard gebleven. De grootste en bekendste is de gevel van De Struys: IN DEN OUDEN VOGELSTRUYS; 1730. In dit jaar werd de Struys verbouwd en versteend door Bartholomeus Risack. Tijdens de verbouwing werd het enorme strooien dak verwijderd, de twee zolders werden afgebroken en het gedeelte aan de Platielstraat werd verbouw tot aparte huizen. Het verbouwde hoekhuis werd een sober stenen gebouw. Enkele kenmerken van de vroegere Maaslandse Renaissance zijn echter te herkennen. De Struys is bijvoorbeeld gebouwd in rode bakstenen, al is dit door de witte verflaag die in de afgelopen eeuw is aangebracht niet meer te zien. Het gebruik van hardsteen rond vensters en deuren en op de hoek van de Vrijthof met de Platielstraat is ook een kenmerk, net als de gele mergelsteen onder de dakrand. Het gebouw kende twee voordeuren, één aan het Vrijthof en één aan de Platielstraat. Onduidelijk is of het huis in tweeën was gedeeld: de deuren wijzen hierop, maar de gevelsteen die boven de voordeur moest worden ingemetseld doet het tegenovergestelde denken.

In de negentiende eeuw heeft De Struys vele eigenaren gekend: onder andere een dokter, een betaalmeester, een controleur op de heffing van wijnaccijnzen, renteniers, rijksambtenaren, spekslagers en spoorwegambtenaren. Mogelijk heeft De Struys vanaf het midden van de negentiende eeuw gediend als logement. De meeste eigenaren hebben deze zaak dan moeten runnen naast hun andere werkzaamheden. Er is geen bewijs voor een regulier gebruik van het pand als herberg tot ver in de negentiende eeuw. De bewering dat De Struys het oudste café van Maastricht is, berust niet op waarheid. Hotel Du Casque, gelegen op de hoek van het Vrijthof met de Helmstraat deed al meer dan vijfhonderd jaar dienst gedaan als logement. Toch blijft het aannemelijk dat de Struys dienst heeft gedaan als logement, aangezien het gebouw naast het Sint Servaasgasthuis en tegenover de Sint Servaaskerk lag. Bovendien hebben de meeste panden op het Vrijthof een functie als herberg gekend.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw stond het pand bekend onder de naam "CAFÉ DE LA PROMENADE". Deze naam verwijst naar de wandelingen die men over het Vrijthof maakte. De dagelijkse "pantoffel-parade" was eigenlijk een verkapte huwelijksmarkt. Later werd deze naam weer in gebruik genomen. Aan de gevelsteen met de struisvogel werd het bijschrift IN DEN OUDEN STRUYSVOGEL toegevoegd. Tot ver in de twintigste eeuw was dit de naam van het café. Later werd de naam veranderd naar de oudste vernoeming IN DEN OUDE VOGELSTRUYS.

Het café ziet er sinds de verbouwing van 1955 uit zoals we het nu kennen. De Struys werd vlak voor de Heiligdomsvaart van 1955 gemoderniseerd; de voordeur kwam weer onder de gevelsteen, het antieke buffet werd verplaats en er kwamen nieuwe tap- en koelinginstallaties, een damestoilet en alles werd in een bruine tint geschilderd. Het sfeervolle café is karakteristiek voor Maastricht. Het is het stamcafé van vele Maastrichtenaren uit alle lagen van de bevolking. Doordat De Struys zich profileert als oudste café van de stad, de VVV het café aanprijst en doordat De Struys al vele malen de krant heeft gehaald, komen niet alleen Maastrichtenaren er een pilsje drinken, maar ook toeristen uit binnen- en buitenland. De Struys is een begrip!
Luikse Perroen
In de noordoost hoek van het Vrijthof stond vijf eeuwen lang de Luikse Perroen opgesteld, het symbool van het gezag van de Luikse Prins-Bisschop. De Perroen bestond uit een stenen kolom die gedragen werd door drie liggende leeuwen. De kolom werd bekroond met een pijnappel en een kruisje. De Perroen stond op een stenen trappenwerk van drie of vijf treden.

Volgens Franquinet werd de Perroen in 1292 daar ter plekke opgericht in opdracht van de Luikse Prins-Bisschop. De Perroen stond in de noordoosthoek van het Vrijthof. Over de exacte betekenis van het Luikse symbool op het Vrijthof is weinig bekend. Men vermoedt dat het symbool stond voor de vrijheid van Maastricht. De Perroen zou de opvolger zijn van de in de dertiende eeuw verdwenen "marktvredekruisen". De marktkruisen stonden symbool voor marktvrede en stedelijke vrijheid. Franquinet beweerde dat door het plaatsen van een marktvredekruis ook schuldenaren te schande werden gezet. Op het Vrijthof werden bij de Perroen executies uitgevoerd. Ter gelegenheid werd een schavot getimmerd waarop de strafvoltrekking plaatsvond.

In 1596 werd besloten dat de leeuwen van de Perroen verguld werden en dat bij opvolging van de Prins-Bischoppen de wapenschilden van de leeuwen voorzien werden van het wapen van de nieuwe gezagsdrager. De Perroen moest in februari 1796 afgebroken worden op gezag van de Franse bezetter. De Fransen verboden alle uiterlijke tekenen die herinnerden aan het vroegere bestuur: de Luikse Perroen moest net als de adelaar op de Sint Servaas uit het zicht verdwijnen. Een nieuwe versie van de Luikse Perroen werd in 1955 op het Vrijthof geplaatst. Tijdens de aanleg van de nieuwe parkeergarage onder het Vrijthof in de jaren 2003/2004 werd de Perroen vernield. De gerestaureerde Perroen staat  inmiddels weer op zijn oude plaats.
Postkantoor
Het opvallende hoofdpostkantoor gelegen aan de noordwestelijke hoek van het Vrijthof werd tussen 1915 en 1919 gebouwd. Het kwam tot stand onder toezicht van de Rijksbouwmeester D. Knuttel gebouwd. Samen met zijn medewerkers G. Bremer en M. Grandpré Molière zorgde de Rijksbouwmeester voor heel wat vernieuwing in de architectuur van rijksgebouwen. Uit onderzoek is gebleken dat het hoofdpostkantoor ontworpen is door Grandpré Molière. Alleen de koepel in de vorm van een bijenkorf is niet van zijn hand. De architect tekende een halve bol. De hoofdingang met een achthoekige toren, die als het ware een scharnier vormt tussen de twee hoofdvleugels, het zandstenen entreeportaal met twee zuilen die door een rondboog verbonden worden en de twee in zandsteen gebeeldhouwde adelaars zijn wel naar ontwerp van Grandpré Molière.

De bouw van het postkantoor duurde vijf jaar vanwege de vele oudere fundamenten in de bodem. Deze verwijzen naar oudere bebouwing op deze plek. Bekend is dat in de zestiende eeuw het gebouw De Royporte op de plek van het huidige hoofdpostkantoor stond. Aan het einde van de zestiende eeuw vergaderde de schepenbank in dat gebouw. Tijdens het beleg van Parma in 1579 was de Hof van Lenculen, de zetel van het gerecht van de Vroenhof namelijk verwoest. De muntmeesters weken uit naar het gebouw op de hoek van het Vrijthof en de huidige Statenstraat. In dit gebouw werd tevens tot 1632 de Brabantse munt geslagen. Het stond vanwege deze functie bekend onder de naam De Munt. Aan het einde van de zestiende eeuw verhuisde de schepenbank naar het nieuwe stadhuis op de Markt. In 1700 werd op de plaats van De Munt het Statenhuis gebouwd. Het diende als verblijfplaats van de Staatse Commissarissen-Deciseurs. De Staatse commissarissen waren afgezanten van Staten- Generaal en vormden de helft van het hoogste bestuurlijk gezagsorgaan van de stad. De andere helft bestond uit afgevaardigden van de Prins-Bisschop van Luik. Zij maakten geen deel uit van het stadsbestuur, de magistraat genoemd, maar hielden toezicht op dit college. De Commissarissen-Deciseurs bezochten Maastricht om het jaar. Ze verbleven dan drie maanden in de stad en hielden zich bezig met het controleren van stadsrekeningen, het afhandelen van beroepszaken betreffende het Lage Gerecht, het bespreken van politie aangelegenheden, het formuleren van nieuwe wetten en het verdelen van stedelijke ambten. Voor het Statenhuis vonden in de achttiende eeuw terechtstellingen plaats. In het gebouw zetelden naast de Staatse Commissarissen- Deciseurs ook het gerecht van de Vroenhof. In de Franse Tijd vond de burgerlijke rechtbank er onderdak.

Het Statengebouw was ontworpen door ingenieurs van het garnizoen. Het was een paviljoen met een mansarde dak. Op het gebouw was het wapen van de Republiek afgebeeld en kon men haar zinspreuk: Concordia res parvar crescunt (door eendracht groeien kleine dingen) lezen. Aan het begin van de negentiende eeuw verloor het Statenhuis haar functie: door de komst van de Fransen was er een einde gekomen aan de Tweeherigheid. De Commissarissen-Deciseurs hadden immers geen zeggenschap meer en de burgerrechtbank verhuisde in 1829 naar de Mindersbroedersberg. Het gebouw kwam in handen van particulieren. In 1913-1914 werd het gesloopt. De pilaren van de toegangspoort van het oude Statenhuis is nu te zien bij De Torentjes te Sint Pieter. Het huidige hoofdpostkantoor werd vervolgens op de plaats van het Statenhuis gebouwd.
Grandpré Molière
De architect van het Maastrichtse postkantoor, Grandpré Molière, heeft veel invloed gehad in de architectuur van de Delftse School (1930-1955), ook wel traditionalisme genoemd. Hij was hoogleraar aan de Hogeschool in Delft. De stroming streefde ernaar de traditionele plattelandsarchitectuur te behouden. Kenmerken van de School zijn het gebruik van baksteen en hellende daken.
Sint-Jacobsgasthuis en de Sint-Jacobskapel
Het Sint Jacobsgasthuis en de gelijknamige kapel lagen in de zuidoosthoek van het Vrijthof, op de hoek van de Bredestraat en de Jacobstraat. Het gasthuis werd door het kapittel van Sint Servaas opgericht. Het diende als slaap plaats voor pelgrims die tijdens hun bedevaart naar Santiago de Compostela het graf van Sint Servaas in Maastricht bezochten. Het gasthuis had een eigen kapel. Deze was toegewijd aan Sint Jacob van Compostela. Sint Jacob, was één van de eerste volgelingen van Jezus. Volgens de traditie begon Sint Jacob na de dood van Christus zijn eigen apostolaat. Na enkele tegenslagen kreeg de apostel veel aanhangers in Judea. De Joodse hogepriesters keerden zich tegen hem. Hij werd gevangen genomen en voor koning Herodes in Jeruzalem gebracht. De koning oordeelde dat Jacobus onthoofd moest worden. In een stoet werd Jacobus buiten de stadsmuren gebracht. Onderweg lag een lamme man. Hij vroeg Jacobus hem te genezen. Het wonder geschiedde. Toen Josias, de schriftgeleerde die de apostel naar zijn schavot moest brengen, dit zag, vroeg hij Jacobus hem te bekeren tot het christendom. Jacobus doopte Josias, waarna ze beiden werden onthoofd. Twee leerlingen van Jacobus namen het dode lichaam mee naar de kust van Galicië. Ze begroeven het in de buurt van Lupuria in Galicië, een landsdeel in Noord-Spanje. Bijna achthonderd jaar later werd het lichaam van Sint Jacob op wonderlijke wijze gevonden. Een kluizenaar zag boven een struikgewas een aantal keer een helder lichtstralen. Onder het struikgewas lag Sint Jacobus begraven. Sindsdien wordt hij vereerd. Op 25 juli viert men zijn marteldood. Gelovigen ondernamen vanuit heel Europa pelgrimtochten naar het graf. in Santiago de Compastela. De plaats is vernoemd naar de apostel. Sant Iago is het Spaans voor Sint Jacob. Uit vondsten van Friese munten in de pelgrimstad blijkt dat in de negende en tiende eeuw pelgrims uit onze omgeving bedevaarten naar Spanje maakten om Sint Jacob te vereren. Tussen de twaalfde en de veertiende eeuw was de tocht naar Santiago de Compostela ontzettend populair. Bijna één procent van de West-Europese bevolking trok jaarlijks naar het graf. Aan het einde van de Middeleeuwen trokken steeds minder mensen naar Spanje. Waarschijnlijk is één van de oorzaken dat de boetebedevaarten, die geestelijken oplegden aan gelovigen die een misstap hadden begaan om hun zonden in te lossen, steeds korter werden. In deze tijd verloor het Sint Jacobsgasthuis aan het Vrijthof zijn functie. Het werd gesloten door het kapittel van Sint Servaas; de eigendommen van het gasthuis kwamen in handen van het Sint Servaasgasthuis.

De Sint Jacobskapel bood sindsdien onderdak aan parochianen van andere kerken. Zo woonden de franciscanen vanaf 1579 dertig jaar in de kapel. Hun klooster aan de Sint Pieterstraat was namelijk verwoest door de verovering van Parma. De kloosterlingen  verzorgden in deze periode ook de missen in de kapel. De kapel heeft tevens onderdak geboden aan deparochie van Sint-Jan nadat de protestanten in 1622-1634 de Sin-Janskerk in het bezit hadden genomen.
Sint-Servaasgasthuis
Na de dood van Bisschop Servatius in de vierde eeuw groeide Maastricht uit tot een geliefd pelgrimsoord. Gelovigen kwamen van ver uit Europa om Sint Servaas bij zijn graf te eren. Het Sint Servaas gasthuis, bood onderdak aan pelgrims die speciaal voor Sint Servaas een bedevaart ondernamen. Het gasthuis lag op een vooruitgeschoven positie in de zuidoosthoek van het huidige Vrijthof, op de plaats waar de Bredestraat en de Platielstraat bij elkaar komen. Het lag binnen het rechtsgebied van het kapittel van Sint Servaas. Het gebouw strekte zich uit tot de huidige bomenrij, waardoor het Vrijthof geen vierkant plein was, zoals nu het geval is. Waarschijnlijk is het Sint Servaasgasthuis in de twaalfde eeuw gesticht. Volgens Schaepkens, zou het gasthuis ontstaan zijn uit een palts oftewel paleis van de Merovingische koningen en later van de Karolingische heersers. Hertog Giselbert van Neder-Lotharingen (913-939) zou de opdracht hebben gegeven dat de palts in de toekomst dienst moest doen als gasthuis.

Vanaf de eerste helft van de twaalfde eeuw werden pelgrims opgevangen in het gasthuis. De gelovigen mochten drie dagen gratis verblijven in het gasthuis. Ze kregen onderdak en voeding: brood, bier en erwtensoep. Het gasthuis viel onder supervisie van het Servaaskapittel. Het werd geleid door een hospitaalmeester en zes religieuzen. Zij leefden volgens strenge regels. Ze mochten geen feestmaal voor zichzelf verzorgen of vreemden binnenlaten, omdat hiervoor het geld van de instelling niet bedoeld was. Het vermogen van het gasthuis bestond voornamelijk uit schenkingen. Dit geld mocht niet verkwist worden. Aan het einde van de Middeleeuwen nam het aantal pelgrims dat Maastricht kwam bezoeken af. Rond 1400 mochten de zusters naast pelgrims ook armen verzorgen. Aanvankelijk mochten enkel pelgrims die het graf van Sint Servaasbezochten, worden opgevangen en blinden en bejaarden, mits ze betaalden. In het gasthuis werden absoluut geen krankzinnigen, zwervers, soldaten, vondelingen, pestlijders, melaatsen, lijders aan syfilis en slachtoffers van een gevecht toegelaten. Later veranderde dit. Het gasthuis bleef pelgrims opvangen, maar richtte haar liefdadigheid nu ook op de Maastrichtse bevolking. Ze namen voornamelijk invaliden en bejaarden op. Arme stedelingen, die niet in het gasthuis verbleven, kregen ook een gedeelte van de opbrengst. In 1488 verordonneerde Lodewijk XI van Frankrijk dat in het Sint Servaasgasthuis alleen nog maar Franse pelgrims mochten worden opgevangen. Tot de zeventiende eeuw bleef het gasthuis pelgrims opvangen, maar men richtte zich steeds meer op de armenopvang. In 1615 kwamen tien zusters uit het Belgische Tienen naar het Sint Servaasgasthuis om de verzorging van de gasten op zich te nemen. De zusters leefden volgens de regel van Sint Augustinus met een speciale devotie voor de Heilige Elisabeth. De zusters namen sinds het midden van de achttiende eeuw geen vreemde pelgrims meer op. Dit was op verzoek van de gouverneur Aylva. In de Franse Tijd deed het gasthuisdienst als militair hospitaal. Later wilde men het Sint Servaasgasthuis veranderen in een burgerhospitaal. Dat mislukte, omdat in de Franse Tijd de zorg voor militairen voor ging boven de zorg voor burgers. Het burgerhospitaal verplaatste zich naar het voormalige Cellebroedersklooster aan de Brusselsestraat. Het Sint Servaasgasthuis heeft tot in de negentiende eeuw dienst gedaan als bestuursgebouw voor het Burgerlijk Armbestuur. Er was ook een apotheek die medicijnen verstrekte aan de zieken van het hospitaal, maar ook aan zieke arme mensen die opgenomen waren.

Het Sint Servaasgasthuis werd in de loop van de negentiende eeuw afgebroken: de kapel in 1821, de rest van de gebouwen tussen 1850 en 1860.
Sint Servaaskerk
Het Vrijthof ligt aan de voet van de imposante Sint-Servaaskerk. In de Middeleeuwen was het plein de om uurde voorhof van de kerk.

De Sint-Servaaskerk is gebouwd op de plek waar in de vierde eeuw de eerste bisschop van Maastricht werd begraven. Bisschop Servatius werd de beschermheilige van de stad. Pelgrims maakten van verre bedevaarten om hem te eren. Op het graf werd aanvankelijk een kapel gebouwd. Doordat de populariteit van de plek onder gelovigen steeg werd zijn kerk steeds uitgebreid. Vanaf ongeveer 1000 na Christus werd er geen nieuwe kerk meer gebouwd.  De Romaanse pelgrimskerk van Geldulfus werd wel door de eeuwen heen vergroot en verfraaid om het belang van het godshuis te onderstrepen.
Sint-Janskerk
De kerk met de hoogste toren van Maastricht, de Sint-Jan, ligt aan de westzijde van het Vrijthof. De Nederlandse Hervormde Gemeente kreeg de kerk in december 1633 toegewezen, die oorspronkelijke van de katholieken was. Thans heeft daarin de Samen-Op-Weg- gemeente domicilie. Een samenwerkingsverband tussen Nederlands Hervormden en gereformeerde kerken.

De kerk werd in de late Middeleeuwen gebouwd in gotische stijl. De kerk kwam naast de Sint-Servaas te staan, omdat hier de missen voor de parochianen moesten gaan plaatsvinden.  Het kapittel van de Sint-Servaas wilde niet dat hun diensten samen zouden vallen met de diensten van het volk.
Spaans Gouvernement
Museum Het Spaans Gouvernement ligt aan de zuidzijde van het Vrijthof. De oudste vermelding van het gebouw dateert uit 1287. In de dertiende eeuw bood het gebouw huisvesting aan de schouten en rentmeesters van de Hertog van Brabant. Het oorspronkelijke vakwerkhuis was eigendom het Sint- Servaaskapittel. Kanunnik Johannes Fraybart schonk het gebouw in 1333 aan de Brabantse hertog Jan III. Sindsdien heette het gebouw het Hof van Brabant. Hertogin Johanna schonk aan het einde van de veertiende eeuw het huis weer aan het kapittel onder voorwaarde dat zij als ze in Maastricht was in het huis mocht resideren. Het kapittel stond dit ook toe aan haar rechtsopvolgers. Het aanzien van het gebouw steeg aanzienlijk door de keizerlijke bezoeken van Karel V in 1520, 1529, 1532 en 1550. Karel V werd in 1515 tot hertog van Bourgondië benoemd en een jaar later tot koning van Spanje. In 1519 werd hij gekozen tot Duitse Keizer. Aangezien Karel V en zijn zoon Philips II koning van Spanje waren, kreeg het Hof van Brabant de naam Spaans Gouvernement.

In de Middeleeuwen was het Spaans Gouvernement een vakwerkhuis. In 1520 onderging het gebouw een grote renovatie. Het Spaans Gouvernement werd opgeknapt en een gedeelte van het vakwerk werd vervangen door de stenen voor-  en achtergevel zoals we hem nu nog kunnen zien. Dit alles gebeurde ter ere van de inhuldiging van Philips II, die ter gelegenheid van deze gebeurtenis in het Spaans Gouvernement verbleef. Onder zijn gasten bevond zich onder andere de hertog van Alva. Aan de voorzijde van het Spaans Gouvernement zijn rechts in de bovenramen nog steeds de wapens van de koningen te herkennen: links het wapen van Karel V, in het midden het familiewapen van de Habsburgers en rechts het wapen van Philips II.

Het Spaans Gouvernement werd nog diverse malen veranderd en verbouwd. In de achttiende eeuw werd het gebouw zelfs uitgebreid in oostelijke richting. Deze aanbouw verdween in 1920 om plaats te maken voor nieuwbouw van de Nederlandse Bank. Sinds 1994 zetelt de Banque de Paribas in dat gedeelte dat ooit tot het Spaans Gouvernement behoorde.
Werner Mantz
Aan het Vrijthof, op nummer 2, lag van 1938 tot 1972 het fotoatelier van de beroemde fotograaf Werner Mantz. In zijn atelier maakte Mantz voornamelijk portretten. Hij was gespecialiseerd in kinderportretten. Hij liet kinderen zichzelf zijn en wachtte op het juiste moment om een foto te maken. Dit maakte hem zeer populair. Een belangrijke eigenschap van de fotograaf was dat hij altijd op zoek was naar natuurlijk licht. In zijn Maastrichtse atelier aan het Vrijthof kwam dit tot uiting in het melkglazendak dat de atelierruimte bedekte. Hierdoor konden zijn foto's gemaakt worden bij natuurlijk daglicht. Mantz maakte zijn foto's zonder kunstlicht.

Werner Mantz werd in 1901 geboren in Keulen. In deze stad leerde hij zichzelf fotograferen. Hij maakte met zijn eerste camera, de legendarische Kodak Brownie, foto's van de oude binnenstad en belangrijke gebeurtenissen die er plaatsvonden. Mantz werd bekend als fotograaf toen hij in het voorjaar van 1920 foto's maakte van de overstroming van de Rijn. Hij fotografeerde het water in de Keulse straten en pleinen. Hierin bleken veel mensen in geïnteresseerd en daarom liet Mantz zijn foto's afdrukken op prentbriefkaarten, die hij dan weer verkocht. Toen bleek dat Mantz met zijn foto's geld kon verdienen, ontstond het idee om professioneel fotograaf te worden. Mantz besloot in München een vakopleiding te gaan volgen. Zijn brood verdiende Mantz met het portretteren van de gegoede burgerij. In zijn vrije tijd fotografeerde Mantz nog steeds het straatbeeld van Keulen. Via de architectuurfotografie kwam de fotograaf in aanraking met de school van het Nieuwe Bouwen. Hij bracht het werk in opdracht van het Nieuwe Bouwen voortreffelijk in beeld. Deze stijl wil met haar architectuur optimisme uitstralen door zich te richten op licht en ruimte. Werner Mantz was gefascineerd door licht. In zijn vroege jaren fotografeerde hij meestal in de morgen op zoek naar het meest zuivere licht.

In 1926 bezocht Werner Mantz Zuid-Limburg voor het eerst. In Maastricht raakte hij gefascineerd door het oude stadsbeeld. Tussen 1933 en 1938 pendelde de fotograaf tussen Duitsland en Nederland. Aanvankelijk bezat hij een atelier in een buitenwijk van Maastricht. Hier werkte hij samen met een vriend uit Keulen Karl Megenbaum. Hij bleef de rechterhand van Mantz tot zijn dood. Toen in 1938, na de Kristalnacht, bleek dat Duitsland niet meer veilig was voor de Joodse bevolking vertrok Werner Mantz samen met zijn vader en joodse moeder naar Maastricht. De fotograaf vestigde zich aan het Vrijthof. Hier begon Mantz noodgedwongen weer met portretfotografie. Naast zijn werk maakte hij veel foto's van het stadsbeeld en de architectuur. In Maastricht legde hij voornamelijk de oude binnenstad vast. Om de moderne architectuur op de gevoelige plaat vast te leggen, reisde Mantz naar Heerlen. Hier fotografeerde hij onder andere het Glaspaleis, een ontwerp van Frits Peutz (1896-1974). De laatste grote fotografische architectuuropdracht kreeg Mantz van Provinciale Waterstaat. In 1939 voltooide hij deze opdracht waarvoor hij het gebruik van de nieuwe Limburgse provinciale wegen in alle vier seizoenen in beeld bracht. Ondanks het feit dat Mantz geen grote opdrachten meer uitvoerde, heeft hij veel bekende en artistieke foto's. In 1972 sloot Mantz zijn atelier waar hij jarenlang heel veel Maastrichtenaren had geportretteerd. Hij verhuisde met zijn vrouw naar Eijsden. In 1983 overleed Werner Mantz. Zes jaar later werd de Stichting Werner Mantz opgericht met als doel het werk van Mantz toegankelijk te maken en fotografie die met natuurlijk daglicht werkt te stimuleren.
Zaate Herremenieke
Fdao Kaome ze ! (Daar komen ze!) Tegen de achtergrond van de Sint- Servaaskerk en de Sint-Janskerk stappen de kleurrijke figuren van de beeldengroep "het Zaate Herremenieke" het Vrijthof op. Het carnavalsmonument werd in 1993 op het Vrijthof geplaatst als symbool voor het jaarlijks terugkerend carnavalsfeest dat een grote rol speelt in de Maastrichtse samenleving. Kunstenaar Han van Wetering ontwierp een bronzen beeldengroep die hij graag van een kleurrijk jasje had voorzien. Een festijn van kleuren is immers een belangrijk kenmerk van de Maastrichtse carnaval. Toch werd besloten dat de beeldengroep in brons op het Vrijthof werd geplaatst. In 2004 kwam hierin verandering. In dat jaar werd de Vrijthofparkeergarage vernieuwd waardoor het kunstwerk tijdelijk van het plein moest verdwijnen. Deze situatie is aangegrepen om de figuren een metamorfose te laten ondergaan. Sindsdien is het Zaate Herremenieke een kleurrijk stedelijk carnavalssymbool.

Het Zaate Herremenieke is niet het eerste carnavalsmonument in Maastricht. In café "In den Ouden Vogelstruys" schilderde kunstenaar Chrit Rousseau een reusachtige wandschildering waarop alle facetten van het Maastrichtse carnaval werden afgebeeld. Gedeeltes van de schildering werden op kaarten gedrukt en verkocht. De opbrengst maakte de oprichting van het carnavalsmonument op het Vrijthof mogelijk.
De Momus
De Momus is het gebouw van de middenstandsociëteit Momus. De Momus ligt aan de oostzijde van het Vrijthof. Het pand doet tegenwoordig dienst als café en restaurant en bezit natuurlijk een terras. Als je goed kijkt naar de gebouwen achter de terrassen, dan valt halverwege de huizenrij de Momus meteen op. Het gebouw wordt namelijk gekenmerkt door een narrenkop in de gevel. De Momus werd in het seizoen 1839-1840 opgericht als carnavalsvereniging. De narrenkop was het symbool voor de zotheid en gekheid die tijdens carnaval hoogtij viert. De Sociëteit Momus ontstond toen een groepje zakenlui het initiatief nam om in 1840 een onvergetelijke carnaval in de stad te organiseren. Tijdens de Belgische Opstand van 1830 tot 1839 was het vieren van vastenavond verboden. De initiatiefnemers meenden dat na deze roerige tijd een goed georganiseerd volksfeest een plezier zou zijn voor de Maastrichtenaren en met name de Maastrichtse economie. De optocht op carnavalszondag was een succes. Vandaar dat het idee voor de oprichting van een carnavalsvereniging geboren werd. Binnen een jaar tijd telde de vereniging meer dan vijfhonderd leden. Als naam voor de carnavalsvereniging werd Momus gekozen. Momus was de Romeinse benaming voor de oorspronkelijk Griekse God van spot en kritiek. De leden van De Momus streefden "amuzemint en ach-froaij gekkerij" na, onder de voorwaarde "neet boete de schroam". Kenmerkend voor de carnavalsvereniging was het steeds terugkerende gebruik van het gekkengetal elf. Zo bezat de grondwet 11 artikelen, werd de vereniging geregeerd door een president en tien raadsleden, was de tijdsrekening gebaseerd op het getal elf, het nieuwe jaar werd met elf schoten van het momuskanon ingeluid en was het toegestaan maximaal elf flessen per avond te drinken, tenzij er redenen waren om dit devies te overschrijden. Bij de bouw in 1883 van het verenigingslokaal aan het Vrijthof, Momus genoemd, werd het gekkengetal ook als basis genomen. De monumentale klassieke gevel werd elf meter breed gemaakt. Het balkon voor de Raad van Elf wordt omringd door twee keer elf zuiltjes. Het narrenhoofd, boven de gevel, is zelfs elf bij elf centimeter hoog. Het terras werd elf meter breed gemaakt. De beroemdste zaal van het gebouw was de elf bij elf meter brede Momusbenedenzaal. De muren van deze zaal waren rondom bekleed met spiegels. Tijdens de vastenavond werden deze beschilderd door bekende kunstenaars.

Jarenlang werd vanuit de Momus door de sociëteit het Maastrichtse carnaval georganiseerd. Daarnaast zorgde men door het jaar ook voor het nodige vermaak. De Momus organiseerde onder andere een bakkerswedstrijd en een vliegerwedstrijd, optochten en dansavonden, ze loofde regelmatig prijzen uit tijdens jaarmarkten en paardenmarkten, ze liet zelfs een luchtballon op vanuit haar buitensociëteit "Maeszigt", gelegen aan de oostelijke zijde van de Sint-Pietersberg. Bovendien was De Momus de grondlegster van de Limburgse wielrennerij. Daarnaast heeft de Momus de uniformiteit van Het Maastrichts Dialect bevordert. In de Momusgrondwet stond namelijk dat niemand zijn moedertaal mocht verloochenen. Vandaar dat alles in het dialect werd verteld en geschreven. Toneelvoorstellingen en concerten werden ook in het dialect opgevoerd.

Naast het vele volksvermaak dat werd georganiseerd, was de vereniging ook verantwoordelijk voor vele liefdadigheidsacties. Al in 1840, het eerste jaar dat de Momus actief was, deelden ze op oudjaar 20.000 kilo kolen uit aan de armen van de stad. Bovendien werd er bij iedere grote gelegenheid gecollecteerd voor de armenzorg.

Als sociëteit voor de Maastrichtse middenstand behartigde de vereniging ook de belangen van haar leden. Aanvankelijk bestonden de leden voornamelijk uit fabrikanten, kooplieden, winkeliers, café- en hotelhouders en bierbrouwers. Zij vormden de kern van de sociëteit waarvan ook leraren, advocaten, artsen, ambtenaren en garnizoensofficieren lid konden worden. Rond 1870 werden ook hogere functionarissen van het leger, de provincie en de stad lid van de Momus. De sociëteit was politiek gezien de tegenhanger van de Groote Sociëteit, gelegen aan de overkant van het Vrijthof. De Momus was namelijk liberaal ingesteld. Dit uitte zich bijvoorbeeld in het feit dat zowel mannen als vrouwen lid mochten worden van de vereniging. Daarnaast lagen op de leestafels vanaf 1872 geen katholieke kranten, maar liberale, ongodsdienstige bladen. Verwoede discussies over voornamelijk de gemeentepolitiek vonden plaats in het verenigingsgebouw. Vaak gebeurde dat zo fel, dat al in 1848 het reglement moet worden aangepast. Sprekers op het paard Pegasus (vanaf de oprichting het spreekgestoelte van de vereniging) mochten geen politiek of religieus getint betoog meer houden. De leiding van de Momus bleef lange tijd matig liberaal, maar onder de leden ontstond op politiek gebied steeds meer onenigheid. Vooral over de opkomst van de fabrieken van Petrus Regout bestond veel discussie. Door het gevaar van de mogelijke Belgische annexatie van Limburg in 1919, draaide het roer enigszins. De overtuigd liberale sociëteit schaarde zich achter Koningin Wilhelmina en ging weer meer waarde hechtte aan het conservatieve katholieke geloof. In deze tijd kwam er een einde aan de bloeiperiode van de Momus. Tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog moest door financiele problemen het verenigingsgebouw De Momus worden verkocht. De societeit bleef bestaan, zij het met weinig leden. In de Tweede Wereldoorlog maakte men plannen De Momus opnieuw leven in te blazen. Dit gebeurde niet. In 1958, werd het 75jarig bestaan van het gebouw De Momus gevierd. Toen ontstonden opnieuw ideeën om de sociëteit her op te richten. Dit liep echter op niets uit. Het gebouw is blijven bestaan. Jammer genoeg is het beroemde interieur verdwenen. Het momuskanon wordt wel nog ieder jaar gebruikt om het begin van het carnavalsfeest in te luiden.
De Sint-Servaasfontein
Het Vrijthof heeft eeuwenlang een fontein in het midden van het plein gehad. Het water in de fontein was afkomstig van de Sint-Servaasbron in Biesland, in Necum vlakbij Canne. Volgens een legende zou Bisschop Servatius hier een waterbron uit de rotsen hebben geslagen.

De legende verhaalt dat Bisschop Servatius op de terugweg was van een pelgrimtocht naar Rome. Hij liep vanuit Italië door de Alpen en de Elzas naar Maastricht. Het was een zware en lange tocht. De bisschop was ontzettend vermoeid en had ontzettende dorst. Hij kon nergens watervinden. Daarom richtte hij een gebed naar de hemel. Servatius werd verhoord: toen hij met zijn staf een kruisteken op een rots maakte, stroomde er verkoelend water uit. Op dat moment verscheen een engel die Servatius een roodbruine glazen beker aanbood om te drinken. De bisschop kon zijn dorst lessen.

In de Middeleeuwen schreef men de beker een geneeskrachtige werking toe. Een weduwe die leed aan hoge koorts zou door het drinken van het bronwater uit de roodbruine bokaal en door te bidden tot Sint Servatius genezen zijn. Sindsdien kwamen talrijke koortslijders naar de Servaasbron om genezing te vinden. Men bracht ook vee naar de bron in de hoop dat wanneer de dieren dronken van het water ze zouden genezen van ziektes als miltvuur of mond- en klauwzeer. In de loop der eeuwen ontstond bij de Servaasbron het "Sint Servaasbroek". Vele zieken en gebrekkigen zochten genezing bij de bron, die tot de dag van vandaag langs de weg naar Kanne ligt.

De pelgrimage naar de bron was de aanleiding om een waterleiding aan te leggen om het water te vervoeren naar het Vrijthof. In het midden van het Vrijthof zou een fontein voor het bronwater worden geplaatst. Op deze manier kon Sint Servaas vanuit zijn eigen grafkerk over de werking van het water waken. dat was de symbolische gedachte achter het idee. De aanleg van de waterleiding met fontein bleek een probleem. De eerste poging aan het einde van de vijftiende eeuw liep mis vanwege conflicten tussen het stadsbestuur en het Sint Servaaskapittel. Er waren onenigheden over het eigendomsrecht van het Vrijthof. Aan het einde vande zestiende eeuw werd opnieuw een poging gedaan. Een Luikse deskundige onderzocht de mogelijkheden van een waterleiding van de Sint-Servaasbron naar het Vrijthof. Kanunnik Johannes Rijcke voerde het plan uit in het begin van de zeventiende eeuw. Hij ontwierp een waterleiding van dunne, geboorde buizen van elzenhout, beslagen met ijzeren banden. De leiding liep onder de huizen door vanaf Biesland naar de Bouillonstraat en via de Papenstraat naar het Vrijthof. Hier vloeide het water uit de fontein. De druk was echter minimaal. Enkele malen heeft de gemeente geprobeerd het water in de fontein te laten springen door de leidingen te vergoten en een molen in de Jeker te plaatsen. Het mocht niet baten: het water kon men enkel putten uit defontein.

Het bronwater kwam naar het Vrijthof via de waterleiding. Deze mondde uit in een bassin, een diepe geplaveide cirkelvormige kom in de bodem van het plein. Het bassin was toegankelijk door middel van zes rondomlopende trappen. De fontein gebouwd door twee Waalse steenhouwers, N.Rypet en M. Dhonneur, kwam in het midden te staan. De fontein bestond uit een kelkvormige vaas die was gedecoreerd met drie vergulde putti in hoog-relief. De engeltjes sloegen hun vleugels breed uit en hun monden waren wijd geopend. Hieruit stroomde het bronwater richting het bassin. In het bassin lagen drie hardstenen dolfijnen die de waterstralen met hun bek opvingen. In het water zwommen ook echte vissen, waaronder karpers en snoeken. De vaas van de fontein werd bekroond met een deksel  waarop een beeld van Sint Servaas stond. Hij maakt met zijn rechterhand het zegenende gebaar en in zijn linkerhand draagt hij zijn bisschopstaf. Het beeld droeg een Latijns opschrift. Volgens een vertaling van Ph. van Gulpen was daar te lezen: "reiziger vereer deze bron, die ge hier ziet, want zij is heilig, en hetzij ge dorst, hetzij ge koorts hebt, drink ervan, leef, vaarwel. Daartoe vermaant u de vertrouwde naam van Sint Servatius". Om het beeld te beschermen werd er een baldakijn met bronzen zuiltjes rond geplaatst.

De fontein en het bassin werden omgeven door een hardstenen balustrade met zuiltjes. Op de zuiltjes waren heraldische leeuwen afgebeeld die het stadswapen van Maastricht droegen. Het water liep via smallegootjes van de fontein en het bassin dwars over het Vrijthof naar de bleekveldjes. Het Vrijthof was in die tijd nog een groen plein.

In de loop van de zeventiende eeuw raakt de fontein totaal in verval. Tijdens de inval van de Fransen op 30 juni 1673 werd het waterbekken verwoest. De resten van de fontein werden in 1733 volledig afgebroken,omdat het hardsteen nodig was voor de stadswallen. In de negentiende eeuw werd de vaas van de fontein gevonden door J. Schaepkens. Hij vond het restant in de Bogaardenstraat waar alle brokstukken van oude pompen bij elkaar lagen. De fonteinvaas deed lange tijd dienst als bloemenvaas bij het Patervink torentje. Later geraakt ze in de collectie van het Bonnefantenmuseum. Bij de verhuizing van het museum naar de Entre Deux is de vaas kwijtgeraakt. Niets is meer bewaard gebleven van de befaamde fontein op het Vrijthof. Op de plek van de Sint Servaasfontein werd in 1894 een muziekkiosk geplaatst. In 1935 vervaardigde kunstenaar Charles Vos een nieuwe Servaasfontein. Deze werd aan de kant van de Sint Servaaskerk geplaatst. Ook deze fontein is inmiddels van het plein verdwenen. Tot slot is er in 1978 nog een kleine vrolijk spetterende fontein opgericht in de zuid-oosthoek van het Vrijthof. De fontein was getiteld Hawt uuch vas! Het thema van de fontein gemaakt door de Maastrichtse beeldhouwer Frans Gast is het carnaval. Ze werd geplaatst op het Vrijthof ter gelegenheid van het honderdvijfentwintig jarig bestaan van de Spaarbank Maastricht. De fontein wordt binnen afzienbare tijd herplaatst.
Straten
Het Vrijthof als centrum van de stad
Het Vrijthof met de Sint-Servaaskerk was het tweede centrum van waaruit de Middeleeuwse stad Maastricht is gegroeid. De Onze-Lieve-Vrouwekerk was het oudste, eerste stadscentrum. Nu is het Vrijthof is uitgegroeid van tweede stadscentrum tot het kloppend hart van Maastricht. Vanaf het plein lopen straten naar alle belangrijke punten in de stad.

Bredestraat
De Bredestraat loopt vanaf de zuidoostzijde van het Vrijthof naar het Onze Lieve Vrouweplein. De straat verbindt de eerste twee stadskernen van Maastricht met elkaar. De Bredestraat is eeuwenlang één van de voornaamste straten van de stad geweest. De naam "Bredestraat" dateert uit het jaar 1139. Volgens een zeventiende-eeuwse legende zou het geboortehuis van de heilige Lambertus op hoek van de Bredestraat en de Hondstraat hebben gelegen. Zeker is dat het college van de Jezuïeten in de zestiende en zeventiende eeuw aan de Bredestraat lag. In de Poort van Reckheim of Rekum, het bezit van de jezuïeten, zetelde enige tijd het Brabants en Luiks hooggerecht. Aan het begin van de twintigste eeuw, 1911, bevatte het Oude Huis De Crassier, gelegen aan de Bredestraat de grootste kunstcollectie van heel de stad.

Platielstraat
De Platielstraat verbindt het Vrijthof met het Amorsplein. Oorspronkelijke heette de straat vicus novus of nova platea. Dit werd nuwe streat en uiteindelijk heette de straat nieuwe straat. Door de komst van een andere Nieuwstraat werd ervoor gekozen om de straat een onderscheidende naam te geven. De straatnaam kreeg de toevoeging "retro sanctum Amorem", dat achter Sint-Amor betekent. In 1476 werd de huidige Platielstraat "de Alde nieuwe stroet achter Sint Amoer" genoemd. Aan het begin van de zestiende eeuw (1524) wordt voor het eerst van Platteelstraete gesproken. De straat werd vernoemd naar het huis "In den Plateel", dat "In de Schotel" betekent.

Op het Amorsplein stond tot de helft van de zeventiende eeuw de Middeleeuwse kapel Sint-Amor. In 1951 werd de uit zandsteen gekapte Sint-Amor, staande op een zuil uit de Onze Lieve Vrouwekerk onthuld. Het beeldhouwwerk is van de hand van de bekende Maastrichtse kunstenaar Charles Vos. Langs het plein lag in de Middeleeuwen de bakkerij van het Sint Servaaskapittel.

Helmstraat
De Helmstraat verbindt het noordoostelijk gedeelte aan het Vrijthof met de Grote Gracht. De Grote Gracht loopt vanaf de Markt tot de Brusselse straat. De Helmstraat dankt haar naam aan een van de oudste herbergen van het Vrijthof, De Helm. Oorspronkelijk was de straat een steegje en droeg de naam Helmsteeg. Ze liep vanaf het Vrijthof smal toe tot de Grote Gracht. Toen herberg De Helm in 1862 werd gesloopt en herbouwd, is het Helmsteegje veranderd in een straat. Naast herberg De Helm lag aan het Helmsteegje sedert 1442 een huis van de bisschop van Luik. De geestelijke verbleef er tijdens zijn bezoeken aan Maastricht. Het verblijf werd tussen 1556 en 1580 afgebroken met het doel een betere verbinding te krijgen tussen het Vrijthof en de Grote Gracht. Aan de overkant van de Helmstraat lag sinds de dertiende eeuw het Dominicanenklooster. Het klooster werd door de Franse bezetter in 1796 geconfisqueerd. Sindsdien heeft het kloostergebouw onderdak geboden aan onderwijsinstellingen. Aan de Helmstraat lag eeuwenlang het educatieve hart van Maastricht. In 1800 vestigde de École Centrale zich in het kloostercomplex. Twee jaar later werd deze school gesloten. De opvolger was de École Secundaire, een gemeentelijke middelbare school, waaraan een strenge kostschool verbonden was. De naam van de school werd in 1810 veranderd in Collège. In 1817 werd het Collège vervangen door het Koninklijk Atheneum van Maastricht. Het gymnasium volgde in 1864 het Koninklijk Atheneum op. De leerlingen waren kinderen van de Maastrichtse elite en volgden voortgezet wetenschappelijk onderwijs. In 1863 vestigde ook de gemeentelijke Hogere Burgerschool (HBS) zich in het voormalig kloostercomplex. Het was een voorbereidend op wetenschappelijk onderwijs gerichteschool voor de kinderen van "hogere burgers" zoals fabrikanten, officieren en koopmannen. De school werd gekoppeld aan het stedelijk gymnasium. In 1960 werden de Gemeentelijke HBS en het Stedelijk Gymnasium samengevoegd tot het Stedelijk Lyceum. Aan het einde van de negentiende eeuw werden de noordelijke en westelijke kloostervleugel vervangen door een deftig schoolgebouw. Na 1968 vertrok het Stedelijk Lyceum uit het gebouw; het werd gesloopt en op die plek werd het voormalig winkelcentrum Entre Deux gebouwd. Van 1979 tot 1995 was het Bonnefantenmuseum er gevestigd op de eerste verdieping.

Vagevuur/ Hendric van Veldekeplein
Als je vanaf het Vrijthof door de straat tussen de Sint Servaaskerk en de Sint Janskerk, het Vagevuur genaamd, loopt kom je terecht op het Hendric van Veldekeplein, vroeger Vredesplein geheten. Dit plein is vernoemd naar de bekende Maastrichtse dichter Hendric van Veldeke. Zijn bekendste werk is de Servaaslegende. Op het plein staat ter ere van de dichter een beeldhouwwerk van Charles Vos. Het werd in 1934 op de achthonderdste verjaardag van de dichter onthuld. Ter gelegenheid hiervan werd het plein opnieuw ingericht: er kwam een voor het publiek toegankelijk plantsoen. In de Middeleeuwen behoorde het terrein toe aan de Sint Janskerk. Het was een ommuurd kerkhof. Het kerkhof werd waarschijnlijk een openbare ruimte nadat de hoogproost van het Sint-Servaaskapittel rond 1775 een proostwoning liet bouwen die georiënteerd was op het bergportaal van de Sint Servaaskerk (Hendric van Veldekeplein 29). Vanaf het plein liep in de Middeleeuwen een kleine steeg, de Sint Jansruwe, naar de Papenstraat. In de achttiende eeuw werd deze doorgang opgeheven. De verbinding werd in 2000 weer hersteld door de komst van de Kanunikkencour ontworpen door de beroemde Postmodernistische architect Charles Vandenhove. Het appartementencomplex bezit een binnenstadsplein, dat een aanvulling is van het eeuwenoude Hendric van Veldekeplein. De voorganger van de Kanunikkencour was het uit 1906-1907 stammende markante Staargebouw, de concert- en toneelzaal van De Staar, gelegen naast het achttiende-eeuwse stadspaleis van de proost van de Sint Servaaskerk. De zaal stond bekend om zijn bijzondere akoestiek. Het gebouw deed met name dienst als repetitielokaal, concertzaal en toneelpodium. Er werden daarnaast faciliteiten voor sporten aangeboden en na 1919 werden er in het Staargebouw ook filmvoorstellingen getoond. Aanvankelijk kreeg het gebouw de naam "Feestgebouw", omdat de Staarvoorzitter Van Poppel een neutrale naam voor de concertzaal wilde om op die manier ook niet-leden aan te trekken. In de volksmond werd het gebouw echter van meet af aan Staargebouw genoemd. De exploitatie van de concertzaal is altijd een probleem geweest.

Het Staargebouw werd in art-nouveaustijl ontworpen door de Luikse architecten Vogelaar en Pirney. De gevel en de gevelraam van het gebouw stelde een muzieklier voor. De gevel viel op door zijn kleur en vorm, vandaar dat het Staargebouw ook wel "Staarmonstrum" werd genoemd. In 1953-1955 werd het Staargebouw verbouwd zodat het beter in de omgeving zou passen. In 1997 werd het Staargebouw afgebroken.

In België, net over de grens is de entree van een fabriek in precies dezelfde vormgeving gebouwd als het eerste Staargebouw. Dezelfde architecten ontwierpen dit gebouw.

Sint Jacobsstraat
De Sint Jacobssstraat verbindt de zuidoosthoek van het Vrijthof met de Kapoenstraat. Het straatje is vernoemd naar de daar in de Middeleeuwen gelegen Sint Jacobskapel. De kapel lag op de hoek van de Bredestraat en het Vrijthof.

Grote Staat
De Grote Staat verbindt het Vrijthof met het Dinghuis. Tegenwoordig is de Grote Staat de belangrijkste winkelstraat van Maastricht. De zijstraten van de Grote Staat leggen verbindingen met de Markt en de Bredestraat. In het verleden was de Grote Staat één van de belangrijkste straten van de stad. Lange tijd werd het stedelijke gezag gevoerd vanuit deze straat: in het Dinghuis werd recht gesproken en de Lanscroon en Liebaert boden aan het eind van de Middeleeuwen onderdak aan het stadsbestuur. De naam Staat betekent stad en verwijst naar de plaats waar het stedelijk gezag gevestigd was. Tevens lag aan de Grote Staat het Marktkruis en de leuben van de ambachten. Het tracé van de Romeinse weg volgde de Grote Staat.

Statenstraat
Het Statenstraatje verbindt de noordwesthoek van het Vrijthof met de Grote Gracht. De naam van de straat verwijst naar het voormalige Statenhuis dat op de hoek van de Statenstraat met het Vrijthof lag. Het straatje heette oorspronkelijk Eygereis of Eggerixgat. De vroegste verwijzing van deze straat dateert uit 1372. Later, rond 1544 heette de straat Eggerstraitgen. De benaming is een verbastering van het woord Aggerisstraat, dat straatje aan de egger betekent. Een egger is een wal. De straat kreeg deze naam, omdat het in 1423 door middel van een poort in de eerste stadsmuur, aan de kant van de Grote Gracht toegang gaf tot het Vrijthof.

Daar waar tegenwoordig aan de Statenstraat de toneelingang van het Theater aan het Vrijthof ligt, lag tot de komst van het theater in 1992 een doodlopend stuk van de Statenstraat. Op de plaats van dit straatje lag in de Middeleeuwen het Witte Vrouwenklooster. Het straatje bood van 1877 tot 1917 toegang tot de vrijmetselaarsloge "La Perséverance". Het doodlopende straatje bood tevens toegang tot de gratis "Volksbibliotheek". Later kon men via het straatje het politiebureau bereiken, dat sinds het begin van de twintigste eeuw in het gebouw gevestigd was.

Keizer Karelplein

Als je vanaf de Grote Staat de weg volgt over het Vrijthof langs het Generaalshuis richting Tweebergenpoort kom je op het Keizer Karelplein. Dit S-vormig plein ligt voor de entree van de Sint Servaaskerk. Het plein werd in 1992 ontworpen door Peter de Ronde. Het terrein is bestraat met platines, waarin een rasterpatroon van hardsteenbanden is aangebracht. De grens met de omhoog lopende Sint Servaaskloostergang wordt gemarkeerd door een bomenrij en bankjes. Het plein wordt verfraaid door de achthoekige Sint Servaasfontein, die zich op de hoek van het plein met de Tweebergenpoort bevindt. Deze door Charles Vos ontworpen fontein stond vroeger op het Vrijthof. Ooit stond op dit plein een monumentaal Heilig Hart beeld dat thans op de algemene begraafplaats aan de Tongerseweg is opgesteld. Het beeld droeg de portretkop van de Roermondse architect Pierre Cuypers, die een omvangrijke restauratie aan de Sint Servaaskerk uitvoerde. De Maastrichtenaar kon de toevoegingen van Cuypers aan "zijn Servaoskerrek" niet waarderen, tenminste als hij het Heilig Hart beeld passeerde weigerde hij eerbieding zijn hoofddeksel af te nemen.

Het Keizer Karelplein kreeg in 1903 zijn naam. Vòòr de twintigste eeuw was het plein veel groter dan. In die tijd was er namelijk nog geen bebouwing tussen de Groote Sociëteit en de Tweebergenpoort. Het terrein was eigendom van het Sint Servaaskapittel en werd meestal Sint Servaaspanhuis genoemd. Deze naam verwees naar de brouwerij van het kapittel met de gelijknamige naam die op de plek van het huidige Keizer Karelplein heeft gelegen.