Verstening van de stad

Burgerhuizen en poorthuizen
De zijgevel van het Dinghuis aan de Jodenstraat heeft de meest bekende vakwerkbouw van Maastricht. De acht bouwlagen zien er indrukwekkend uit. De gevel is in rechthoekige vakken verdeeld door horizontale en verticale balken. Aan dit vakwerk is het boeiende versteningsproces van de stad te zien. Verstening hield in dat vakwerkhuizen geheel of gedeeltelijk werden vervangen door steen en dat strodaken werden vervangen door leien of pannen. In de gevel van het Dinghuis werd eind zeventiende eeuw het vakwerk, dat aanvankelijk gevuld was met leem, vervangen door baksteen. De ijzeren Andreaskruisen, die als muurankers dienden ter versteviging tussen de balken, werden hierbij verwijderd.

In de Romeinse tijd werden huizen al gebouwd in vakwerkbouw, bestaande uit hout, leem en kolenzandsteen. Aangezien baksteen kostbaar was, waren er slechts enkele deftige huizen die enige stroken baksteen bezaten. Eeuwenlang heeft vakwerkbouw het gezicht van de stadshuizen bepaald. Houten raamwerken, bestaande uit massieve balken die met elkaar verbonden waren met houten pennen, werden opgevuld met vlechtwerk van takken en leem. In de kelders van panden in de Stokstraat en onder Hotel Derlon zijn nog altijd overblijfselen van deze huizen te zien.

Het proces van verstening begon in Maastricht in de zeventiende eeuw, wat vrij laat was in vergelijking met de meeste Hollandse steden. Iedere stad heeft zijn eigen proces van verstening gekend. Het verloop was afhankelijk van politieke omstandigheden, het bestuur van de stad en de bereidwilligheid van burgers eraan mee te werken. Niet alleen de groeiende welvaart speelde een rol in het versteningsproces, maar ook de brandveiligheid.

Bij houten huizen was het risico van brandgevaar aanzienlijk. Het torentje op het hoge dak van het Dinghuis was eeuwenlang plek van de brandwacht die brandjes snel kon lokaliseren zodat de oplaaiende vuurtjes snel gedoofd konden worden.
In 1612 kon echter niet worden verhinderd dat een groot deel van de Brusselsestraat in de as werd gelegd. Naar aanleiding van die brand werden dan ook door het stadsbestuur nieuwe bouwvoorschriften uitgevaardigd.

Ondanks herhaalde wetgeving met betrekking tot bouwvoorschriften wegens brandgevaar, duurde het lange tijd voordat de houten huizen en strodaken uit de stad waren verdwenen. In 1715 werd de laatste verordening afgekondigd; daarin stond dat alle gevels uit steen moesten worden opgetrokken en ook reparaties in steen moesten worden uitgevoerd. Vanaf die tijd werd de houtbouw langzamerhand verdrongen door de stenen bouw. Toch is de houtbouw tot op de dag van vandaag niet geheel verdwenen uit de stad; nog steeds is een aantal zij-, achter- en tussengevels in vakwerk te zien.

Het proces van verstening in Maastricht verliep omgekeerd aan dat van andere steden als Utrecht, 's-Hertogenbosch en Amsterdam. In Maastricht werden de zijgevels versteend door de ruimte tussen de bestaande houten balken te vullen met baksteen en een nieuwe stenen voorgevel op te trekken. In andere steden waren de zijgevels al veel vroeger versteend en moesten nadien alleen de houten voorgevels worden vervangen. Het laatste houten huis in Maastricht lag aan de Kersenmarkt en werd in 1830 afgebroken.

Omdat het proces van verstening zeer geleidelijk is verlopen, is het ruimtelijke karakter evenals het architecturale beeld van de stad niet drastisch veranderd. Bijna alle stenen huizen hebben kappen waarvan de noklijn parallel loopt aan de straat, wat bij de vakwerkhuizen in de middeleeuwen ook het geval was. Er zijn ook huizen die van deze stijl afwijken. Deze huizen zijn in de zeventiende eeuw onder Brabantse invloed gebouwd en hebben dwarsgeplaatste kappen met topgevels aan de straatzijde. Aanvankelijk werden de topgevels gesierd met krullen, later werden vooral trapgevels gebouwd.

De Maastrichtse stenen huizen werden gekenmerkt door de Maaslandse Renaissancestijl. De bouwstijl bestond uit een combinatie van verschillende bouwmaterialen: donkerrode of roodbruine baksteen, geelachtige mergel en grijsblauwe hardsteen, ook wel Naamse steen genoemd. Vooral de bijzondere kleurencombinatie is karakteristiek voor de architectuur van de Maaslandse Renaissancestijl. Begin zeventiende eeuw werd deze stijl in Maastricht geïntroduceerd door de Jezuïeten, gevolgd door de Augustijnen. Het was een populaire stijl en ze bleef de voorkeur genieten tot het begin van de achttiende eeuw.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd onder de dakrand een klassieke kroonlijst aangebracht als een doorlopend fries, bijna altijd uitgevoerd in mergelsteen. Als versiering werden ronde knoppen, consoles of trigliefen in het fries aangebracht. Bovendien werd de gevel ingedeeld door horizontale banden, uitgevoerd in mergel of hardsteen. In Maastricht werd veel gebruik gemaakt van mergelsteen omdat dit veel goedkoper was dan hardsteen. De gevels in deze bouwstijl worden gekarakteriseerd door een strenge wiskundig symmetrische indeling en doet denken aan de middeleeuwse vakwerkbouw.

Naast de stenen burgerhuizen was er ook een ander soort huizen, de poorthuizen. 'Poort' was de algemene benaming voor een adellijke woning in Maastricht en Wyck. Van origine waren het toevluchtsoorden voor adellijke families in tijden van oorlogsdreiging. In de Middeleeuwen werden deze poorten 'mansio' genoemd. Vaak waren deze huizen reeds in de Middeleeuwen in steen uitgevoerd. Kenmerkend aan de huizen was de poort, die doorgaans de afsluiting vormde van een binnenhof waaraan het huis, stallen en schuren lagen. Er zijn verschillende soorten poorthuizen. De woning lag soms helemaal vrij op de binnenplaats afgesloten van de straat door een muur. In andere gevallen lag juist het huis aan de straatkant en bood de poort toegang tot het achtererf. Het merendeel van de poorthuizen bevonden zich aan de Bredestraat en de Kapoenstraat. Hoewel na 1600 veel poorthuizen zijn gerenoveerd, is de poort als doorgang meestal gehandhaafd.


Burgerhuis in de zeventiende eeuw


Woonhuis met zijgevel in vakwerkbouw aan de Heilige Geest, Markt 70-71.
Het dubbelhuis aan de Markt 70-71 is oorspronkelijk geheel in vakwerk gebouwd. De voorgevel werd pas in het derde kwart van de achttiende eeuw vervangen door een stenen gevel. De zijgevel van het pand aan het doodlopende steegje de Heilige Geest laat echter nog de oorspronkelijk vakwerkbouw zien. Deze vakwerkbouw stamt uit de vijftiende eeuw. De spijkertjes op de balken verraden dat aanvankelijk houten planken aan het vakwerk bevestigd waren. De vakwerkconstructie toont veel gelijkenis met de zijgevel van het Dinghuis. De opbouw van het vakwerk bestaat uit rechthoekige vakken, die met diagonale kruisen werden verstevigd. Verder valt op dat de afstand tussen de horizontale balken naar boven toe steeds kleiner wordt. Het onderste deel van de zijgevel is vervaardigd uit hardsteen. Net onder het uitstekende bovendeel bevinden zich zogenaamde korbelen, die extra steun geven aan de bovenliggende verbinding.
De houten constructie in de bovenbouw is overigens niet origineel, in 1965 is het geheel vervangen door hardhout.

Huis met krulgevel, Lenculenstraat 34.
Dit huis met een Brabantse krulgevel is medio zeventiende eeuw gebouwd. De bijzonder versierde krulgevel is gemaakt van baksteen en mergelbanden. De verdiepingen worden van elkaar gescheiden door zogenaamde waterlijsten, uitstekende randen die verhinderen dat het regenwater langs de façade loopt. De plint van het gebouw is vervaardigd uit hardsteen. De raamomlijstingen zijn opgetrokken uit hardstenen blokken. De top van de gevel bestaat uit drie delen, die van elkaar gescheiden worden door waterlijsten. In het onderste deel van de top bevindt zich een rondboogvenster, met aan beide kanten krulvormige ornamenten. In het middelste deel zit een kleine ronde raamopening in een kruis gemaakt van mergel. Het bovenste deel is slechts voorzien van het ankerijzer van de nokbint. De gevel wordt geflankeerd door sierlijke krullen van mergel. De geveltop steunt op een kroonlijst, gemaakt van mergel, die gedragen wordt door consoles. Anders dan de jaarsteen 1606 doet vermoeden, heeft dit jaartal niets te maken met het pand. De gevelsteen, evenals de twee andere gevelstenen zijn namelijk afkomstig van een ander gebouw in Wyck.

Huys op den Jeker, Bonnefantenstraat 5.
Dit huis, dat op een tongewelf over de Jeker is gebouwd, is een typisch voorbeeld van de Maaslandse Renaissancestijl. Het in het derde kwart van de zeventiende eeuw gebouwde huis heeft een strakke wiskundige indeling. De gevels zijn opgetrokken uit baksteen, afgewisseld met zogenaamde mergelstenen speklagen. De mergelstroken ter hoogte van de verdiepingslagen zijn bovendien vergroot met mergelstenen waterlijsten. De verspringende hoekblokken zijn eveneens van mergel, de lijsten rond de deuren en kruisramen daarentegen zijn gebouwd in hardsteen.
Aan maar liefst twee kanten van het huis bevinden zich trapgevels. Op de mergelstenen trappen is een profiel aangebracht. Op de kroonlijst, die rondom het gehele gebouw loopt, rusten de goten. De kroonlijst zelf wordt gesteund door consoles, die afwissend met ronde en ruitvormige vormen zijn versierd.
De omlijsting van de deur is van hardsteen en draagt het jaartal MDCCXXXIII (1733). De omlijsting is echter in 1933 bij een restauratie van elders overgebracht. Het raam boven de deur is overigens wel origineel.

Huis In Den Steenen Bergh, Stokstraat 26-28.
De steenhouwer Stephanus Matto bouwde dit huis met de imposante, geheel uit hardsteen vervaardigde voorgevel in 1669. Achter het huis bevindt zich nog een achterhuis. De indrukwekkende gevel heeft een symmetrische indeling. Twee waterlijsten scheiden de verschillende verdiepingen.
In de jaren zestig van de vorige eeuw is de gevel bij een restauratie in oorspronkelijke staat hersteld aan de hand van een aquarel van Ph. van Gulpen (rond 1840 gemaakt), waarbij onder andere de gebeeldhouwde reliëfs op de eerste verdieping opnieuw zijn aangebracht. De ornamenten onder het middenvenster zijn echter wel origineel: de naam van het pand 'In Den Steenen Bergh' staat hierop afgebeeld samen met twee putti die de omlijsting dragen. Boven het cartouche is een berg afgebeeld. Aan de linkerkant staat op een penant Sint Lucas, de patroon van de steenhouwers en metselaars. Onder Sint Lucas is het symbool van de evangelist afgebeeld, een rund. Op de penant rechts is Sint Nicolaas te zien, de patroon van de parochie, met daaronder drie kindertjes. Aan weerszijden van de penanten zijn ornamenten aangebracht. Boven de waterlijst een verdieping hoger zijn rijkelijk versierde afbeeldingen te zien, evenals het bouwjaar 1669.

Poorthuizen

Poorthuis uit 1589, Van Hasseltkade 9/hoek Raamstraat.
De bouwgeschiedenis van dit poorthuis is bijzonder te noemen. Over een periode van maar liefst drie eeuwen is het huis gebouwd. De oudste delen van het huis zijn afkomstig uit het einde van de zestiende eeuw, zoals het jaartal 1589 op een van de hoekblokken doet vermoeden. De gevels van de oudste delen zijn vervaardigd uit speklagen op een fundering van hardsteen. De hoge deuromlijsting van het pand is gemaakt van hardsteen en dateert uit het begin van de zeventiende eeuw. Op de eerste en tweede verdieping van het gebouw bevinden zich drie langgerekte kloostervensters. De vensters hebben een mergelstenen omlijsting. Hierboven zijn ontlastingsboogjes te zien die als functie hebben het gewicht van het erboven liggende metselwerk over te brengen op de muurdammen.
Aan de achtergevel bevindt zich nog een zeshoekige traptoren met speklagen, die wat hoogte betreft overeenkomen met de lagen van de zijgevel. In de achtergevel rechts van de toren zijn twee laatgotische hardstenen kruisvensters met accoladeboogomlijsting te zien.

Poort van Beusdael, Hoogbrugstraat 43 (in Wyck)
Al in de zestiende eeuw wordt melding gemaakt van de Poort, die toen dienst deed als refugiehuis voor de heren van het kasteel Beusdael bij Epen. Eind zeventiende eeuw koopt Michiel Peerboom het huis en laat het verbouwen.
De voorgevel de Poort van Beusdael is van hardsteen en heeft drie verdiepingen die door waterlijsten worden verdeeld. Verder telt de gevel vijf vensterassen. Op de begane grond in het midden van het pand, boven het linker raam, bevindt zich een gevelsteen met het bouwjaar 1690 en de wapens van Michiel Peerboom en zijn vrouw Cornelia Vliexs. De koetspoort aan de linkerkant is aanvankelijk de entree tot het gebouw geweest. Vlak na de tweede wereldoorlog echter, is de poort dichtgemaakt met een glaspui. De deur met ovalen bovenlicht naast de poort is later geplaatst.
De laatgotische mergelstenen zijvleugel is verfraaid met accoladeboogjes en heeft maar één verdieping. Aan beide zijden van het pand heeft het dak een trapgevel. De achtergevel laat nog vakwerkbouw zien. Aan de zijgevel bevindt zich een balkon dat ondersteund wordt door twee mergelstenen consoles. Het gebouw heeft overigens verschillende bestemmingen gehad. Eind achttiende eeuw werd het in beslag genomen door de Franse Staat om uit de verkoop het financieringstekort van de staat te dekken. In 1834 betrokken de heren Cartissier het pand om er een fabriek voor gekleurd glas in te huisvesten. De gemeente restaureerde het vlak na de oorlog en huisvestte er de Dienst Stadsontwikkeling. Thans biedt het domicilie aan het Europees Centrum voor Werk en Samenleving.

Hof van Tilly, Grote Gracht 90-92.
De Hof van Tilly werd in 1714 gebouwd als onderkomen voor de graaf van Tilly, Claude Frederik, die in 1718 militaire gouverneur van Maastricht werd. De geschiedenis van de locatie gaat echter terug tot 1529, toen er een kapel en een refugiehuis van de adellijke damesstift van Munsterbilzen stond.
De Hof van Tilly heeft een lange bouwgeschiedenis. Kenmerkend is dat alle gebouwen rondom de langgerekte binnenplaats geordend zijn. Het poortgebouw heeft een hardstenen poortomlijsting en is gedecoreerd met naar voren gebogen vleugelstukken. In het bovenstuk bevinden zich eveneens twee gebogen vleugelstukken als ook vazen en een fronton. In de geveldriehoek is in een mergelstenen cartouche het stichtingsjaar 1714 te zien. In hetzelfde jaar werd rechts achter de poort een muur opgetrokken met gekoppelde pilasters en een hoge kroonlijst, waar aanvankelijk een timpaan was aangebracht. Het mergelstenen reliëf met daarop de verovering van Amfitrite door Poseidon boven de fontein is nog altijd te bewonderen. Oorspronkelijk had het gebouw drie vleugels, die U-vormig rond de binnenplaats lagen. Alleen de middelste vleugel is bewaard gebleven.
Sinds 1834 heeft het pand altijd onderwijskundige instellingen geherbergd. Aanvankelijk huisvestte het complex de Rijkslagere School.
Toen in 1885 de Rijkskweekschool het complex betrok, werden de langgerekte vleugels aan de binnenplaats gebouwd. Ook de omvangrijke turnzaal aan de achterkant van het complex wordt dan gebouwd. De turnzaal heeft pseudo-vakwerkbouw gevels.
In 1990 vestigde de Hogeschool Maastricht zich in de hof. In 1998 kocht de Universiteit Maastricht het complex en werd het complex grondig gerestaureerd. Ook werd een extra verdieping op een van de vleugels gebouwd. Sinds 2003 huisvest de hof van Tilly de Faculteit der Cultuurwetenschappen.


Poort van Reckhem, Bredestraat 17.
De Poort van Reckhem is van 1640 tot 1642 het onderkomen geweest voor de Hooggerechten toen zij tijdelijk het Dinghuis verlieten vanwege de onhoudbare situatie met de militairen van Frederik Hendrik die het Dinghuis in beslag hadden genomen.
De brede voorgevel van het pand dateert uit het midden van de achttiende eeuw. Rond 1900 werd de gevel overtrokken met tichelsteen. In het midden van de voorgevel bevindt zich de koetspoort als entree. De poort bezit een kroonlijst en een omlijsting met rocailles waarbij zich in het middelste deel een klein console-ornament bevindt. De poort is onderdeel van een risaliet. Boven het middenrisaliet siert een fronton het geheel. Op de fronton is een reliëf te zien van een exotisch landschap met palmbomen en een ronde tempel. Het risaliet wordt begrensd door geblokte lisenen die ook op de hoeken van het pand terugkomen.
De vensters van het huis hebben segmentbogen in Lodewijk XV-stijl: de sluitstenen van de vensters hebben een geprononceerde omlijsting. Twee vensters op de eerste verdieping zijn in het begin van de negentiende eeuw verbouwd tot Frans balkon.