De Helpoort 'gerestaureerd' 1875-1882
Omstreeks 1875 lag de Helpoort in een niet erg aantrekkelijke uithoek van de stad. De Helstraat -nu Sint-Bernardusstraat geheten- liep vlak buiten de poort dood. Rechts buiten de poort bevond zich het gemeentelijke slachthuis. De papiermolen die we tegenwoordig 'Pesthuis'noemen, lag er waarschijnlijk verlaten bij. De poort zelf straalde een zekere robuuste monumentaliteit uit, maar het gebouw had allerminst de uitstraling die het tegenwoordig heeft. De onderbouw van beide poorttorens was tot op een hoogte van enkele meters voor een belangrijk deel aan het zicht onttrokken. Voor de rechter of westelijke poorttoren zorgde daar een muur voor die het terrein van het slachthuis afsloot. De linker of oostelijke toren ging gedeeltelijk schuil achter de wallen van de vesting. Die aarden wallen lagen achter de stadsmuur die vanaf de Onze-Lieve-Vrouwewal ononderbroken door liep tot aan het rondeel De Vijf Koppen.
Het poortgebouw zelf was lange tijd in gebruik geweest als kruitmagazijn voor het garnizoen. De ruimte boven de poortdoorgang was voor dat doel voorzien van een zwaar gewelf. De voor- en achtergevel waren volledig gesloten, alleen aan de stadskant was een vierkant luik aangebracht waardoorheen het buskruit getransporteerd kon worden. Bovenop de wal, iets ten noordoosten van het poortgebouw, bevond zich een klein wachthuis, bedoeld om het kruitmagazijn te bewaken.
In de jaren 1875 - 1911 ondergingen de Helpoort en haar omgeving een ingrijpend veranderingsproces. Zowel de poort als de omgeving gingen 'op de schop', waardoor de situatie ontstond die eigenlijk tot op de dag van vandaag in stand wordt gehouden. In het veranderingsproces dat 31 jaar in beslag nam, is een aantal fasen te onderscheiden, waarbij eerst de poort zelf en daarna de omgeving onder handen werd genomen.
De situatie in 1875
De Helpoort was op 26 maart 1868 van het ministerie van Oorlog overgedragen aan Financiën waar het gebouw onder beheer van Domeinen kwam. Hiermee kwam tevens definitief een eind aan het gebruik als kruitmagazijn. Een nieuwe bestemming ontbrak en ook onderhoud werd niet verricht. De Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en Kunst, de nog jonge organisatie voor monumentenzorg, waar de Maastrichtenaar Victor de Stuers op dat moment secretaris van was, vestigden in 1874 de aandacht op de poort en lieten weten zich zorgen te maken over de staat van onderhoud en het verval. Hun voorstel was de Helpoort over te brengen naar het departement van Binnenlandse Zaken. Aldus geschiedde en op 26 januari 1875 werd de poort met het naastgelegen open terrein en wachthuis overgedragen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken (Waterstaat). Bij Waterstaat wist men blijkbaar niet zo goed wat men met het monument aan moest. Hoofdingenieur Jan de Kruijff liet namelijk de volgende dag al een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken de deur uit gaan waarin hij instructies voor eventueel onderhoud aan het gebouw vroeg. De minister liet in een memo al snel weten dat hij er inderdaad van uit ging dat Waterstaat zorg zou dragen voor het onderhoud en gaf aan dat hij daartoe concrete voorstellen verwachtte. Hij vroeg tevens een foto van de poort te laten maken en hem daarvan drie exemplaren op te sturen. Op deze memo, afkomstig van de afdeling Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, schrijft iemand onderaan: 'Zouden de adviseurs hiervoor niet te gebruiken zijn? De Waterstaat doet het toch niet naar hun zin. En hoe meer werk men hun geeft, des te minder zullen zij ons met zaken vervelen, die hen niet aangaan". Met 'adviseurs' worden hier bedoeld de eerder genoemde Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst.
Hierna is het enkele maanden stil, maar begin juni krijgt de minister negen foto's, hetgeen doet vermoeden dat er drie verschillende opnames zijn gemaakt, en deelt De Kruijff mede dat er aan de Helpoort aanzienlijke herstellingen nodig zijn. Hij stelt voor een plan voor algeheel herstel te maken en in eerste instantie alleen de meest noodzakelijke herstellingen uit te voeren. Die laatste betreffen het dak, dat in een bouwvallige toestand verkeerde, het voegwerk en de bliksemafleider: totale kosten zestienhonderd gulden. Deze onderhoudswerken werden in de tweede helft van 1875 zeker voor een deel uitgevoerd: 'leidekker' Lonussen uit Meerssen en aannemer Reggers uit Maastricht dienden in januari 1876 namelijk hun declaraties in voor een totaalbedrag van vijfhonderd gulden.
Noodmaatregelen
Werd het in eerste instantie noodzakelijke onderhoud vrij vlot uitgevoerd, het totaalplan en de uitvoering daarvan zouden nog enkele jaren op zich laten wachten. De Rijksadviseurs kwamen in juni 1877 met een eerste plan dat in totaal op vierduizend gulden was begroot. Dit plan omvatte onder andere het aanbrengen van een bretèche of mezekauw, de erkerachtige uitbouw boven de veldzijde van de poortdoorgang. Het meest urgente probleem werd gevormd door de druk die het later aangebrachte gewelf op de zijmuren uitoefende. Dat gewelf dat ten behoeve van het kruitmagazijn was gebouwd, diende dan ook onmiddellijk te worden gesloopt. Minister van Binnenlandse Zaken Heemskerk gaf op 20 juni de opdracht dit werk door middel van een onderhandse aanbesteding te laten uitvoeren. De overige werkzaamheden werden doorgeschoven naar het volgende jaar.
De onderhandse overeenkomst werd op 19 juli 1877 gesloten met aannemer F. Wittelings te Maastricht. Hij moest voor een bedrag van 340 gulden het gewelf boven de poortdoorgang slopen en een balklaag en ankers aanbrengen. Rond die balklaag en de ankers zou nog enige discussie ontstaan. Ingenieur De Kruijff liet al op 23 juli weten dat volgens hem de beide zijmuren op drie plaatsen door verankering met elkaar moesten worden verbonden. Het leggen van vloeren had volgens hem geen hoge prioriteit en kon tot later wachten. Ook de vorm van de ankers leidde tot discussie. De Kruijff was ervan overtuigd dat er in de tijd waarin de Helpoort werd gebouwd, geen uitwendig zichtbare muurankers werden toegepast. Toch vond hij ze technisch noodzakelijk. Hij maakte een schetsontwerp voor een anker dat naar zijn mening bij de Helpoort gebruikt zou kunnen worden. De minister liet zich hierover adviseren door P. Cuypers, 'architect der rijksmuseumgebouwen'. Deze was het in grote lijnen eens met De Kruijff, hij adviseerde alleen de krullen aan de ankers groter te maken en sterker te buigen. Tevens gaf hij nog een advies over de zwaarte van het ijzer. Inmiddels was duidelijk geworden dat er in de oostelijk poorttoren een gat was ontstaan, dat ook in het kader van deze overeenkomst gerepareerd moest worden. Door dit alles moet de uitvoering van de werkzaamheden aanzienlijke vertraging hebben opgelopen. De Kruijff kon namelijk pas op 29 maart 1878 melden dat de werkzaamheden waren voltooid en de betalingsstukken opgestuurd. Hij vroeg bij die gelegenheid tevens of nu ook de overige werkzaamheden aan de Helpoort konden worden uitgevoerd. Op 24 juni 1878 werd het beheer van de Helpoort overgedragen aan de 'Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs enz.' een zekere J. van Lokhorst. Hij kwam eind augustus kwam hij opnieuw met een voorstel het grote werk uit te stellen tot het volgende jaar en in het lopende jaar 1878 slechts enkele hoognodige reparaties te laten uitvoeren voor een bedrag van honderd gulden. Tot die reparaties behoorde onder andere het vervangen van de loden spits die van één van de beide torens verdwenen was. Ook in 1879 zouden nog noodherstellingen worden uitgevoerd. Zo bleek op 3 juli van dat jaar in de westelijke torenkap plotseling een gat van ongeveer één vierkante meter te zitten. De kosten voor de reparatie bedroegen dertig gulden.
Het eerste restauratiebestek
Van Lokhorst ontvouwde in de tweede helft van 1879 zijn plannen voor de Helpoort en kwam in eerste instantie met een begroting van 3.700 gulden. Voor het totaal vernieuwen van de daken was 1.400 gulden nodig. Een complicatie van financiële aard bleek te zijn dat niet het hele bedrag van 3.700 gulden kon worden geboekt op het jaar 1879. De werkzaamheden van het restauratiebestek dat op 18 november in gedrukte vorm verscheen, werden geraamd op 3.600 gulden. Dit lagere bedrag kwam tot stand omdat men er een aantal werkzaamheden niet in had opgenomen. Zo bleef het uitbreken van de gesloten gevel aan stadszijde en het aanbrengen van de mezekauw aan veldzijde voorlopig achterwege. De aanbesteding van de werkzaamheden vond op 15 december plaats en er waren maar liefst elf inschrijvingen. Zeven van die aannemers waren in Maastricht gevestigd, twee in Sittard, één in Valkenburg en één in Hulsberg. De keuze viel op Hubert Habets die met 2.900 gulden als laagste had ingeschreven. Het hoogste bedrag, 4.200 gulden, werd geboden door Cornelis van den Hoof uit Maastricht.
Het bestek omvatte de volgende werkzaamheden:
- herstellen van het buitenwerk van beide torens;
- uitbreken en vernieuwen van 128 traptreden;
- gedeeltelijk uitbreken, bijwerken en invoegen van de vier buitengevels;
- vernieuwen van de schietgaten en lichtopeningen en aanbrengen van nieuwe hardstenen blokken voor de deuren;
- geheel vernieuwen van de kappen op de torens en op het poortgebouw;
- aanbrengen van een dakvenster;
- leggen van balken en vloeren;
- aanbrengen van twee houten trapjes met in totaal zes treden;
- aanbrengen van vier deuren in de op dat moment bestaande deuropeningen;
- aanbrengen van luiken in de drie lichtopeningen in de voorgevel.
Het werk diende op 1 juni 1880 te zijn opgeleverd.
Het wachthuis bij de Helpoort
In diezelfde jaren kwam ook het piepkleine wachthuisje bij de Helpoort in de aandacht. Het rijk wilde dat wachthuis met bijbehorende grond in bruikleen geven aan de gemeente om het te laten bewonen door een politie-agent die dan meteen toezicht op de leegstaande Helpoort kon houden. Directe aanleiding vormde de vernieling van een deel van de pallissaden in de omgeving van de poort in 1879. Het wachthuisje werd evenwel nog bewoond door een weduwe, die twee gulden huur per maand betaalde. Burgemeester en wethouders van Maastricht wisten met haar te regelen dat ze op 5 januari 1880 de sleutels inleverde. Als compensatie betaalde de gemeente haar een bedrag van vijftig cent per week. Pas in maart liet Binnenlandse Zaken vervolgens aan de gemeente weten dat het wachthuis als woning voor een politie-agent beschikbaar kon worden gesteld op voorwaarde dat deze man zich ook zou belasten met 'de zorg voor de bewaking en het toezicht op de Helpoort'. Inmiddels meldde zich ook een zekere Franciscus Plussie, 'gepensioneerd Hospitaal geëmployeerde 2e klasse' uit de Kleine Looiersstraat als kandidaat voor de bewoning van het huisje. De 55-jarige Plussie liet weten het land 27 jaar als militair te hebben gediend en nu te moeten rondkomen van een mager pensioentje. Hij wilde graag met zijn vrouw en twee kinderen in het huisje intrekken en beloofde toezicht op de Helpoort te zullen houden. Zijn verzoek werd door de minister van Binnenlandse Zaken op 5 maart van de hand gewezen.
De gemeente liet korte tijd later weten niet gelukkig te zijn met het gedane aanbod. Het huisje bleek bij inspectie uit slechts één enkele kamer te bestaan en verkeerde in een verwaarloosde en enigszins bouwvallige staat. Het werd niet geschikt geacht als woning voor een gehuwde politie-agent. De suggestie van de gemeente om ter plaatse woonruimte bij te bouwen werd door Binnenlandse Zaken meteen verworpen. Het alternatief van Binnenlandse Zaken was om er dan een ongehuwde agent te laten wonen. Het was inmiddels juli geworden toen de gemeente op haar beurt dit tegenvoorstel weer verwierp met het argument dat een politie-agent doorgaans de hele dag voor zijn werk van huis was en dus het gevraagde toezicht niet kon bieden.
Pas een jaar later kwam de zaak weer in beweging. Burgemeester en wethouders meldden namelijk op 13 mei 1881 dat Hubert Honnef, stadsviller, belangstelling had getoond voor de woning en zich ook bereid had verklaard met inschakeling van zijn gezin de Helpoort te bewaken. Honnef had het wachthuisje bij wijze van proef ook al tijdelijk betrokken en onder toezicht van de politie zijn taak als bewaker van het monument uitgevoerd. Die proef bleek 'niet mislukt' te zijn en Honnef kreeg dan ook van de minister van Binnenlandse Zaken de officiële opdracht de Helpoort te bewaken. Als tegenprestatie mocht hij het wachthuis gratis met zijn gezin bewonen. Als bewaker van de Helpoort kreeg hij schriftelijk vastgelegde instructies. Uiteraard stond hierin dat hij toezicht moest houden op de poort, maar ook moest hij het gebouw 'zindelijk' houden en werd hij verantwoordelijk gesteld voor alle schade die er aan zou ontstaan. Zijn 'baas' was de Rijks Bouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs en aan hem moest hij ook alle gebreken aan poort en wachthuis door geven. Honnef mocht de poort zelf niet gebruiken of in gebruik geven aan derden, maar hij moest wel diegenen die de Helpoort wilden bezoeken tussen zonsopgang en zonsondergang toegang verschaffen en de bezoekers begeleiden. Tot slot moest hij erop toezien dat er 'geen licht noch vuur' naar binnen werd gebracht en dat er binnen niet gerookt zou worden. Of het nu de bedoeling is geweest dat Honnef geïnteresseerden toegang tot de poort zou verschaffen of alleen mensen die betrokken waren bij het onderhoud en de restauratie, is onduidelijk. Verder valt het op dat het wachthuis wel geschikt geacht werd voor Honnef en zijn gezin en niet voor het gezin van een politie-agent. Dit verschil wordt waarschijnlijk verklaard doordat het beroep van viller of vilder destijds niet bijzonder in aanzien stond. Het is verder waarschijnlijk dat Honnef het grootste deel van zijn werk uitvoerde in het vlak naast de Helpoort gelegen slachthuis en dus altijd in de buurt was. Hoe lang deze constructie in stand is gebleven is onduidelijk. Honnef werd in 1892 in elk geval nog als bewoner genoemd. De eventuele koppeling met het slachthuis werd pas in 1901 verbroken omdat er toen een nieuw slachthuis verrees buiten de voormalige Boschpoort.
Het tweede restauratiebestek
Voor het jaar 1881 was in de staatsbegroting gerekend op een bedrag van duizend gulden voor de voortzetting van de herstelwerkzaamheden aan de Helpoort. Een concreet plan voor die werkzaamheden kwam er pas in september. Toen werd het idee gelanceerd om het poortgebouw zelf in te richten tot woning voor de bewaker. Hiermee hoopte men een eind te maken aan de overlast die met name werd veroorzaakt door de militairen uit de nabije Pieterskazerne. Om de poort voor bewoning geschikt te maken, moest er in de ruimte boven de poortdoorgang een stookplaats komen, moesten er houten vloeren worden gelegd en moest de achtergevel worden voorzien van ramen. Daarnaast zouden de deuren vernieuwd worden, moest enig metselwerk worden hersteld en een toilet worden ingericht. In het nieuwe plan kwam ook de breteche of erker weer aan de orde. Bij eerdere herstelwerkzaamheden waren hier sporen van terug gevonden en het leek voor de hand te liggen dit element opnieuw aan te brengen. De uitvoering van alle werkzaamheden werd aanvankelijk begroot op 1.700 gulden hetgeen betekende dat zevenhonderd gulden ten laste van het boekjaar 1882 moesten worden gebracht. Het plan ging vergezeld van een aantal schetstekeningen die een goede indruk geven van wat men wilde veranderen. Merkwaardig genoeg is op die tekeningen in het interieur van de poort een houten trap voorzien die voor een verbinding tussen de eerste en de tweede verdieping zorgde.
Een en ander leidde uiteindelijk tot een bestek dat op 19 december 1881 aanbesteed zou worden. De werkzaamheden werden toen alweer begroot op 1.950 gulden. Ditmaal waren er slechts drie inschrijvingen: aannemer Willem Wittelings uit Maastricht schreef in voor 2.500 gulden, Jan Reggers eveneens uit Maastricht voor 1.990 gulden en Johannes Prevoo uit Sint-Pieter voor 1.888 gulden. Prevoo kreeg de opdracht, ook al omdat hij één van de aannemers van het 'nog niet voltooide Archiefgebouw te Maastricht' was en daar 'geen reden tot klagten' had gegeven. Het bestek werd in druk uitgegeven en er hoefden geen tekeningen bij te worden gedrukt omdat alles klaarblijkelijk duidelijk was. Als uitvloeisel van het bestek moest de aannemer een houten trap bestaande uit 22 treden plaatsen, hetgeen doet vermoeden dat de verbinding tussen de eerste en de tweede verdieping van de woning inderdaad niet via de traptorens verliep maar via een inpandige trap.
De werkzaamheden werden in 1882 tot een goed einde gebracht en plannen om tegelijkertijd ook de omgeving van de poort aan te pakken liepen tegen het einde van dat jaar spaak. In een volgend artikel zal de metamorfose van de omgeving worden behandeld.
Jos Notermans
Van Pater Vinktoren tot Jekertoren 1892-1911
Zoals we in het vorige artikel zagen, werd de Helpoort in de jaren 1879-1882 in twee fasen gerestaureerd. De omgeving van de poort bleef echter weinig aantrekkelijk. Dat werd enerzijds veroorzaakt door het direct naast de poort gelegen bouwvallige gemeentelijke slachthuis, waar in 1894 maar liefst twintigduizend dieren werden geslacht. Daarnaast was de poort aan de oostzijde nog steeds gedeeltelijk opgenomen in de aarden wal tussen de Onze-Lieve-Vrouwewal en het rondeel De Vijf Koppen en was de poort alleen via die wal of via de Helstraat -de tegenwoordige Sint-Bernardusstraat- te bereiken. Gelukkig was de gemeente zich ervan bewust dat in deze situatie dringend en drastisch verandering moest komen. Plannen voor de bouw van een nieuw slachthuis buiten de voormalige Boschpoort werden steeds concreter. Dat nieuwe slachthuis zou in de jaren 1901-1902 in gebruik worden genomen.
Om de omgeving verder te ontsluiten werden plannen gemaakt voor een verbindingsweg tussen de Onze-Lieve-Vrouwekade en de Begijnenstraat, die aan het einde van de negentiende eeuw onder de Poort Waarachtig door werd verlengd. Om dat te verwezenlijken moest het deel van de stadsmuur tussen de tegenwoordige Jekertoren en de Vijf Koppen worden gesloopt, moest de achter die muur aanwezige aarden wal worden afgegraven en moest een nieuwe brug over de Jeker worden gebouwd. Tegelijkertijd werd het initiatief genomen om de oude stadsmuren aansluitend aan de Helpoort weer in hun oude luister te herstellen.
De poort op een pleintje
Voor de nieuwe verbindingsweg werd al in 1892 een plan gepresenteerd door de directeur van Openbare Werken. De weg zou een breedte van tien meter krijgen, een bestaand bruggetje over de Jeker zou worden gesloopt en vervangen door een brug met een breedte van zes meter. Volgens de directeur paste de aanleg van de verbindingsweg in het algemene stratenplan van Maastricht. Hij legde uit dat de Helpoort ooit een der belangrijkste poorten van de stad moet zijn geweest. 'Waarschijnlijk wegens eischen van defensie zagen onze voorouderen zich bij den aanleg der derde omwalling der stad genoodzaakt, dezen uitweg af te sluiten en van de Helstraat met de daarin uitkomende straten als de oude Minderbroederstraat eene doodlopende achterbuurt te maken. Nu de vesting opgeheven is, bestaat geen reden meer om dezen irrationeelen toestand te behouden. Integendeel de goede verbinding van de oude stad met de nieuwe wijk, het villa park eischt dat de Helstraat eene verbinding verkrijge met de nieuwe aangelegde wegen en straten. Dan ook zal het schoone monument de Helpoort onttrokken worden aan de achterbuurt, waarin het thans eenzaam staat, om tot zieraad te strekken eener straat van groot verkeer.' De nieuwe straat werd van groot belang geacht als kortste verbinding tussen de Maasbrug en het Villapark. De gemeente zelf had ook belang bij deze goede verbinding, want in het villapark kon zij nog steeds bouwkavels op de voormalige vestingterreinen te koop aanbieden en die zouden alleen maar aantrekkelijker worden als ze ook goed te bereiken waren. De kosten voor de uitvoering van het plan werden begroot op zevenduizend gulden. Hierin waren begrepen de sloop van de stadsmuur vanaf de Vijf Koppen tot voorbij de tegenwoordige Jekertoren, het afgraven van de wal, de sloop van het wachthuisje bij de Helpoort dat door stadsvilder Honnef bewoond werd, de bouw van de brug en het aanleggen van de weg.
Korte tijd later boog de raadscommissie voor Openbare Werken zich over het voorstel dat een warm onthaal kreeg. Toch voorzagen de leden van die commissie ook enkele problemen. Zo moest de gemeente nog een aantal percelen grond in eigendom verkrijgen, moest er nog overleg gepleegd worden met de eigenaren van enkele panden waarlangs grond afgegraven zou worden en moest het Rijk toestemming geven om het wachthuisje te slopen en ook een stukje grond afstaan om toe te voegen aan de openbare weg. Al snel zouden er meer problemen opdoemen. Zo liet de minister van Binnenlandse Zaken op 9 augustus 1892 weten bedenkingen te hebben tegen het plan. Hij vond dat er te veel gesloopt en afgegraven zou worden en dat was niet nodig voor de verkeerssituatie ter plaatse. In het plan van de gemeente zou namelijk, zoals we reeds vaststelden, een stuk stadsmuur ten noorden van de Jekertoren worden gesloopt en zou er in het verlengde van de resterende muur een trap worden aangelegd. De minister adviseerde om de Onze-Lieve-Vrouwewal intact te laten tot aan de Jekertoren en de trap te leggen op de plaats waar we deze tegenwoordig vinden, namelijk achter de Helpoort en haaks op de muur. Tot slot werd nog de aanbeveling gegeven het slachthuis, dat de poort gedeeltelijk 'bedekte' in te korten zodat poort met walmuur en hoektoren één geheel zouden gaan vormen.
De gemeente verduidelijkte daarop haar plannen nog eens. Men had inderdaad het voornemen de Helpoort -naar voorbeelden in Aken en Keulen- geheel vrijstaand op een pleintje intact te laten en de wallen en de overige bebouwing eromheen te doen verdwijnen. Dit paste ook beter in het streven om uiteindelijk de Onze-Lieve-Vrouwewal vanaf de omgeving van de Helpoort tot aan de voormalige Onze-Lieve-Vrouwepoort volledig te slopen teneinde langs het kanaal een bredere laad- en losplaats te krijgen. De sloop van een deel van het slachthuis zou pas aan de orde kunnen komen als het nieuwe slachthuis in gebruik zou zijn genomen. De minister reageerde hier pas in december op en liet weten dat de inkorting van het slachthuis een onlosmakelijk onderdeel van de plannen vormde en dat afgraving van de wal pas kon worden toegestaan als ook een deel van het terrein van het slachthuis beschikbaar kwam.
Werk in uitvoering
De weigering van het Rijk om mee te werken, woog blijkbaar zo zwaar dat de plannen voor een aantal jaren de ijskast in gingen. In oktober 1900 stelde men in de gemeenteraad nog eens vast dat ze reeds enkele jaren oud waren en dat het werk niet uitgevoerd kon worden omdat het Rijk niet wilde meewerken. Er was echter nieuwe hoop omdat na de aanstaande voltooiïng van het nieuwe slachthuis voldaan kon worden aan de voorwaarde van het Rijk, namelijk het beschikbaar stellen van een gedeelte van het terrein waarop het oude slachthuis gelegen was. Men hoopte dan ook dat de werkzaamheden spoedig daarna ter hand genomen konden worden.
Het voorstel om de werkzaamheden uit te voeren en met het Rijk een regeling te treffen om de benodigde strookjes grond beschikbaar te krijgen, zou echter pas op 4 maart 1904 opnieuw in de gemeenteraad besproken worden en later dat jaar worden goedgekeurd. Bij die gelegenheid maakte wethouder Van Oppen duidelijk dat er zowel voor het Rijk als voor de gemeente belangen mee gemoeid waren. Voor het Rijk was dat 'het behoud en de vrijmaking van een monument, dat waarschijnlijk een der oudste van Nederland is.' Voor de gemeente speelde vooral het belang van het verkrijgen van de nieuwe verbindingsweg. De werkzaamheden werden nog steeds begroot op zevenduizend gulden.
De gemeenteraad nam op 31 oktober 1904 het besluit tot afgraving van de Onze-Lieve-Vrouwewal en sloop van de stadsmuur over een lengte van twintig meter. Al in de raadsvergadering van 14 november werd een reactie van de minister van Binnenlandse Zaken besproken. Hij waarschuwde 'ernstig' tegen deze voorgenomen sloop. Ook het Provinciaal Geschied- en Oudheidkundig Genootschap in Limburg en de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst lieten hun stem in deze discussie horen. Volgens het Bulletin van de Nederlandse Oudheidkundige Bond was men al begonnen met de sloop. In de raad bedacht men toen de oplossing om de muur te laten staan en de erachter gelegen wal af te graven. Tegen het afgraven van de wal had immers niemand bezwaar gemaakt. Inzake de muur zelf bedacht de burgemeester de volgende list: 'dat aan de geopperde bezwaren kan worden tegemoet gekomen door inlassching in de considerans achter van het woord . Blijkt later, dat de wal moet worden afgebroken, dan kan de Raad nog altijd daartoe besluiten.' Het voorstel werd met achttien tegen één stem (Schaepkens) aangenomen en het stuk muur korte tijd later toch gesloopt. Volgens het verslag van de gemeente over 1904 was de sloop van de muur en het afgraven van de wal bedoeld om de fundering van de walmuur die in oostelijke richting op de poort aansloot, bloot te leggen. Vanwege de langdurige onderhandelingen met de eigenaar van twee percelen en met het Rijk, konden de overige plannen in 1904 nog niet worden uitgevoerd.
In januari 1905 werd na een onderhoud met Victor de Stuers en architect Cuypers duidelijk dat het Rijk de omgeving van de Helpoort vanaf 'het zoogenaamde torentje van Pater Vink tot aan het bastion in den O.L.V. wal in den vroegeren bouwtrant' wilde laten herstellen. Dit was voor de gemeente een nieuwe ontwikkeling omdat men er tot op dat moment van uit was gegaan dat alleen de muur tussen Helpoort en Jekertoren weer in oude stijl opgetrokken zou worden. De muur ten westen van de Helpoort en de Pater Vinktoren zouden op kosten van de gemeente moeten worden hersteld. Victor de Stuers zou de indruk hebben gewekt dat het Rijk zou meebetalen aan het afgraven van de wal en het opmetselen van de muur ten oosten van de Helpoort. Later zou blijken dat het Rijk niet genegen was de duizend gulden, waar de gemeente rekening mee had gehouden, te betalen.
Deze weigering van het Rijk moest de gemeente uiteindelijk maar accepteren. Uit de 'kille toon' van een brief van de minister meende men te moeten afleiden dat dit een gelopen zaak was. Men wilde 'den toestand nabij de Helpoort' ook niet langer laten voortduren. Een en ander betekende wel dat de begroting, die op 28 maart 1904 door de gemeenteraad was goedgekeurd, moest worden aangepast. Nu werden de kosten begroot op tienduizend gulden, drieduizend gulden meer dan het jaar tevoren. Daarin waren nog niet meegenomen de nieuwe werkzaamheden die ten westen van de poort moesten worden uitgevoerd. Als motivatie voor de hogere kosten werd aangevoerd dat de kademuur langs het kanaal verhoogd moest worden, dat de brug over de Jeker zwaarder moest worden uitgevoerd omdat inmiddels duidelijk was geworden dat er een tram overheen moest kunnen rijden , dat besloten was ook een riool aan te leggen en dat de muur langs de Jeker inmiddels zodanig vervallen was dat deze ook vernieuwd moest worden. De aangepaste begroting zou in de raadsvergadering van 3 augustus 1905 worden goedgekeurd.
In die begroting lezen we dat er tweeduizend kubieke meter grond afgegraven en afgevoerd moest worden. Voor de herbouw van de stadsmuur ten oosten van de Helpoort zou 125 kubieke meter steen verwerkt worden. Een steenhouwer zou daar 25 dagen à 2,50 aan besteden. Van de brug over de Jeker was nog niet duidelijk of ze zou worden uitgevoerd als ijzeren balkbrug met een houten dek of als een brug in gewapend beton met een bestrating van nieuwe keien.
Het eerste gedeelte van de werkzaamheden werd op 23 oktober 1905 aanbesteed. Het werk werd gegund aan A.B. Gennisse te Maastricht voor een bedrag van 5.940 gulden. Dit eerste deel bestond uit het 'slechten van het terrein', de herbouw van een deel van de walmuur ten oosten van de Helpoort en het maken van een keermuur langs de Jeker. De werken ten oosten van de poort zouden in 1906 nagenoeg gereed komen. Het tweede deel ervan, het bouwen van de brug over de Jeker werd dat jaar op 6 juni aanbesteed en gegunt aan de firma Stulemeijer uit Breda voor 2.747 gulden. Het was uiteindelijk toch een brug in gewapend beton geworden die vanwege de aangrenzende bebouwing de Jeker schuin overkruiste. Het beton werd tussen 15 en 22 november 1906 aangebracht. Alleen de bestrating van de weg tussen het kanaal en de Begijnenstraat was nog niet uitgevoerd. Daarmee wachtte men totdat de trambaan zou zijn aangelegd. De toestemming voor het bouwen van de brug en de daaraan verbonden voorwaarden door Provinciale Waterstaat kreeg de gemeente overigens pas op 7 december 1906!
Ten westen van de Helpoort werd het oude slachthuis in 1906 afgebroken, de vrijkomende bouwmaterialen werden 21 februari van dat jaar voor 184 gulden verkocht. De stadsmuur werd hier vanaf de poort tot aan de Jeker conform de wens van het Rijk op de oude fundering opnieuw opgebouwd. Hier ontstond echter een probleem omdat er een loods voor de firma Bonhomme gepland was. Zou men op die plek de walmuur volledig reconstrueren, dan zou dat leiden tot twee meter ruimteverlies over de gehele lengte van de loods. Daarom werd na enige discussie besloten de muur alleen aan de zuidelijke of buitenzijde het aanzien van een middeleeuwse stadsmuur te geven. De spaarbogen en de walgang konden achterwege blijven en de muur werd slechts vijftig centimeter dik en verkreeg voldoende stabiliteit doordat hij gekoppeld werd aan de andere muur van de loods. De twee inrijpoorten kregen hardstenen omlijstingen zodat duidelijk te zien was dat dit moderne toevoegingen waren. Van de muur tussen Helpoort en Jeker betaalde de gemeente de twee uiteinden. Het middenstuk waarachter de loods gelegen was, werd door de familie Bonhomme betaald. Met het uitvoeren van deze werkzaamheden ten westen van de Helpoort was van de gemeente een bedrag van ruim elfduizend gulden gemoeid.
Pater Vinktoren
In 1906 werd ook een begin gemaakt met het herstel van de Pater Vinktoren, min of meer bedoeld als afsluiting van het vestingfront aan de westkant. Van deze toren was niet veel meer over gebleven dan een ruïne waartegen een huisje gebouwd was. Dit huisje werd gesloopt. Ook bij het herstel van de Pater Vinktoren had de gemeente de hoop weer gevestigd op een bijdrage van het Rijk. Al in 1905 werd subsidie aangevraagd, maar het bleek toen niet meer mogelijk deze aanvraag mee te nemen in de rijksbegroting voor 1906, en daarom werd het verzoek gedaan er in de begroting voor 1907 rekening mee te houden. Burgemeester en Wethouders stelden voor toch al in 1906 met de restauratie te beginnen omdat de overblijfselen van de toren, als men wachtte tot 1907 mogelijk al voor die tijd volledig zouden zijn ingestort. In december 1906 blijkt het werk aan de Pater Vinktoren voor de helft klaar te zijn. In de gemeenteraad ontstond op dat moment discussie over de vraag of men met de voortzetting van het werk moest doorgaan of moest wachten op eventuele toekenning van rijkssubsidie. Het werk was blijkbaar tot dan toe in eigen beheer uitgevoerd en ook dat leverde stof tot discussie omdat meerdere raadsleden van mening waren dat het werk openbaar aanbesteed had moeten worden. Wethouder Van Oppen verduidelijkte dat dit werk niet aanbesteed kon worden omdat voor de bouw van de toren stenen afkomstig van de gesloopte walmuur langs het kanaal en hardstenen vloerplaten van het oude slachthuis gebruikt werden. Die stenen moesten allemaal ter plekke op maat gekapt worden door een steenhouwer en dat zou moeilijk in een bestek te vatten zijn. Bij de bouwwerkzaamheden werden overigens ook nieuw aangevoerde stenen gebruikt. Zo leverde een zeker M. Ghense-Leken uit Visé op 24 augustus 1906 stenen voor een bedrag van fl 250,95 en leverde L. Reintjens uit Valkenburg op 27 augustus en 19 december 1906 in totaal meer dan 27 kubieke meter Sibberblokken voor de 'Toren Pater Vink'. In december 1906 werd blijkbaar ook al gewerkt aan het dak van de toren. A.B. Egtberts uit Maastricht diende namelijk op 31 december een rekening van 156 gulden in vanwege timmerwerk aan het dak en J.B. Saaf, eveneens uit Maastricht bracht 103 kilo ijzer in rekening. Dit laatste betrof 'schroefbouten, moerbouten en dakhaken.' De herstelwerkzaamheden aan de Pater Vinktoren kwamen in 1907 gereed, het is onwaarschijnlijk dat de gemeente hier nog rijkssubsidie voor gekregen heeft. In de richting van de Begijnenstraat en de voormalige Pieterspoort werd de muur over enige lengte tot op volledige hoogte opgetrokken. Verderop bleef deze opbouw achterwege en liet men de muur slechts even boven het terrein uitsteken 'om het uitzicht op de Helpoort en den vernieuwden walmuur niet te belemmeren'. Het muurdeel tussen de Pater Vinktoren en de eerste stadsmuur werd tot op zekere hoogte opgetrokken en vlak afgedekt om verval te voorkomen. Men waagde zich hier niet aan een reconstructie.
In alle stukken over de herbouw van de toren uit deze periode wordt de naam van Pater Vink eraan verbonden. Het is onduidelijk wie op dat idee gekomen is en wanneer dat gebeurd is. Victor de Stuers is er in elk geval niet voor verantwoordelijk geweest. Hij verhief zijn stem zelfs tegen deze aanduiding in de Maasgouw van oktober 1912. Hij beklemtoont in een kort stukje tekst dat deze toren niets met de pater van doen heeft en schrijft vervolgens: 'Waarom dan zijn naam daaraan verbinden? Als men dit blijft doen, zal het niet meer gelukken het publiek aan deze benaming te ontwennen en zal men een historische onjuistheid bestendigen. Oudtijds heette de toren achter de Minderbroeders of de Minderbroederstoren. Men handhave deze benaming.' Het moge duidelijk zijn dat de vermanende woorden die De Stuers hier sprak zonder effect gebleven zijn. Morreau en Koreman kennen de naam Achter de Minderbroeders of Minderbroederstoren overigens niet en geven als oorspronkelijke benaming 'Toren achter de Feilzusters' of 'Toren achter de Swesteren' en verwijzen daarbij naar de ligging naast het Faliezustersklooster.
De afbouw van de Jekertoren
Toen de herstelwerkzaamheden in de omgeving van de Helpoort in de loop van 1907 werden afgerond, bleef de Jekertoren, destijds Maastrichter Maaspunttoren genoemd, onafgebouwd. De toren werd slechts tot op de hoogte van de aansluitende stadsmuur opgetrokken en stomp afgewerkt. De plannen om de toren volledig te herbouwen inclusief torenspits waren al geruime tijd gereed. De gemeente wilde er waarschijnlijk geen geld meer aan uitgeven omdat de bijdrage in de kosten van het rijk achterwege gebleven was. Men gaf in de jaren 1908 tot 1910 wel nog geld uit aan de inrichting van het plantsoen aan de Begijnenstraat, aan de plaatsing van hekwerken en aan het bouwen van een 'bloemenserre' aan de Begijnenstraat. De serre moet een groot succes voor de gemeente zijn geweest want 'Niettegenstaande de meest zwarte voorspellingen omtrent de deugdelijkheid en het praktische dezer inrichting konden wij ons reeds dit voorjaar in een overvloed van flinke zelfgetrokken planten verheugen en geven de diverse plantsoenen een grooteren bloementooi dan andere jaren te zien.' Over de niet afgebouwde toren werd blijkbaar niet al te moeilijk gedaan. Victor de Stuers, een van de bedenkers van de plannen voor de verbetering van de omgeving, heeft het er waarschijnlijk moeilijker mee gehad. Hij nam persoonlijk het voortouw om de toren te laten afbouwen en stelde in 1911 een bedrag van 1.700 gulden beschikbaar om het werk af te maken. Aannemer Knols kreeg de opdracht tot het werk en voor het eind van het jaar stond de toren er. In de toren liet Victor de Stuers een steen metselen met de inscriptie 'van hier opgebouwd in 1911'.
Architect Sprenger en de restauratiewerkzaamheden
Hoewel nergens in de stukken van gemeente of rijk vermeld, blijkt architect W. Sprenger grotendeels verantwoordelijk te zijn voor de restauratieplannen. Waarschijnlijk kwam het idee om het zuidelijke vestingfront van de Jekertoren tot aan de Pater Vinktoren naar middeleeuws model te reconstrueren van Victor de Stuers, Sprenger werkte deze globale plannen vermoedelijk verder uit tot concrete bouwplannen. Van wie van beiden uiteindelijk het idee was om de Pater Vinktoren op te bouwen naar het model van de Wycker Kruittoren, is onduidelijk gebleven. Duidelijk is wel dat Sprenger al in 1900 een tekening maakte waarop dit idee wordt weergegeven. De toren is als het ware een schaalmodel geworden van die Kruittoren. Een waterspuwer in de vorm van een kattekop, afkomstig van de Kruittoren, werd als replica in de Pater Vinktoren verwerkt. Het origineel ervan bevond zich in 1926 'in het museum'. Het is te betreuren dat de Pater Vinktoren op geen enkele wijze voor het publiek toegankelijk is. Het inwendige van de toren is bijzonder de moeite waard en geeft een bijzondere kijk op deze monumentale omgeving. De tegenwoordige bewoners van het Faliezustersklooster hebben de begane grond van de toren helaas bij hun tuin getrokken en gebruiken de gewelfde monumentale ruimte op de begane grond als schuurtje en bergplaats voor tuingereedschap. De gemeente Maastricht is jammer genoeg niet bij machte gebleken om dit stukje grond weer in het 'publieke domein'te brengen en daarmee een mogelijkheid tot bezoek aan de toren te scheppen. Aan de veldzijde wordt de toren een groot deel van het jaar vrijwel volledig aan het zicht onttrokken door een monumentale boom die door de gemeente tientallen jaren geleden met een wel erg ongelukkige uitkomst werd geplant.
Sprenger beschreef in 1918 de werkzaamheden die naar zijn ontwerp aan de Maaspunttorens op beide Maasoevers werden uitgevoerd. Hij beschreef toen dat de Jekertoren via een portaal toegankelijk was, dat er een stenen trap naar de walgang op de eerste verdieping leidt en dat die walgang in verbinding staat met de Helpoort 'waarvan de toegang door breuksteen-metselwerk is gedicht. Het ligt in de bedoeling dezen toegang weder te openen.' Bijna negentig jaar na deze mededeling van Sprenger is het nog niet gelukt om dit te realiseren. Een poging die alweer tien jaar geleden door de Stichting Maastricht Vestingstad in het werk gesteld werd om dit plan alsnog uit te voeren strandde op praktische bezwaren van de zijde van de gemeente Maastricht. Wellicht dat de tijd nu rijp is om hier een interessant nieuw element voor bezoekers van de vesting Maastricht toe te voegen. De toegang, de trap en de weergang zijn al in 1911 in gereedheid gebracht!
Jos Notermans
Met dank aan Frans Roebroeks RHC.
i Op een plattegrond uit 1749 wordt vastgesteld dat in de polvertooren van de Oude Eekerpoort driehonderd tonnen kruit konden worden geborgen. Nationaal Archief, plans van gebouwen OPGO M1, Plan van de polvertoorens soo in de Stadt als Wijck.
ii Proces Verbaal van overgave en overname van de voormalige Helpoort c.a. te Maastricht , 26 januari 1875, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
iii Brief van hoofdingenieur De Kruijff aan de Minister van Binnenlandse Zaken dd 27 januari 1875, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
iv Memo van het minsterie van Binnenlands Zaken, 6 februari 1875, no 37, 5e afdeeling, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
v Brief van ingenieur De Kruijff aan de minister van Binnenlandse Zaken, 3 juni 1875 met bijlage (kostenspecificatie), Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
vi Twee declaratives dd 13 januari 1876 van resp. W. Lonussen, leidekker en J. Reggers, aannemer, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
vii Onderhandsche overeenkomst wegens het uitvoeren van enige werken aan de Helpoort te Maastricht, 19 juli 1877, goedgekeurd 23 juli 1877, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
viii Brief van de hoofdingenieur van den Waterstaat J. De Kruijff aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 23 juli 1877, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
ix Brief van de hoofdingenieur van den Waterstaat J. De Kruijff aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 27 september 1877, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
x Brief van P.J.H. Cuypers, de architect der Rijks Museumgebouwen aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 1 oktober 1877, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xi Brief van ingenieur De Kruijff aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 29 maart 1878, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xii Brief van de Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en Kunst dd 12 augustus 1878 over de ontbrekende torenspits; twee brieven van J. van Lokhorst van 29 augustus 1878, alle brieven gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xiii Brief van J. van Lokhorst van 3 juli 1879, machtiging om de werkzaamheden uit te voeren dd 4 juli 1879, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xiv Proces-verbaal van aanbesteding bij inschrijving van het doen van vernieuwingen en herstellingen aan de Helpoort te Maastricht dd 15 december 1879, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xv Ministerie van Binnenlandsche Zaken, Bestek en voorwaarden tot het doen van vernieuwingen en herstellingen aan de Helpoort te Maastricht, no 88, dienst 1879 en 1880, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xvi Brief van burgemeester en wethouders van Maastricht aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 13 mei 1881; Brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan de Rijks Bouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs enz. dd mei 1881 (na 16 mei), met instructie als bijlage; Brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan burgemeester en wethouders van Maastricht dd 3 juni 1881, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xvii Le Courrier de la Meuse, Journal du Limbourg, 6 mei 1892.
xviii J.G.J. Koreman, Helpoort en Nieuwstad, Maastricht 1984, 39.
xix Brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan de Rijksbouwkundige voor de gebouwen van onderwijs enz. dd 7 maart 1881.
xx Brief van de Rijksbouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs enz aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 22 september 1881, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xxi Bestek en voorwaarden tot het verrigten van eenige werkzaamheden aan de Helpoort te Maastricht, Ministerie van Binnenlandse Zaken no. 45 Dienst 1881 en bijbehorende aanbestedingsdocumenten, Nationaal Archief, Archief Min van Binnenlandse Zaken, 2e afdeling Kunsten en Wetenschappen 1875-1918, inv. Nr. 1119.
xxii Jos Notermans, de Helpoort 'gerestaureerd' 1875-1882, in: Om de Vesting 2005/1, 3-9.
xxiii Handelingen gemeenteraad 1894, p. 168 en p. 268.
xxiv Brief van directeur Openbare Werken aan Burgemeester en Wethouders van 16 maart 1892, GAM Gemeentebestuur I, inv. Nr. 506.
xxv Rapport der commissie voor de Openbare WErken betrekkelijk het voorstel van Burgemeester en Wethouders tot het doen aanleggen eener verbindingsstraat tusschen de Begijnenstraat eenerzijds en de Helstraat en de kade langs het Kanaal van Luik naar Maastricht anderzijds, GAM, gemeentebestuur I, inv. Nr. 506.
xxvi Brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan B&W van Maastricht d.d. 9 augustus 1892, GAM, Gemeentebestuur I, inv. Nr. 506.
xxvii Notitie van de ingenieur der gemeentewerken aan B&W dd 16 augustus 1892 en brief van B&W aan de minister van Binnenlandse Zaken dd 18/24 augustus 1892, GAM, Gemeentebestuur I, inv. Nr. 506.
xxviii Brief van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 19 december 1892, GAM, Gemeentebestuur I, inv. Nr. 506.
xxix Handelingen gemeenteraad 1900, 480-481.
xxx XIIIde eeuwsche vestingwal te Maastricht, in: Bulletin Ned. Oudheidk. Bond 6 (1905), 32
xxxi Handelingen gemeenteraad 1904, 575, 595-597, 654.
xxxii Zie Handelingen Gemeenteraad 3 augustus 1905 367-368: hier wordt door enkele raadsleden een verband gesuggereerd tussen het slopen van de muur en het niet verlenen van een bijdrage aan de werkzaamheden door het Rijk.
xxxiii Verslag Maastricht 1904 V pagina 15.
xxxiv Notitie van de directeur gemeentewerken aan B&W d.d. 11 juli 1905, GAM Secretarie I 1.8.11.111, verbetering Helpoort 1904/1907.
xxxv Het betreft de stoomtramlijn Maastricht-Montenaken die in 1909 in gebruik genomen zou worden, zie: A.H. Jenniskens, Pak de Bus, openbaar vervoer in Maastricht 1884-1994 (Maastricht 1994), 42-45.
xxxvi Notitie van de directeur gemeentewerken aan B&W d.d. 11 juli 1905, GAM Secretarie I 1.8.11.111, verbetering Helpoort 1904/1907.
xxxvii Raadsbesluit van 3 augustus 1905, GAM Secretarie I 1.8.11.111, verbetering Helpoort 1904/1907. Maastricht Verslag 1905, V 16-17.
xxxviii Maastricht Verslag 1906, V 21-23.
xl RAL, Prov. Waterstaat 06.21 inv. Nr. 69 WL.
xli GAM, Gemeentebestuur II, doos 378.
xlii Maastricht Verslag 1906, V 23-24 en GAM, Gemeentewerken inv. Nr 248, notitie van de Directeur Gemeentewerken aan B&Wdd 3 maart 1906.
xliii Maastricht Verslag 1906, 24.
xliv Handelingen Gemeenteraad 1905 481-484.
xlv Handelingen Gemeenteraad 1905 775-778.
xlvi GAM, Gemeentebestuur II doos 377 betalingen 1906.
xlvii GAM, Gemeentebestuur II, doos 377 betalingen 1907.
xlviii Maastricht Verslag 1907, V 17.
xlvix Victor de Stuers, Pater Vink toren te Maastricht, in: De Maasgouw 1912/10, 73.
l L.J. Morreau, Bolwerk der Nederlanden, Assen 1979, 364 en J.G.J. Koreman, Helpoort en Nieuwstad, Maastricht 1994, 39.
li Maastricht Verslag 1908 V, 18, Maastricht Verslag 1909 V, 16-19, Maastricht Verslag 1910 V 138-139.
lii Maastricht Verslag 1910 V, 138.
liii De monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Limburg, eerste stuk, de monumenten in de gemeente Maastricht, eerste aflevering, Utrecht 1926, 59.
liv W. Sprenger, De Maaspunttorens te Maastricht en te Wijk, in: De Maasgouw 1918, 60.
lv De monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Limburg, eerste stuk, de monumenten in de gemeente Maastricht, eerste aflevering, Utrecht 1926, 72-75.
lvi W. Sprenger, De Maaspunttorens te Maastricht en te Wijk, in: De Maasgouw 1918, 61.