De Sphinx
De Sphinx sluit op 31 december 2006 haar poorten aan de Maastrichtse Boschstraat en zo komt er een eind aan meer dan honderzeventig jaar productie van keramiek in de binnenstad. Het fabriekscomplex van Sphinx wordt een plaats van herinnering in de stad, een symbool voor Maastricht als industriestad. De Sphinx is welhaast de "personificatie" van de industrialisatie van de stad en daarmee van de identiteit van Maastricht als vroeg-industriële stad.

Een sombere hoge bakstenen muur langs de Boschstraat vormt de begrenzing van het terrein van de Sphinx zowel aan de stadszijde, als aan de zijde van de voormalige vestingwerken. Aan de Maagdnedreis en Achter de Barakken is het Sphinxterrein weliswaar besloten, maar niet zo hermetisch afgesloten als aan de beide andere zijden. Menig Maastrichtenaar heeft zich wel eens afgevraagd hebben wat zich daar allemaal heeft afgespeeld achter die muur en waarom de Sphinx zo dichtbij, ja zelfs nagenoeg tegen het stadscentrum van Maastricht aan ligt.

Petrus Regout (1801-1878), de stichter van de aardewerkfabriek, kon aan de Boschstraat het sedert de Franse tijd leegstaande klooster van de Penitenten kopen. Het territorium van de zusters Penitenten lag binnen de vestingwerken nabij de Boschpoort. Daarop kwam zijn aardewerkindustrie tot ontwikkeling. Het besluit de stad te ontmantelen viel pas in 1867.

Tussen 1836 en 1867 kon de industrie van Regout dus alleen maar groeien op het gebied binnen de vesting in het noordwesten van de stad in het driehoekige terrein dat daar binnen de stadsmuren lag.

De stad Maastricht was tot diep in de negentiende eeuw omgeven door een gordel van vestingwerken. Tussen 1815 en 1830 was er in de vesting slechts kleinschalige bedrijvigheid zoals de verwerking van agrarische producten, brouwerijen of producten als hoeden, papier en kaarsen. Men leefde voornamelijk van het garnizoen, ambtenaren en vrije beroepen. Die investeerden niet in industriële bedrijven.

Maastricht zou de oudste industriestad van ons land worden.

De titel ?industriestad? heeft altijd een negatieve bijklank. In veel andere steden zijn de sporen van het industrieel erfgoed vaak grondig weggepoetst. Zo niet in Maastricht; juist doordat de keramische industrie zo dicht tegen het stadscentrum is blijven voortbestaan ? meer dan 170 jaar - heeft de stad haar industrieel karakter weten te behouden. Juist het Sphinxterrein en de omgeving met het Bassin laten alle fasen van de industrialisatie nog altijd zien.

Zo is er de voorbereidingsfase tijdens het Franse bewind nog altijd te traceren. In die tijd werden alle stadskloosters geconfisqueerd en verkaveld. Regout vestigde zijn industrie in een van die voormalige kloostergebouwen. In de vijftien jaar van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) werden belangrijke infrastructurele werken uitgevoerd zoals de aanleg van het Bassin (vanaf 1826) en de Zuid-Willemsvaart (1817-1824) in de buurt van het Sphinxterrein. Dat betekende de ontsluiting van dit prille industriegebied en tevens aansluiting op het in die periode opkomende Europese industriële netwerk.Vanaf circa 1830 tot 1867 stichtten Regout en anderen enkele grote industriële ondernemingen en brengen die tot bloei. Door de aanleg van verschillende spoorlijnen wordt de stad ontsloten. Ook sociale vernieuwingen en technische vernieuwingen werden binnen de stadsmuren gehaald.

Regout had in 1826 een groot pand aan de Boschstraat (op nummer 1303) gekocht, dichtbij de Boschpoort en tegenover het Bassin. Het werd de thuisbasis voor zijn bedrijvencomplex. Hij had die plek gekozen om handig gebruik te kunnen maken van het Bassin en de Zuid-Willemsvaart voor de aanvoer per schip van grondstoffen en het vervoer van producten. Dat was vóór de komst van de spoorwegen de enige goede transportmogelijkheid. De wegen waren bijzonder slecht in die tijd. Juist door de opkomst van Regouts industrieën kon het Bassin zich in korte tijd tot een drukke binnenhaven ontwikkelen.

Petrus Regout begon met een kristalslijperij en een glasfabriek. In 1825 was Regout zijn eigen handslijperij voor kristal begonnen in de Jodenstraat. Die verplaatste hij nadien naar zijn ?kolossaal gebouw? op no 1303 aan de Boschstraat. Arbeiders en grondstoffen voor de slijperij kwamen uit België. Door de Belgische Opstand (1830) werd Regouts kristalslijperij afgesloten van de aanvoer van de benodigde grondstoffen en ook van bekwame vaklieden uit België. De handel kwam natuurlijk ook stil te liggen. Met moeite wist hij zijn slijperij na de Belgische opstand gaande te houden. Zijn groothandel was bijna stil komen te liggen als gevolg van de opstand. Die situatie verbeterde pas in 1834. Toen werd het invoerverbod op grondstoffen en halffabrikaten voor zijn slijperij opgeheven.Maastricht zou geen Belgische stad worden en dat bood Regout de gelegenheid om de lucratieve handel met Noord-Nederland te hervatten. In 1836 ging hij van start met zijn aardewerkfabriek van start.

Waarom stichtte Regout juist een aardewerkfabriek? Tin was eeuwenlang het gebruikelijke materiaal geweest om huisraad van te maken. Na 1800 werd dat materiaal steeds minder gebruikt.producten van aardewerk, glas en porselein werden steeds populairder. In de Nieuwstraat (nummer 9) had de moeder van Petrus Regout een florerende winkel in huisraad vervaardigd in glas en aardewerk.

In de tweede helft van de jaren 1830 stichtte hij samen met zijn broer Thomas een spijkerfabriek, een gasfabriek en een gewerenfabriek. Petrus Regout werd zo de eerste groot-industrieel van ons land. Al deze bedrijven lagen aan de Boschstraat. De prenten van zijn fabrieken die Regout liet maken voor zijn zeer fraai uitgegeven ?reclame? Album dedié a mes enfants et mes amis, laten heel wat rokende schoorstenen zien. In de negentiende eeuw betekende al die rokende schoorstenen: welvaart, economische voorspoed en geld verdienen. Tegenwoordig zou de milieu beweging schande spreken van de zwarte rook die al die schoorstenen uitbraken.

Regout kon al zijn plannen financieel realiseren met zijn kindsdeel uit de erfenis van zijn moeder en de bruidsschat van zijn vrouw Aldegonda Hoeberechts (1798-1878).

In 1836 begon hij met de productie van geschilderd aardewerk. Hij had in 1835 bij Cockerill in Seraing een stoommachine gekocht. Dat was de tweede stoommachine in de stad. Die plaatste hij in het nieuwe ?kolossaal? gebouw dat hij achter zijn pand aan de Boschstraat had laten bouwen. Ze was bestemd voor de 80 slijpstoelen (waaraan aanvankelijk 37 Belgische slijpers werkten), die hij erin plaatste en voor de spijkerfabriek die hij had gesticht met Thomas Regout in 1834, gevestigd op hetzelfde terrein aan de Boschstraat. In 1836 ging hij ook zelf glas produceren. en vanaf 1842 produceerde hij ook geweren. In 1846-1847 stichtte hij ook een gasfabriek.

Het aantal arbeiders in zijn dienst groeide gestaag: in 1839-1840 werkten er circa 300 arbeiders voor Regout, in 1851 waren er dat 650 en medio de jaren 1860 meer dan 2000. Regout was een patriarchaal fabrikant.

In het Europese revolutiejaar 1848 raakte Regouts aardewerkbedrijf in een economische crisis Regout waagde de gok: de afzet daalde enorm, maar hij bleef voortgaan met aardewerk produceren. De prijzen voor steenkool en voor zijn grondstoffen waren laag. Omdat hij bleef produceren, groeiden de voorraden natuurlijk gestaag. De fabrikant zette zijn goederen en zijn kapitaal op het spel. Een jaar later keerde het economisch getij. De vraag naar aardewerk nam weer toe. De prijzen stegen en Regout kon zijn voorraden met enorme winsten van de hand doen. In een klap was hij een puissant rijk man. Dat werd de basis van zijn enorme rijkdom en daarmee kocht hij in1863 het hele gebied van het penitentenklooster aan de Boschstraat om er zijn bedrijfscomplex op uit te breiden.

Opvallend relict uit de tijd is het restant van de ?Penitentenpoort?. De naam van de poort herinnert aan het klooster van de zusters Penitenten dat hier ooit lag. De zusters werden door de franse overheersers verdreven. De Penitentenpoort werd de monumentale toegangspoort tot het fabriekscomplex van Petrus Regout nadat hij in 1863 het hele gebied van het penitentenklooster had gekocht.

Veel van de fabieksgebouwen die in de voorbije anderhalve eeuw in dit gebied werden gebouwd, moesten telkens weer wijken om plaats te maken voor nog grotere fabrieksgebouwen of magazijnen. Toch zijn er relatief nog veel gebouwen van die vroege industrialisatie in dat gebied behouden gebleven als sporen uit het industrieverleden en als getuigen van het industrieel erfgoed.

Nu is het hoge witte fabrieksgebouw, bijgenaamd ?de Eiffel?, de belangrijkste blikvanger. In de negentiende eeuw waren dat de vele schoorstenen van de fabrieken van Regout.

Het kantoorgebouw links daarvan dateert uit 1956. Daarnaast ligt de voormalige Sphinxzaal, thans als feestzaal Festi Village in gebruik. Deze voormalige Sphinxzaal werd in 1900 gebouwd, als ontspanningszaal en fungeerde eigenlijk als ?volkstheaterzaal?? voor de Maastrichtenaren.

Pas in 1965 werd er een standbeeld voor Regout opgericht in de Boschtraat, dat maar al te vaak werd beklad nadien. Een Regout-straat, zelfs een Regout-steeg ontbreekt nog altijd in de stad. Regout riep kritiek op; zijn successtory oogstte veel afgunst. De pottekeuning werd tot voor kort niet beoordeeld naar de maatstaven van zijn eigen tijd. Petrus Regout werd de zondebok bij uitstek voor de sociale ellende in de stad. Die was echter niet uitsluitend typerend voor Maastricht. Alle goede en ook alle kwalijke kanten van de industrialisatie waren overal in Europa waarneembaar, niet alleen in Maastricht.

De ?pottekeuning? kwam natuurlijk op voor zijn eigen belangen, maar ook voor die van zijn arbeiders. Hij bestierde zijn ondernemingen als ?vader, raadgever en beschermer?; zo bouwde hij voor hen de ?groete bouw?, de cité ouvrière, aan de Gubbelstraat en stichtte hij onder meer een ziekenkas voor zijn personeel met wie hij tezamen in 1875 zijn gouden huwelijksfeest vierde in de tuinen van Vaeshartelt.

In 1878 overleed Petrus Regout. Zijn zonen wijzigden de vorm van de privé onderneming in de Commanditaire Vennootschap Petrus Regout & Co. Directeur werd zijn zoon Eugène.Twintig jaar later wordt dat gewijzigd in Naamloze Vennootschap De Sphinx.

In de nalatenschap van de ?pottenkeuning? werd een beeldje aangetroffen van een sphinx. Daarin zag de nieuwe generatie Regouts een bron van inspiratie. In 1879 duikt het karakteristieke Sphinx-merkje voor het eerst op aan de achterzijde van diverse aardewerkproducten. Twee decennia later wordt het beeldmerkje de officiële naam van het bedrijf. Sinds 1899 wordt de naam gewijzigd in N.V. De Sphinx

De bedrijfsvoering was in de laatste decennia van de 19e eeuw niet gericht op vernieuwende ontwerpen, maar op massaproductie en snel winst maken. Vooral gigantische hoeveelheden ongedecoreerd witgoed zorgden voor de omzetstijging.

Als gevolg van de eerste wereldoorlog kwam de toevoer van grondstoffen stil te liggen. De crisis trof de hele aardewerkindustrie; de export viel helemaal stil. Na de oorlog kon Sphinx zijn producten alleen nog maar kwijt op de binnenlandse markt, maar het assortiment was erg ouderwets en volledig uit de mode. Het product moest een heel eigen herkenbaar gezicht krijgen. Die meerwaarde moest voortkomen uit vooraanstaande ontwerpen. Zo ontstond de herkenbare Sphinx-stijl.

De glasfabricage werd in 1925 beëindigd. Daarna begon de groei van de productie van sanitair. De productie van aardewerk boette steeds meer in aan belang tot ze geheel gestopt werd in 1969.In 1927 besloot de directie een nieuwe sanitairfabriek te bouwen. Dat werd het Eiffelgebouw met zijn zeven verdiepingen van gewapend beton en gesitueerd op de plaats van de voormalige glasfabriek. Eiffel I was klaar in 1929 naar ontwerp van architect P.Knols , 33 meter hoog, 20 meter breed en 60 meter lang. Het was een echte ?wolkenkrabber? in gewapend beton met een paddenstoelconstructie. In 1930 kwam Eiffel II gereed en in 1941 Eiffel III. Die laatst toevoeging werd met een staalskeletconstructie uitgevoerd. Het monumentale Eiffelgebouw is in Maastricht een van de weinige bouwwerken in de bouwstijl van de Nieuwe Zakelijkheid. In 1929 en 1930 werden aan beide kanten van de Eiffel negen nieuwe vierkante ovens geplaatst In totaal waren er op dat moment maar liefst achttien ovens en zes schoorstenen. In 1933 besloot het bestuur de ovens ten oosten van de Eiffel te vervangen door een tunneloven. Veel negentiende eeuwse gebouwen moesten wijken voor de Eiffel en de tunnelovens.

In 1958 besloten de directies van de voormalige concurrenten De Sphinx en de Société Cëramique tot verbazing van vriend en vijand tot een fusie. Dar betekende een ingrijpende reorganisatie en mechanisering van de productie van de aardewerkdivisies van Sphinx.

In de jaren 1950 werden aan de Maagdendries vijftien nieuwe ovens met vijf schoorstenen gebouwd na afbraak van de barakken werden aan de Maagdendries door Sphinx zeven nieuw arbeidershuisjes gebouwd. In dezelfde periode (1956) werd het kantoorgebouw opgeleverd en en de showroom (1950).

Rond 1970 was het woud van schoorstenen op het Sphinxterrein gereduceerd tot nog maar een handjevol. In 1992 werd de laatste schoorsteen neergehaald. De tunnelovens werden in de jaren tachtig verwijderd Het bedrijf concentreerde zich alleen op de sanitairproductie.

In de jaren 1960 na de fusie loopt de afzet van het Maastrichtse serviesgoed dramatisch terug. Dat leidde in 1969 tot sluiting van de aardewerkdivisie. Sphinx zette daarna de productie van sanitair, tegels en badkamermeubilair voort. Op 31 december 2006 sluit het bedrijf zijn poorten aan de Boschstraat. Daarmee komt een eind aan ruim 170 jaar industriële geschiedenis in de Maastrichtse binnenstad.

Tot het unieke industrieel erfgoed behoren de gebouwen A,B en C, het Eiffelgebouw, de penitentenpoort. Het Sphinxterreien omvat prachtige voorbeelden van industriële bouw van circa 1880, 1930 en de jaren 1950. want ook het kantoorgebouw met zijn sobere wederopbouw architectuur en de showroom, vertellen hun verhaal waar bij het accent verplaatst wordt van primaire productie naar dienstverlening.