De raadszaal
In de anti-chambre van de raadszaal hangt een schoorsteenstuk uit het einde van de vijftiende eeuw waarop een gerechtigheidstafereel is afgebeeld. Jan van Brussel is de schilder. Hij vervaardigde het paneel in opdracht van de schepenbank die zetelde in het Dinghuis. Het paneel verbeeldt het Laatste Oordeel. De keuze van dit onderwerp voor een gerechtigheidstafereel was in de Middeleeuwen zeer gebruikelijk. In die tijd was er geen geïnstitutionaliseerde controle op overheidsorganen. Om eerlijkheid, integriteit en gerechtigheid te waarborgen, zocht men naar een vorm van toezicht. In die samenleving vond men deze in het christelijke geloof. Iedereen moest op een dag immers verantwoording afleggen aan God om toegelaten te worden in het paradijs. God en het recht werden beschouwd als één. In de Middeleeuwen werden oneerlijke rechters beschouwd als Godsloochenaars. Om rechters hieraan te herinneren werden gerechtigheidstaferelen in stadhuizen en rechtszalen opgehangen.

Het paneel, dat in 1664 naar het huidige stadhuis verhuisde, bestaat uit zeven verticaal geplaatste planken die omgeven worden door de oorspronkelijke brede zwarte lijst. Op de lijst zijn zes vijfpuntige sterren en acht fantasievolle decoraties te zien. Op de bovenste horizontale zijde van de lijst is het jaar 1599 geschilderd. Uit kunsthistorisch en archivalisch onderzoek is gebleken dat dit oorspronkelijk het jaartal 1477 of 1499 is geweest. De vijftiende-eeuwse schrijfwijze van het jaartal leek in latere eeuwen op de schrijfwijze van het jaar 1599. Bij de vele restauraties en overschilderingen die het paneel gekend heeft, is het jaartal veranderd.

De schildering van het Laatste Oordeel is in twee delen verdeeld. Het bovenste gedeelte beeldt het goddelijke uit met in het centrum Christus getooid in een rode mantel. Hij houdt zijn armen gespreid waardoor zijn houding een kruis uitbeeldt. In zijn handen zijn de wonden van de kruisiging te zien, de stigmata. Met de rechterhand maakt Christus het zegenend gebaar en met de linkerhand het spreekgebaar. Hij zetelt op een regenboog, die symboliseert de hoop op een leven na de dood. Zijn voeten rusten op een glazen bol die de aarde voorstelt. Binnen de regenboog zijn twee engelen met bazuinen te zien en drie engelen in groene gewaden die de gelukzaligen naar de hemel dragen. Links van Christus is een engel afgebeeld met een lelietak, het symbool van barmhartigheid. Rechts draagt een engel het zwaard van de rechtvaardigheid. Naast hen zijn twee biddende engelen te zien. In de linker en de rechter bovenhoek bevinden zich bazuinengelen. Uit de bazuinen rollen banderollen: links met de tekst "Surgitomortui" en rechts "Venite ad iudicium". Dit betekent "Doden staat op, komt naar het oordeel". Naast de regenboog zijn op een wolkenrand aan de linkerkant Maria en aan de rechterkant Johannes de Doper afgebeeld. Achter hen staan niet zoals gebruikelijk vrouwelijke heiligen en apostelen, maar leken uit de hemel.

Het onderste deel van het paneel toont aan de linkerkant een tafereel uit een rechtszaal. Te zien is het interieur van een gerechtsgebouw met een rijk versierd dak dat steunt op roodmarmeren zuilen. Op de meest rechtse zuil staat een beeldje van de stedenmaagd die het Maastrichtse stadswapen, een rood schild met een witte vijfpuntige ster, draagt. Dit wapen is terug te zien in de glas-in-lood ramen. In de rechtszaal zijn zeven rechters te herkennen rond een houten tafel. De rechters zijn niet te herkennen aan hun kleding: dit was verboden in de Lage Landen. Ze spraken recht in een geding tussen een rijke en een arme man, die voor hen afgebeeld zijn. De drie middelste rechters in de rij hebben bijzondere kenmerken: de derde rechter van links heeft een boek en een pennenkoker voor zich liggen, waarschijnlijk is hij de griffier. De vierde man is de schout, hij is te herkennen aan zijn dure kleding en de vijfde rechter heeft een snoer van rood bloedkoraal in zijn handen. Dit staat symbool voor zuiverheid. Achter de rechter staat de stadsbode of de gerechtsdienaar. Naast hem staat een duivel die de rechters probeert om te kopen met goudstukken. Op de banderol boven de duivel staat een Middelnederlandse tekst : Gij die sijt here, leert recht verkere, nempt goet e gelt. Die gij hebdt leyt, die sijt bereyt te doen gewelt Nempt altijd baet, dat is my raer, ist recht oft kom Des nyet en laet, anders gij gaet, voer gheck e dom
De boodschap van de duivel is duidelijk: de rechters moeten nemen wat ze krijgen kunnen. Hij zet hen aan tot oneerlijkheid en onrechtmatig gewin. Als ze dit niet doen, zijn ze in zijn ogen grote domoren.

Rechts van het tafereel in de rechtszaal staat een gevleugelde engel die met haar rechterhand naar de rechters wijst en met haar linkerhand naar de hel. Ze draagt het gewaad van een diaken. Het was sinds de dertiende eeuw gewoonte om engelen in deze kledij af te beelden. Met vermanende woorden waarschuwt de engel de rechters:Gy die sijt raedt, u ouge opslaet, aen dese figure Die sake verstaet, mit goeder maet, doet recht al pure Des nyet elaet, om gunst off haet, noch om gheyn hure Anders ghij gaet die rechte staet te helsscher vure.

De engel spreekt de duivel tegen en waarschuwt de rechters voor het geen gaat gebeuren als ze de raad van de duivel opvolgen. Volgens haar moeten de rechters rechtvaardig zijn, want als ze zich bij het oordelen laten leiden door persoonlijke gevoelens, gunsten of geld, dan zullen ze naar de hel gaan.

Rechts van de engel is de hel als een vuur met donkere rookwolken afgebeeld. Op de voorgrond zie je naakte verdoemden die door duivels de hel ingetrokken worden. Ook uit de wolken woorden de ongelukzaligen door duivels in het hellevuur getrokken.

Aan de horizon, die de scheiding vormt tussen de goddelijke en menselijke rechtspraak, is een zicht op de stad Maastricht afgebeeld. Het is een van de oudste voorstellingen van de stad. De voorstelling van de stad is in later jaren voortdurend gewijzigd. Het restauratie atelier van het Rijksmuseum in Amsterdam heeft in 1952 het gerechtigheidpaneel gerestaureerd, waarbij de overschilderingen weggehaald zijn en de originele afbeelding weer in ere is hersteld. Op de schildering is rechts de Sint Servaaskerk te herkennen. Verder zijn ook de Sint-Janstoren te zien, de Lakenhal met Belfort, op de plek waar het stadhuis nu staat, de Onze Lieve Vrouwekerk, de omwalling van de stad met de poorten, de brug over de Maas, de kruittoren van Wijck en de Sint-Martinuskerk. Helemaal rechts is een galgenveld te zien.

Het paneel van Jan van Brussel beeldt een typisch Middeleeuws gerechtigheidstafereel uit. Het is duidelijk bedoeld om door middel van een afbeelding van het Laatste Oordeel rechters eraan te herinneren dat ze hun integriteit moeten bewaren.

De Wethouderskamer
De Luikse Schepenkamer, nu wethouderskamer, werd in 1793 zwaar getroffen door de Franse belegering. Door een bomaanval van de Fransen op het Maastrichts stadhuis is het stucwerk van Vasalli en het schoorsteenstuk van de Luikse schilder Edmond Plumier (1694-1733) verloren gegaan. Dit laatste is in later jaren vervangen door een schilderij van Theodoor van der Schuer(1628-1707) dat voorheen in de Bibliotheekzaal, nu de Raadszaal, hing. Het stuk laat een allegorische voorstelling zien van de Kunsten en Wetenschappen. De kamer kent als bijzonderheid alleen nog het stucwerk boven de ingangsdeur.

Net als de ingangsdeur van de Brabantse Schepenkamer wordt ook de ingang van de Luikse Schepenkamer bekroond met een dessus-de-porte. Vasalli vervaardigde deze stucdecoratie in de vorm van een ovale medaillon. In reliëf toont dit medaille het wapen van Luik in handen van een engel onder een boom. De lijst rond het medaillon toont een vogel aan beide kanten en een gehelmde mannenkop met een vederbos als bekroning.




Gagini-kamer
De Gagini-kamer van het Maastrichtse stadhuis is bekend vanwege haar bijzondere stucdecoraties. De decoraties in deze kamer zijn namelijk niet van de hand van Vasalli zoals die van de andere vertrekken, maar van de meer bekende Petrus Nicolaas Gagini (ca. 1741-ca. 1810). Bovendien maakte Gagini de stucdecoraties in 1789 niet in opdracht van het stadsbestuur, maar voor een salon in een huis aan de Capucijnenstraat 114. Toen dit huis anderhalve eeuw later afgebroken werd, is het stucwerk pas overgebracht naar het stadhuis.

Gagini's decoratie in het stadhuis is gesigneerd en gedateerd: "Gagini invenit et sculpsit 1789" is te lezen in het stucwerk van de schouw. Gagini signeerde in tegenstelling tot veel van zijn collega's een groot deel van zijn decoraties. Hierdoor is bekend dat zijn werk zeer geliefd was. In de stedendriehoek Aken-Luik-Maastricht kan men met zekerheid stellen dat hij in 14 huizen en kastelen heeft gewerkt. Waarschijnlijk is dit maar een klein gedeelte van zijn totale oeuvre in deze regio. Vermoedelijk is een groot gedeelte van zijn werk door de jaren heen verloren gegaan. Bovendien zal hij niet al zijn werk gesigneerd hebben, waardoor het nu moeilijk te achterhalen is.

Als je de stucdecoraties in de Gagini-kamer bekijkt, valt direct op dat deze sterk verschillen van Vasalli's decoraties. Thomas Vasalli legde in zijn werk de nadruk op de decoraties in het plafond en de schoorsteen. De wanden kregen een soberder karakter om ruimte te laten voor de wandtapijten en het goudleer behang. Dit was de eis van het stadsbestuur. Aangezien Gagini in opdracht werkte van de eigenaren van het huis aan de Capucijnenstraat, waarschijnlijk de familie Van Aken, hoefde hij geen rekening te houden met de wensen van het stadsbestuur. Hij stelde de plafonddecoraties in zijn werk meestal niet centraal, maar ondergeschikt of gelijk aan de wanddecoraties. De versieringen op de schouw vormen het hoofdelement in de decoraties van deze kamer. Hierop is een personificatie van de Liefdadigheid te zien. Caritas is afgebeeld als een jonge vrouw met vlammen op haar hoofd en een vlammend hart in haar hand. Ze staat symbool voor naastenliefde. Op het tafereel jaagt ze door middel van een bliksemschicht een demon weg van een bedelaar.

De decoratie op de wanden bestaat uit panelen waarin een bergmeerlandschap te zien is. De panelen worden bekroond door blad- en bloemguirlandes. Het landschap is binnen de lijst van het paneel opgenomen in decoratieve arabesken, bandwerk, blad- en bloemslingers, bloemenvazen en bloemenmanden, vogels, putti en mythologische figuren, zoals Diana, Venus en Amor. Diana, de Godin van de jacht, is te herkennen aan het halve maantje op haar hoofd en de boog, pijlenkoker en de jachthond. Venus en Amor afgebeeld met twee tortelduifjes symboliseren de liefde tussen een man en een vrouw die zijn voorgesteld in twee portretmedaillons. Het werk van Gagini toont een heldere, afgebakende en geordende indeling.

De decoraties in deze kamer zijn niet geheel in oorspronkelijke vorm meer te zien. Het vertrek beschikte namelijk over andere afmetingen dan de kamer in Capucijnenstraat, waar het stucwerk voor gemaakt was. Hierdoor konden niet alle onderdelen worden geplaatst en veranderde de ordening van de panelen. Desondanks wordt de Gagini-kamer van het Maastrichts stadhuis nog steeds gezien als het vertrek met de mooiste stucdecoraties.




De Prinsenkamer
In de Prinsenkamer zetelden de Commissarissen-Deciseurs, het hoogste bestuurlijke gezagsorgaan. Het bestond uit de afgezanten van de Prins-Bisschop van Luik en de Hertog van Brabant. Zij maakten geen deel uit van het stadsbestuur, de magistraat genoemd, maar hielden toezicht op dit college. De Commissarissen-Deciseurs bezochten Maastricht om het jaar. Ze verbleven dan drie maanden in de stad en hielden zich bezig met het controleren van stadsrekeningen, het afhandelen van beroepszaken betreffende het Lage Gerecht, het bespreken van politieaangelegenheden, het formuleren van nieuwe wetten en het verdelen van stedelijke ambten. Om de twee jaar werd in de Prinsenkamer door de Commissarissen-Deciseurs de magistraat van Maastricht vernieuwd. De Prinsenkamer was tevens het vertrek waarin belangrijke gasten werden ontvangen. In 1717 werd bijvoorbeeld Tsaar Peter de Grote een maaltijd aangeboden in de Prinsenkamer tijdens zijn bezoek aan de stad. Het interieur van de kamer moest volgens het stadsbestuur de belangrijke functie van het vertrek uitstralen. De Raad wilde een Prinsenkamer 'soodanig dat dese kamer zij zo uijtstekentste van alle de andere', zo vermeldden de raadsnotulen van drie december 1736. Om deze reden schafte het stadsbestuur in het jaar 1737 nieuwe wandtapijten aan. De verdure- tapijten die in het vertrek hingen, verhuisden naar de minder belangrijke audiëntiekamer. De magistraat ging op zoek naar tapijten van betere kwaliteit. Deze vond ze bij de tapissier Franciscus van der Borght uit Brussel. De Maastrichtse Raad kocht vijf tapijten uit diens negendelige Mozes-serie. De prijs was 21 gulden per vierkante el (circa 70 x 70 cm.). De totaalsom van de tapijten bedroeg 2863,50 gulden. Dit was in die tijd een heel groot bedrag. De tapijten zijn gesigneerd. Aan de onderkant staat naast de naam van de wever F. v.d. Borght, een rood schildje met aan weerszijde een B die staan voor Brussel Brabant. De wandtapijten hebben geen boord, omdat ze voorheen ingelijst waren. Bij de restauratie van de tapijten in de periode 1945-1961 zijn de lijsten weggehaald.

De Mozestapijten hangen nog altijd in de Prinsenkamer. De serie beeldt het leven van Mozes uit zoals beschreven in de bijbel. Op het grootste tapijt is de voorstelling 'Mozes slaat het water uit de rotsen'(Numeri 20:11) afgebeeld. Tussen de ramen hangt het middenstuk van het tapijt met de voorstelling 'De vinding van Mozes op de Nijl' (Exodus 2: 5-9). De deur wordt bekroond met het tapijt met de afbeelding van 'Het manna' (Exodus 16: 16-17). Aan weerszijde van de schouw zijn wandtapijten met de voorstellingen 'De dans om het gouden kalf' ( Exodus 32:19) en 'De doortocht door de Rode Zee '(Exodus 14: 27-29) te zien.

Het hoogtepunt van de wanddecoratie in de Prinsenkamer is het tapijt 'Mozes slaat het water uit de rots'. Dit is een imposante tapijt van 8,65 x 3,55 meter. Wat staat er beschreven in het boek Numeri: "Daarbij hief Mozes zijn hand op, en sloeg tweemaal met zijn staf op de rots; toen vloeide er water in overvloed uit, zodat de gemeenschap met haar vee kon drinken." Dit reddingsverhaal speelde zich af tijdens de woestijntocht van Mozes en zijn volk. De joden dreigden om te komen van de dorst. Daarom vroeg Mozes God te hulp. God gebood hem met zijn staf op de rots te slaan en op dat moment begon water uit de rots te stromen.

Op het tapijt zijn in een decor van bomen en rotsen meer dan veertig bijna levensgrote mensen samen met hun vee afgebeeld. Er is sprake van een symmetrische compositie. De opbouw is in de vorm van een gelijkbenige driehoek, waarbij Mozes op de rotsen staat en met een stok op de stenen slaat. Op het tapijt is te zien dat de menigte in drie groepen te verdelen is, maar door de symmetrische opbouw en de handgebaren en kijkrichtingen van de personages blijft de mensenmassa toch een eenheid. Door de manier waarop de afgebeelde mensen gebaren en door de dynamiek van mensen en dieren lijkt het alsof er beweging in de voorstelling zit. Dit maakt het tafereel levendig. De achtergrond laat een wijds landschap zien, met de grillige rotspartij als centraal aspect dat de aandacht trekt. Op de voorgrond is nagenoeg niets afgebeeld. Dit wekt de indruk dat de menigte in de natuur is geïntegreerd. Bovendien lijkt het alsof het tafereel zich op enige afstand van de toeschouwer afspeelt.

Dit wandtapijt wordt gekenmerkt door veel contrasten, kleuren en vormen: er zijn veel verschillende mensentypen, dieren- en plantensoorten, kleding en koperen vaatwerk afgebeeld.

De andere tapijten zijn misschien minder imposant, maar niettemin interessant. De voorstelling 'De vinding van Mozes op de Nijl' (Exodus 2: 5-9) verbeeldt het verhaal waarin de dochter van de Farao Mozes drijvend in zijn mandje op de Nijl vond. Tijdens een bad in de rivier viel haar oog op een mandje tussen het riet. Ze liet het door een van haar dienstmeisjes halen. Er bleek een baby in te liggen. De dochter van de Farao vermoedde dat het een Hebreeuws jongetje was en gaf een Hebreeuwse vrouw de opdracht tegen betaling voor het kind te zorgen. Toen de jongen groot genoeg was, bracht de vrouw hem terug naar de dochter van de Farao. Zij behandelde hem als haar eigen zoon en noemde hem Mozes. Boven de deur van de Prinsenkamer hangt het wandtapijt met de voorstelling van 'Het manna' (Exodus 16: 16-17). In het bijbelverhaal de 'Wonderen in de woestijn' staat beschreven dat Jahweh tot Mozes sprak en hem beloofde dat Hij brood uit de hemel zou laten regenen. Mozes'volk zou iedere avond zijn dagelijks deel kunnen verzamelen. Het moment dat deze voorspelling uitkomt, is te zien op het wandtapijt. Mozes sprak tot zijn volk dat dit het eten is dat ze van Jahweh kregen. Aan de rechterzijde van de schouw is het wandtapijt te zien waarop de voorstelling 'De doortocht door de Rode Zee '(Exodus 14: 27-29) is afgebeeld. Mozes hielp het Israëlisch volk vluchtten uit het land van de Egyptenaren. God wees Mozes tijdens de woestijnvlucht de weg. Op een dag gebood God Mozes met zijn volk naar de Rode Zee te gaan. De Farao zou denken dat de Israëlieten verdwaald waren in de woestijn. Daarom zou hij zijn leger achter de vluchtelingen aansturen. God voorspelde dat de Egyptenaren tijdens deze achtervolging zouden ontdekken dat hij Jahweh was. Gods woorden kwamen uit. De Farao merkte op dat de Israëlieten gevlucht waren en gaf zijn volk de opdracht hen na te jagen met paarden en wagens. Toen de vluchtelingen de Rode Zee hadden bereikt, zagen ze het leger van de Farao achter hen aan komen. Op dat moment sprak God tot Mozes dat hij zijn staf in de hoogte moest steken en zijn hand over de zee moest uitstrekken. De zee zou in tweeën splijten. God zorgde ervoor de het Israëlisch volk droogvoets aan de overkant kwam. Bovendien vormde Hij een wolkkolom die de hemel aan de kant van de vluchtelingen verlichtte en aan de kant van de Egyptenaren verduisterde. Toen Mozes met zijn volk aan de overkant van de zee aankwam, gaf God Mozes opnieuw de opdracht zijn arm te strekken en zijn staf omhoog te steken. Daarop sloot de zee zich weer. Het moment dat Mozes dit tot uitvoering brengt, is afgebeeld op het wandtapijt. Op de voorgrond is het Israëlisch volk te zien met Mozes die met zijn staf naar de Rode Zee wijst. Op de achtergrond is afgebeeld hoe de Egyptenaren verdronken. Links van de schouw hangt het wandtapijt 'De dans om het gouden kalf' (Exodus 32:19). Deze voorstelling laat een fragment zien uit het bijbelverhaal 'De afval van het volk en de vernieuwing van het verbond'. Mozes verbleef in die periode veertig dagen op de berg Sinaï. Hij ontving de voorschriften voor de eredienst van God. Het Israëlisch volk bleef beneden en Mozes gaf Aäron en Choer de leiding. De Israëlieten vonden dat de afwezigheid van Mozes te lang duurde. Daarom vroegen ze aan Aäron om een God voor hen te maken. Aäron liet alle gouden bezittingen verzamelen en goot het goud in de vorm van een kalf. Het volk bracht offers bij het kalf en dansten er omheen. Het tafereel op het tapijt laat het moment zien dat Mozes van de berg terugkomt met de tafelen van het Verbond, waarop Gods schrift was gegrift. Toen Mozes de voet van de berg had bereikt, zag hij zijn volk dansen en offeren. Uit woede gooide hij de tafelen stuk. Op het tapijt is Mozes op de achtergrond te zien. Achter hem is de berg Sinaï afgebeeld. De verering van het gouden kalf is op de voorgrond te zien.
De wanddecoratie van de Prinsenkamer onderstreept de grandeur van het vertrek. Bovendien sluit het aan op de functie van de kamer. De geschiedenis van het leven van Mozes moest de Commissarissen-Deciseurs herinneren aan hun wetgevende en rechtsprekende taak. Mozes nam immers bij het sluiten van het Oude Verbond de Wet in ontvangst. Bovendien worden in de vijf boeken van Mozes zowel de Tien Geboden als de religieuze en juridische voorschriften beschreven.
De aard van de Prinsenkamer wordt tevens weerspiegeld in het schoorsteenstuk van Theodoor van der Schuer (1628-1707) met een voorstelling van de dubbele rechtspraak. In de Prinsenkamer zetelden de Commissarissen-Deciseurs als afgezanten van de twee heren. De keuze voor een schilderij met een personificatie van de Tweeherigheid is dus zeer toepasselijk. De twee soevereinen zijn afgebeeld als twee vrouwen in het centrum van het schilderij. Ze zetelen op een dubbele troon. Aan de linkerkant zit de personificatie van de Luikse Prins-Bisschop en aan de rechterkant de personificatie van de Brabantse Hertog. De positie van Luik rechts toont aan de geestelijke leider belangrijker is dan de wereldlijk leider. Dit is de enige tweedeling die in het schilderij te ontdekken valt. Het werk straalt eenheid uit en laat aan de toeschouwer zien dat de twee heren samen regeerden. (18)Een vaak gehoorde uitspraak van het Maastrichtse stadsbestuur in de tijd van de Maastrichtse Tweeherigheid was: 'Één heer geen heer, twee heren één heer'.

De personificatie van de Luikse Prins-Bisschop is te herkennen aan haar prinsenmuts en hermelijnen mantel. In haar rechterhand houdt ze de scepter vast en in haar linkerhand draagt ze een kromstaf. Achter haar is de bisschoppelijke mijter te zien. Links van de personificatie bevindt zich een adelaar die op de rijksappel staat. Dit verwijst ernaar dat de Prins-Bisschop niet alleen over het Bisdom Luik regeerde, maar ook een Duits rijksvorst was.

De personificatie van de Brabantse Hertog draagt een helm en een blauw kleed waarop een leeuw is geborduurd. In haar rechterhand houdt ze net als de Luikse Prins-Bisschop een scepter vast. Achter haar ligt de hertogskroon gebroederlijk naast de bisschopsmijter. Naast de personificatie ligt een leeuw met een pijlenbundel in zijn poot. De leeuw is het symbool van de Republiek der zeven Verenigde Nederlanden. De zeven pijlen verwijzen naar de provincies van de Republiek. Voor de voeten van de personificatie van de Brabantse Hertog staat een bronzen beeldje in de vorm van een leeuw.

De dubbele troon waarop de soevereinen zetelen wordt bekroond met de wapens van beide heren. Een adelaar en een leeuw dragen aan linten de beide wapenschilden.

Voor de troon, op de voorgrond van het schilderij is de Rechtvaardigheid afgebeeld. Deze deugd is net als de twee heren gepersonifieerd als een vrouw. In haar rechterhand houdt ze een zwaard en het Oog der Gerechtigheid. Met haar rechterhand weegt ze in een weegschaal de Waarheid en de Leugen. De duif, die symbool staat voor de waarheid, weegt zwaarder dan het masker dat de leugen moet symboliseren. Rechtvaardigheid vertrapt de Nijd, afgebeeld als een lelijke vrouw met een slangenhaar en slangen in haar linkerhand. In haar rechterhand draagt ze een hart. Dit is een symbool: de Nijd heeft altijd hartzeer, omdat ze jaloers is. Rechts van haar is Amor afgebeeld met een brandend hart in haar rechterhand. Ze wijst ermee naar Nijd. Het brandende hart staat symbool voor de hartstochtelijke aardse liefde. Aan de linkerkant van Nijd richt zich nog een putto (engeltje) naar haar. Ze heeft een slang, die het kwaad symboliseert in haar hand. Nijd krijgt dus twee keuzes voorgelegd: de aardse liefde en het kwaad.

Achter de twee heren staan aan de linker- en rechterkant een groep vrouwen. Sommigen dragen attributen, die de kracht van de twee heren symboliseren. Links draagt een vrouw een hond. De hond is het symbool van trouw. Rechts draagt één van de vrouwen een zuil, het symbool van geestelijke kracht en standvastigheid. Daarnaast ziet men een haan. Dat attribuut staat voor waakzaamheid. Op de achtergrond, achter de dames is rechts het stadhuis te zien. In de linker benedenhoek is het schilderij gesigneerd door de schilder. Er staat 'Theodoor vander Schuer fecit A70 1704'.

De komst van het stadhuis op de Markt
Aan het einde van de zestiende eeuw begon de Maastrichtse magistraat (het stadsbestuur) te zoeken naar een alternatief onderkomen voor de Lanscroon. Dit raadhuis was bouwvallig geworden en de raad achtte het opknappen van het gebouw niet rendabel. Andere overheidsgebouwen, zoals het Dinghuis, waren ook niet geschikt als stadhuis. Bovendien wilde het stadsbestuur alle overheidsinstellingen onder één dak brengen. Tot nog toe waren de bestuurlijke en juridische organen verdeeld over verschillende gebouwen. Een nieuw, ruim gebouw dat gezag en status uitstraalde, was volgens de magistraat de beste oplossing. Uit notulen van raadsvergaderingen (1593) blijkt dat de raad het nieuwe stadhuis wilde laten bouwen op de Markt. Door de oorlogssituatie aan het begin van de zeventiende eeuw heeft de bouw van het stadhuis nog enkele jaren op zich laten wachten. In 1655, toen de rust na de Vrede van Münster (1648) enigszins was teruggekeerd, vroeg de magistraat toestemming aan de Staten-Generaal en de Prins-Bisschop om een nieuw stadhuis te bouwen op de Markt. Al snel werd een begin gemaakt. Eerst werd de Markt vrijgemaakt van de restanten van de dertiende-eeuwse stadswal die dwars over het plein liep, terwijl de Gevangenpoort en de Leugenpoort net als de vervallen Lakenhal en het Belfort werden afgebroken. Daarnaast spande de magistraat rechtszaken aan om particuliere huizen te kunnen onteigenen. De architect Pieter Post (1608-1669) had in 1656 de opdracht gekregen een tekening, een houten maquette en een begroting te maken. Toen in 1659 de Markt een groot vierkant plein was geworden en Pieter Post zijn tekeningen af had, werd begonnen met de bouw van het stadhuis. Het fundament bestond uit de stenen van de afgebroken Gevangenpoort. De vier gevels werden opgetrokken in Naamse steen. Ze hebben ieder een weinig vooruitspringende middenpartij, een zogenaamd risaliet, waarboven een fronton is geplaatst. Het fronton aan de voorgevel wordt gesierd door een afbeelding van de stadsengel. In het fronton van de achtergevel staat het jaartal 1662; dit verwijst naar het jaar waarin de ruwbouw van het stadhuis gereed kwam. Op 31 juli van dat jaar namen de Commissarissen-Deciseurs, de directe afgezanten van de twee heren, in het nieuwe stadhuis de eed af van de zojuist benoemde leden van de magistraat. Twee jaar later, op 7 juli 1664, werd de eerste normale vergadering van het stadsbestuur gehouden. Toen was, op de toren na, het hele gebouw voltooid. De klokkentoren kwam gereed in 1685.

Het Maastrichtse stadhuis is gebouwd in de traditie van de classicistische barok. Pieter Post was een leerling van Jacob van Campen (1596-1657) die deze stijl in de Nederlanden introduceerde. De uitgangspunten van de classicistische barok zijn een heldere symmetrie, zuivere proporties en harmonie. Vaak werd gebruik gemaakt van klassieke architecturale elementen als kapitelen, pilaren, pilasters, frontons en friezen. Deze kenmerken zijn terug te vinden in het Maastrichtse stadhuis. Voorbeelden zijn de symmetrische monumentale dubbele trap, de frontons aan de gevels en de pilasters op de voor- en achtergevel. Deze pilasters zijn in de eerste verdieping Dorisch van stijl, in de tweede Ionisch en in de derde Corinthisch. De vier markante schoorstenen die tot 1861, de hoeken van het stadhuis sierden, benadrukten de symmetrie en harmonie van het gebouw. De schoorstenen zijn in het midden van de negentiende eeuw afgebroken. Het stadhuis van Maastricht kent overigens veel overeenkomsten met andere classicistische gebouwen van Pieter Post, zoals het Mauritshuis, het Huis ten Bosch en het stadhuis van Amsterdam. De magistraat zal waarschijnlijk vanwege deze architectonische kunstwerken met internationale faam gekozen hebben voor Post als architect. Dat de blik van het stadsbestuur gericht was op de Hollandse bouwkunst is niet verwonderlijk. De nieuwbouw werd namelijk vrijwel helemaal bekostigd door de Staten-Generaal. De financiële middelen bestonden voor het grootste deel uit een restitutie van 60.000 gulden. Dit bedrag was feitelijk bedoeld voor het onderhoud van de staatse garnizoenen en vestingwerken. De opbrengst van stedelijke bezittingen werd ook gestoken in de verbouwing. Uiteindelijk kostte de bouw van het stadhuis 127.000 Hollandse gulden.

Nadat het stadhuis gereed was, moest ook het interieur worden ingericht. Ook het interieur van het gebouw moest gezag, rijkdom en status uitstralen. Door plafondschilderingen, stucwerken, schilderijen, wandtapijten en goudleer kreeg het deze allure. De magistraat streefde dat na, omdat in het gebouw veel belangrijke overheidsorganen domicilie vonden. De Commissarissen-Deciseurs, het stadsbestuur en de rechters zetelden in het stadhuis. Bovendien werden er ook belangrijke internationale gasten ontvangen. Het gebouw moest dus een gedegen uitstraling bezitten. Tot ver in de negentiende eeuw bevonden zich naast de belangrijkste overheidsorganen ook de secretarieën, de stadsbibliotheek en het stadsarchief, de gevangenissen, de gijzelkamers en wachtlokalen, de waag en de stadstimmerwerf in het stadhuis. Daarnaast was het stadhuis de plek bij uitstek voor de Maastrichtse burgers om in contact te komen met haar bestuurders. Tegenwoordig dient het stadhuis nog altijd als centrale ontmoetingshal, zij het in mindere mate dan enkele eeuwen geleden. In het gebouw zetelt alleen nog het stadsbestuur met haar ambtenaren. Zij beschikken nu over het gehele Maastrichtse stadhuis. De andere gemeentelijke instellingen bezitten een gebouw elders in de stad.
De Commissiekamer
Plafond
Het oudste stucwerkplafond van het Maastrichtse stadhuis bevindt zich in de Brabantse schepenkamer, nu Commissiekamer genoemd. Het plafond is van de hand van Thomas Vasalli uit 1736. Vasalli vervaardigde in dezelfde tijd het plafond van de Luikse Schepenkamer. In 1793 werd dit plafond verwoest door een bombardement van de Franse troepen op Maastricht. Het plafond van de Brabantse Schepenkamer bleef ongedeerd en is nog steeds in goede staat. De centrale voorstelling van de decoratie is het Salomons oordeel (I Koningen 3,vers. 1-28), een toepasselijke keuze, omdat de schepenkamer oorspronkelijk een rechtszaal was.

Het bijbelverhaal gaat over de zoon van David, Salomon. Hij was koning van Israël van 971 tot 931 voor Christus en staat voornamelijk bekend om zijn goddelijke wijsheid als rechter. Op het plafond van de Brabantse Schepenkamer is Salomon afgebeeld op het moment dat hij uitspraak gaat doen in de zaak tussen twee vrouwen die elkaar het rechtmatig moederschap van een baby betwistten. Om erachter te komen wie de echte moeder was besliste Salomon dat de baby met een zwaard in tweeën moest worden gehakt, zodat beide vrouwen ieder de helft van de baby konden krijgen. Op dat moment riep de echte moeder: "Ach mijn heer; geef haar het levende kind dan maar en dood het niet". De andere vrouw daarentegen was van mening dat de baby gedood moest worden. Toen wist koning Salomon wie van de twee de echte moeder was. Hij wees haar het kind toe. Heel Israël was na de uitspraak onder de indruk van de wijsheid die Salomon bezat.

De decoratie toont Salomon op zijn leeuwen troon; hij is te herkennen aan zijn kroon en mantel. Naast hem zit een raadsman. Voor hem staande twee vrouwen. Naast de geknielde vrouw ligt de dode baby. Een soldaat grijptde levende baby uit armen van de andere vrouw. Hij heeft het zwaard in zijn handen. Op de achtergrond zijn meer, over het oordeel verbaasde, soldaten en raadslieden van de koning te zien. De gehele voorstelling wordt omringd door een brede gestucte omlijsting, waardoor de gehele decoratie op een schilderij lijkt. Rondom de centrale voorstelling zijn vogels, pauwen en papegaaien afgebeeld in een setting van bandvoluten, blad- en bloemmotieven. Dit geheel is afgezet door een kooflijst die de overgang vormt tussen het plafond en de wanden. Op de kooflijsten is in cartouches de ster van Maastricht te zien; deze wordt geflankeerd door wapentrofeeën op drie plaatsen, steeds in het midden van de wand, met uitzondering van de schoorsteenkant.

Andere interieurdelen

Naast het plafond kent het interieur van de Commissiekamer nog enkele andere pronkstukken. Het reliëf boven de ingang van het vertrek is er een voorbeeld. Dit stucwerk is net als de plafonddecoratie verzorgd door Vasalli. In het reliëf ziet men in een ovale medaillon het wapen van Brabant in handen van een engel onder een boom. De lijst van het medaillon is versierd met een vogel aan beide kanten en een gehelmde mannenkop met een veder bos als bekroning.

Het schilderij van Edmond Plumier (1694-1733) boven de schouw is een ander pronkstuk. Het beeldt het verhaal van de Kuise Suzanna uit, beschreven in het bijbelboek Daniël. Het verhaal verwijst net als het Salomonsoordeel naar de oorspronkelijke functie van het vertrek als rechtszaal. Men ziet hoe de profeet Daniël twee rechters terecht wijst over een onrechtvaardig oordeel. De rechters hadden Suzanna namelijk valselijk beschuldigd van overspel en haar daarom veroordeeld tot de doodstraf. Wraak was hun motief, want de mooie Suzanna was niet ingegaan op hun avances, toen ze een bad nam in de hofvijver. Daniël kwam daar achter. Hij ontdekte dat er geen onderzoek verricht was en ondervroeg daarom de twee rechters. Beide vertelden een ander verhaal, waaruit bleek dat Suzanne onschuldig was.

De wand van de Commissiekamer is behangen met een tapijt uit het midden van de zestiende eeuw. Hierop is de ontmoeting van Jacob met de herders van Laban te zien op de vlucht voor de wraak van zijn broer Ezau. De voorstelling op het wandtapijt is net als het Salomonsoordeel en het verhaal van de Kuise Suzanna afkomstig uit het Oude Testament.


Het Plein
Het koepelgewelf van het Plein is in de zeventiende eeuw beschilderd door Theorodus van der Schuer (1628-1707). De schilder deelde de koepel in acht driehoekige vlakken in. Vier van die vlakken (piëdestals) laten schilderingen zien van goden die de elementen vuur, lucht, water en aarde personifiëren. Samen symboliseren ze de kosmos. Tussen deze voorstellingen heeft Van der Schuer een reeks van vier piëdestals beschilderd. Tegen een goudgele achtergrond met groene blokjes zijn putti en slingers van bloemen en bladeren te zien. In ieder vlak staat een Latijnse inscriptie. Centraal staan ronde vensters of het Maastrichtse wapenschild. Op één piëdestal is zelfs zowel een venster als het schild te zien. Dit vlak is speciaal vanwege het klokje dat zich in het venster bevindt. Dit klokje behoort niet tot het carillon, maar heeft een eigen status. Het wordt zowel "graanklokje" als "raadsklokje"genoemd. Deze namen verwijzen naar de functies van de klok. geluid om negen uur om aan te geven dat de Maastrichtenaren hun graan konden kopen. Twee uur later, om elf uur, werd de klok opnieuw geluid. Vanaf dit tijdstip mochten de brouwers, de bakkers en de molenaars graan inkopen. Na het klokgeluid van twaalf uur konden ook de graanhandelaren de voorraad inslaan. Deze regeling moest voorkomen dat de groothandelaren al om negen uur het beste graan zouden opkopen. De prijs zou stijgen en de gewone Maastrichtenaar moest dan genoegen nemen met minder goede granen voor een relatief hoge prijs. Dit wilde het stadsbestuur voorkomen en daarom gaven ze de opdracht het graanklokje te luiden.

De naam "raadsklokje" is ontstaan doordat de klok in de koepel gebruikt werd als signaal voor het begin van de raadsvergaderingen. Iedere maandagmorgen vond in het stadhuis de raadsvergadering plaats. Om negen uur werd het raadsklokje drie maal geluid. Wanneer leden van het stadsbestuur te laat of niet aanwezig waren, moesten ze een boete betalen. In een koperen geldbus, met het opschrift "gedenk de armen", moesten degenen die te laat waren een halve rijksdaalder gooien en degenen die niet waren komen opdagen zelfs een hele rijksdaalder. De burgemeester beheerde de geldbus en kocht met Kerstmisvan de opbrengst geschenken voor minder bedeelde Maastrichtenaren.


Burgemeesterskamer
De Burgemeesterskamer van het Maastrichtse stadhuis is beroemd vanwege het mooie goudleer waarmee het vertrek is behangen. Het goudleerbehang bestaat uit losse aan elkaar genaaide of geplakte verticale banen leer van kamerhoogte. Deze zijn met bladzilver bedekt. De zilverlaag is gepolijst en met eiwit ingestreken om oxidatie te voorkomen. Het leer is daarna beschilderd met een afbeelding die over verschillende banen is verdeeld. Het goudleerbehang is op maat gemaakt. Nadat het bladzilver en de schilderingen op het leer zijn aangebracht, wordt het vernist met een geel doorschijnende vernislaag. Hierdoor krijgt het leer een goudkleurig aanzien.

Het goudleer van de Burgemeesterskamer is in 1738 gekocht door Burgemeester G. Van Slijpe. Dit soort behang kende men in Nederland als Spaans importproduct vanaf de zestiende eeuw. Pas een eeuw later is men het ook zelf gaan vervaardigen. Sindsdien werd goudleer vaak gebruikt als wanddecoratie in overheidsgebouwen en huizen van de aristocratie. Tot in de achttiende eeuw was goudleer in Nederland mode.

De decoratieschildering op het goudleer in de Burgemeesterkamer is een voorbeeld van de zeventiende en achttiende Chinoiserie-mode. Deze is ontstaan doordat de Oost-Indische Compagnie sinds het begin van de zeventiende eeuw steeds meer Aziatische voorwerpen naar Europabracht. De voorwerpen waren door hun exotische uitstraling populair. Dit zorgde voor een prijsstijging. Er kwamen ook steeds meer imitaties op de markt. Deze kopieën werden "chinoiserieën" genoemd en ze waren tot 1720 redelijk waarheidsgetrouw. In de jaren hierna werden de kopieën steeds vrijere interpretaties van Chinese voorbeelden. De Europese smaak ging een steeds belangrijke rol spelen in de Chinese decoraties.

Het goudleerbehang in het stadhuis is gedecoreerd met beschilderingen gebaseerd op originele Chinese en Japanse prenten, maar ook met chinoiserieafbeeldingen. De noordelijke wand laat een schildering zien die gebaseerd is op originele Japanse prenten. Het beeldt het "hanami" uit, dat letterlijk "kersenbloesem kijken" betekent. Dit festijn vindt in Japan ieder jaar in april plaats. De kersenbomen bloeien dan. De Japanners komen onder deze bomen bij elkaar om samen uitgebreid thee te drinken. Dit tafereel is afgebeeld op het goudleer. Op de achtergrond zijn twee bloeiende kersenbomen te zien, waaronder acht Japanners op matjes zitten. Tussen hen in staat op een tafeltje de theepot. Daarnaast zijn een aantal kisten en acht pijpen afgebeeld. De pijpen zijn niet in Japanse vorm geschilderd, maar als Goudse pijpen.

Rechtsboven dit tafereel is een voorstelling afgebeeld die duidelijk niet gebaseerd is op een originele Aziatische prent. De compositie is grotendeels rechtstreeks overgenomen van een chinoiserieprent van de Nederlander Petrus Schenk junior. De decoratie van het goudleer laat een Chinees paviljoen met twee Chinezen zien. Daarachter loopt een lange trap over een rotspartij naar een pagode.

Op de zuidelijke raamwand is de enige nog te lezen Oud-Chinese tekst van dit goudleer aangebracht. Op een vaandel staatgeschreven "Chu kuo ch'ao kung". Een Aziaat draagt dit vaandel. Achter hem lopen nog driepersonen met een geschenk. De tekst betekent: "De diverse(buitenlandse)staten brengen schattingen (naar het Chinese hof in Peking)". Er zijn schrijffouten in de tekst die aantonen dat deze door een niet-Chinees is gekopieerd. De onbekendheid met de Chinese taal van de schilder blijkt ook uit andere tekens. Links van de schoorsteen zijn enkele voorstellingen aangebracht met "Chinese" teksten. In de linkerbovenhoek zijn bijvoorbeeld het huidige dollarteken en het symbool van de rijksappel afgebeeld. Dit toont aan dat de decoraties niet afkomstig zijn uit Azië, maar door een Westerse schilder zijn vervaardigd naar Europese smaak.

Dat het goudleerbehang met de chinoiserie-voorstellingen is gekozen als wanddecoratie voor de Burgemeesterskamer is uitzonderlijk. Representatieve vertrekken werden meestal vormgegeven de Franse smaak, die populair was in Maastricht. Ondanks de grote populariteit van Aziatische voorwerpen en afbeeldingen, hadden chinoiseriekamers meestal geen officiële functie. De Burgemeesterkamer van het Maastrichts stadhuis is in die zin uitzonderlijk.