Sint Servatius
De feiten
De mens Servatius is een groot mysterie, Servatius de heilige niet. Tientallen geleerde schrijvers hebben zich door de eeuwen heen over zijn leven gebogen en vele dikke boeken over hem vol geschreven. Wat we feitelijk van hem weten, is in enkele zinnen verteld. Hoewel de traditie wil dat Servatius uit het Nabije Oosten kwam en door God geroepen werd tot het ambt van bisschop van Tongeren, lijkt het er veeleer op dat hij is voortgekomen uit de bovenlaag van de plaatselijke bevolking. In ieder geval was hij zowel in de oosterse als in de westerse kerk werkzaam, zoals blijkt uit zijn deelname aan twee kerkvergaderingen. De eerste vond plaats in Sardica (het huidige Sofia in Bulgarije) in 343, de tweede in het Italiaanse Rimini in 359. Beide keren deed hij van zich spreken als een vurige voorvechter van het dogma van de godheid van Christus, dat in die tijd door een zekere Arius in twijfel werd getrokken. Op 12 mei 346 zou Servatius, 'bisschop van de Tongeren', aanwezig zijn geweest op een Concilie in Keulen, maar daarover bestaat veel twijfel. Kort voor 353 was Servatius in Rome, als lid van een delegatie die trachtte te bemiddelen tussen twee met elkaar strijdende Romeinse keizerskandidaten. Vervolgens is ruim twee eeuwen niets meer van hem vernomen. Sterker nog: alle kennis over Servatius' leven en werk ging verloren in de chaotische tijd na het vertrek van de Romeinen. Pas in het begin van de zeventiende eeuw zouden enkele boeken van de klassieke schrijvers Athanasius van Alexandrië (295 - 373) en Sulpicius Severus (ca. 360 - ca. 420) worden herontdekt, en kwamen al deze feiten weer boven water.

Het verhaal van Gregorius van Tours
De berichten die men als de oudste, en eeuwenlang als de enige over Servatius beschouwde, zijn van de hand van Gregorius van Tours (538 -594). Gregorius had door teruggekeerde pelgrims horen spreken over een bisschop van uitzonderlijke heiligheid. Zijn naam was Aravatius (naar men aanneemt een vervormde uitspraak van Sanctus Servatius), hij kwam uit de vestingstad Tongeren en lag begraven in Maastricht. Gregorius nam de verhalen op in de kronieken die hij aan het schrijven was, de 'Geschiedenis van de Franken' en 'De Glorie van de Belijders'. Opvallend is dat hij het sterfjaar van de heilige plaatste rond het jaar 450. Ten tijde van de invallen van de Hunnen, zo schreef Gregorius, reisde Servatius naar Rome. Daar hoopte hij, door gebed op het graf van de apostel Petrus, de dreigende verwoesting van zijn stad af te wenden. In een visioen werd hem door Petrus te verstaan gegeven dat Tongeren reddeloos verloren was. Hij moest thuis orde op zaken stellen en veiliger oorden opzoeken, want zijn dood was aanstaande. Terug in Tongeren kondigde Servatius het slechte nieuws aan en nam hij afscheid van de burgers. Hij vertrok naar Maastricht, waar hij korte tijd later werd getroffen door een lichte koorts en stierf. Servatius werd begraven op het oude Romeinse kerkhof even buiten de ommuurde stad, langs de openbare weg naar Tongeren. Op het graf werd een marmeren plaat gelegd. Servatius was zo geliefd bij de inwoners van Maastricht en velen ver daarbuiten, dat zijn laatste rustplaats spontaan uitgroeide tot een plaats van verering. Er stond nog geen kerk. Er werden wel eens houten kapelletjes opgetrokken, maar deze werden door de wind geveld of stortten vanzelf in. Naar verluid vonden er wonderen plaats. Pas in de tweede helft van de zesde eeuw bouwde Monulfus, één van Servatius opvolgers, op diezelfde plek een stenen kerk en liet daarin het gebeente van zijn voorganger plaatsen. Die zogenaamde Magnum Templum, of 'grote kerk', is de voorloper van de huidige Sint Servaaskerk.

De legende
Het korte verhaal van Gregorius van Tours is in de loop van de eeuwen voortdurend verfraaid en aangevuld. Fantasie kwam in de plaats van geschiedkundige feiten, alleen met het doel de heiligheid van Servatius te benadrukken. Het bezit van een heiligengraf was in de middeleeuwen immers een rijke bron van inkomsten. Rond 980 voegde een zekere Heriger, een monnik uit de abdij van Lobbes, aan het verhaal toe dat hij had horen vertellen dat Sint Servatius afstamde van Christus. Fijntjes liet hij weten zelf niet in die vermeende afstamming te geloven. De definitieve uitbouw van de middeleeuwse Servaaslegende kwam met de Noord-Franse Benedictijner monnik Jocundus, in de jaren 1080. In opdracht van de geestelijkheid van de Sint Servaaskerk maakte hij een vita, een levensbeschrijving van de heilige, die in detaillering en fantasie alle voorgaande geschriften in de schaduw stelde. Zo beweerde Jocundus dat Servatius een verre neef van Christus, Johannes de Doper en zeven van de twaalf apostelen was. Met zijn staf kon hij bronnen doen ontspringen. Van Petrus ontving hij de sleutel van de Hemelpoort en daarmee de macht om zonden te vergeven. Servatius zou zelfs Atilla de Hun hebben ontmoet en hem hebben bekeert tot het christendom. Opmerkelijk genoeg verbond Jocundus Servatius nadrukkelijk met de strijd tegen het Arianisme in de vierde eeuw. Het is duidelijk dat hij volkomen in de war was met de chronologie. Toch werd Jocundus ongewild van doorslaggevende betekenis voor de plaatsing van Servatius in de vierde eeuw. Omstreeks 1130 werd het werk van Jocundus herschreven tot de verkorte en gepopulariseerde Gesta Sancti Servatii; deze versie van het levensverhaal van Servatius kende een grote verspreiding en is lange tijd in gebruik gebleven.
In de late 12e eeuw ontstonden de eerste Servaasvitae in de volkstaal. De Sint Servaes Legende van Heinric van Veldeke (ca. 1170) is een van de oudste monumenten van de Nederlandse taal. De schrijver droeg het werk op aan Agnes, gravin van Loon, en aan Hessel, schatbewaarder van de schatkamer van de St. Servaaskerk te Maastricht. Hij baseerde zich op het werk van Jocundus en maakte hieruit een selectie. Heinric van Veldekes versie is slechts in één handschrift uit de tweede helft van de vijftiende eeuw overgeleverd. De dochter van de gravin van Loon stimuleerde na haar huwelijk met Otto van Wittelsbach de verering van Servaas met succes in Indersdorf (Beieren), waar rond 1180-1190 de eerste Servaaslegende in het Duits verscheen.
In de loop van de 15e eeuw ontstonden steeds meer versies van de legende, zowel in het Latijn als in de volkstalen. Aanvankelijk werden zij nog met de hand geschreven, later gedrukt. Omstreeks 1460 verscheen het Blokboek van Sint Servaas. Dit kleine boekje bevat een serie van 24 met de hand ingekleurde houtsneden, die scènes verbeelden uit het leven van Servatius. Onder de houtsneden is een Franse tekst geschreven. Waarschijnlijk zijn er ook exemplaren geweest met een Nederlandse, en wellicht ook met een Duitse tekst. Het blokboek werd wijd verspreid. Pelgrims kochten het als souvenir; zelfs wie niet lezen kon had er wat aan. Het enige bewaard gebleven exemplaar berust in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het werd in 1984 in facsimile uitgegeven.
De Servaaslegende werd vanaf ongeveer 1600 steeds kritischer benaderd. Zo werden Servaas' veronderstelde verwantschap met Christus en diens uitzonderlijk hoge leeftijd betwijfeld. Ook werd de vraag opgeworpen of Gregorius' bisschop Aravatius, zoals tot dan was aangenomen, wel identiek was met Servaas. Geschiedschrijvers van buiten Maastricht konden doorgaans meer afstand nemen dan direct betrokkenen. De laatsten voegden wel de nieuw ontdekte historische feiten uit de geschriften van Athanasius en Sulpicius Severus toe aan de oude verhalen. Een vrome vita uit 1662 van de hand van de Maastrichtse kanunnik Andreas Bouwens, werd vijf jaar later onderwerp van een spotschrift geschreven door de felle Maastrichtse predikant Johan van Hamerstede. In hetzelfde jaar werd deze vita van contrareformatorische zijde verdedigd door de jezuïet Cornelius Hazart. Op grond van alle nieuwe feiten en in navolging van anderen, berekende de geleerde Venrayse jezuïet Godfried Henskens in 1680 Servatius sterfdatum op 13 mei 384.
In de 19e en 20e eeuw zijn tal van uitgaven, vertalingen, bewerkingen van en beschouwingen over de Servaaslegende verschenen, deels met een devotioneel doel, maar in toenemende mate vanuit een wetenschappelijke invalshoek. Aan Servatius' vermeende sterfdatum wordt nog steeds vastgehouden, al kan deze de toets van de historische kritiek niet doorstaan. In 1994 voerde de Maastrichtse kerkhistoricus Régis de la Haye goede argumenten aan ten gunste van de opvatting van Gregorius van Tours dat Servaas in de vijfde eeuw leefde, maar het probleem van het bestaan van een oudere, vierde-eeuwse bisschop Servaas loste hij niet op. Zoveel is duidelijk: mythen leiden een taai leven.

De tiende bisschop van Tongeren, de eerste van Maastricht
Volgens de legende zetelden tien bisschoppen te Tongeren, voordat Servatius de residentie overbracht naar Maastricht. De eerste naamlijst van de Tongerse bisschoppen dateert, evenals de Maastrichtse, uit het einde van de tiende eeuw en is van de hand van Heriger. Hij noemt achtereenvolgens: Maternus, Navitus, Marcellus, Metropolis, Severinus, Florentinus, Martinus, Maximus, Valentinus, en als tiende Servatius, die ook als eerste bisschop van Maastricht gerekend wordt. Over de Tongerse bisschoppen is in het geheel niets bekend. Van geen van hen is een eigentijdse vermelding tot ons gekomen. Slechts Maternus kan bogen op enige historiciteit, al was hij geen bisschop van Tongeren, maar van Keulen. Na Servatius volgde een statige rij van 21 Maastrichtse bisschoppen. Zij werden door de volksmond allen tot de eer der altaren verheven.
De samensteller van de lijst schijnt in zijn opsomming meer een symbolische betekenis gelegd te hebben, dan dat hij werkelijk historische personen heeft willen opvoeren. Toch heeft een aantal van hen zeker bestaan. De historicus Gregorius van Tours noteerde omstreeks 570 dat zijn tijdgenoot Monulfus een grote kerk liet bouwen op het graf van Sint Servaas. Hij werd samen met zijn opvolger Gondulfus, die het bouwwerk voltooide, in Maastricht begraven. Twee andere bekende Maastrichtse bisschoppen zijn Sint Lambertus en Sint Hubertus. Deze laatste verplaatste omstreeks het jaar 718 de bisschopszetel naar Luik.

Heilige knoken (Relieken)
Al kort na de dood van Sint Servatius trokken vereerders uit de regio naar zijn graf om er diens voorspraak te verkrijgen. Was oorspronkelijk alleen Servaas'gebeente de reden waarom men een reis naar Maastricht ondernam, al heel spoedig werden daarnaast ook andere 'heildommen' vereerd. In 827 bracht abt Einhard, onder geweldige toeloop van volk overblijfselen van de Romeinse martelaren Marcellinus en Petrus naar Maastricht. Volgens de kronieken konden plots lammen lopen en werden zieken genezen. Voorts is bekend dat Karel de Grote aan de voornaamste kerken in zijn rijk fragmenten van het Heilig Kruis heeft geschonken. Hoe meer 'heildommen', des te groter was de garantie voor het lichamelijke en geestelijke heil van de gelovigen. Verzamelaars speurden door heel Europa en het Nabije Oosten om hun collectie uit te breiden. Vooral tijdens de Kruistochten kwam een ware stroom van heilige overblijfselen naar West-Europa. Ook de Servaaskerk wist hiervan zijn deel te bemachtigen. Het topstuk is wel de armreliek van de apostel Thomas, die op bevel van Godfried van Bouillon naar Maastricht werd gezonden. Niet alleen oefenden al die heilige knoken een grote aantrekkingskracht uit op pelgrims uit steeds verder gelegen streken, zij hadden ook een enorme politieke betekenis. Er werden eden afgelegd op relieken. Zo baseerden de Frankische koningen en de Duitse keizers hun aanspraken op de troon mede op het bezit van de stoffelijke resten van Sint Servaas.
De overblijfselen van het gebeente en de kleding van Servaas worden bewaard in de Servatiusschrijn (de Noodkist, zo genoemd omdat het schrijn vanaf de late middeleeuwen in tijden van nood door de stad werd gedragen) en een grote verscheidenheid aan reliekhouders. De schedel van de heilige, met uitzondering van gedeelten van zijn onderkaak, bevindt zich in de vergulde koperen buste, die Alexander Farnese, prins van Parma, in 1580 aan Maastricht schonk. Het was een vergoeding voor een rijker borstbeeld van de heilige, een geschenk van hertog Hendrik van Beieren uit 1403, dat bij het beleg van de stad in 1579 verloren was gegaan. Het borstbeeld werd in de noodprocessies meegevoerd, voorafgaand aan de Noodkist. Fragmenten van Servaas' stoffelijke resten zijn bovendien verspreid over tal van andere kerken en kloosters.
Naast de eigenlijke overblijfselen van Sint Servaas is, aanwijsbaar vanaf de 11e eeuw tot ver in de 17e eeuw, een groot aantal voorwerpen toegeschreven aan de heilige. Zij zouden in zijn graf gevonden zijn. Enerzijds zijn dit bisschoppelijke en priesterlijke waardigheidstekens die hem zouden hebben toebehoord, zoals een kromstaf, borstkruis, een hanger met kruisreliek (monile), draagaltaar en zegel, een grote pontificale kelk en een reiskelk. Anderzijds betreft het voorwerpen waarvan de herkomst wordt verklaard door de legende: de staf die hij op zijn reizen bij zich had, de reliekenhoorn die hij meebracht uit Jeruzalem, de sleutel die hij in Rome bij het graf van Petrus ontving, de drinkbeker die hem onderweg door een engel werd aangereikt en de drie 'hemelse doeken' die door engelen over zijn ontzielde lichaam werden gelegd. De laatste toeschrijving, uit het eind van de zeventiende eeuw, was een gevelvormige reliekhouder. Behalve de drinkbeker, die dateert uit de eerste eeuw na Christus en waarschijnlijk een bodemvondst is, kan geen van de voorwerpen aan de heilige hebben toebehoord, daar ze alle vervaardigd zijn tussen 800 en kort na 1600.

Verspreiding van de verering
Door zijn veronderstelde verwantschap met Christus beschouwden velen Servaas als een machtige voorspreker bij God. Deze voorstelling werd nog versterkt door het bezit van de hemelsleutel die hem zeggenschap verleende over de toelating tot de hemel. Behalve als voorspreker geldt Servaas als beschermer tegen reuma en jicht, tegen koorts en besmettelijke ziekten bij mens en dier, en als bezorger van goed weer. Ook wordt hij beschouwd als behoeder van het geloof en staat hij bekent als een van de vier ijsheiligen. In Bretagne wordt hij vereerd als beschermer op zee en in de Elzas als drakendoder. In Maastricht vereert men Servaas vooral als eerste bisschop en als patroonheilige van de stad.
De verering van Sint Servatius strekt zich uit over een lange periode: aantoonbaar vanaf de zesde eeuw tot heden. Vanuit Maastricht heeft zijn naam zich verspreid over West-Europa. Tal van kerken zijn aan hem gewijd, soms gesticht door vorsten of door missionerende ordegeestelijken. Sommige van die kerken werden ook zelf middelpunt van een lokale of regionale cultus. Het meeste heil voor lichaam en ziel mocht de Servaasvereerder verwachten van een gang naar Maastricht, de plaats waar de genade-uitstraling het grootst was. Daar kon de pelgrim persoonlijk met de heilige in contact treden door aanraking van de stoffelijke resten of door een bezoek aan zijn graf.
Volgens Jocundus, de elfde-eeuwse biograaf van Servatius, reikte de 'luister van heiligheid van deze zeer gelukzalige man' tot in Spanje. Hij vermelde expliciet de komst van pelgrims uit Lombardije. Opgegraven pelgrimstekens in Engeland, Scandinavië, Duitsland en Frankrijk, daterend van de late twaalfde tot het midden van de zestiende eeuw, bevestigen zijn verhaal. Er zijn bovendien getuigenissen van bezoekers uit diverse streken van Nederland, België, Spanje, Bohemen, Slovenië en Hongarije. Zij kwamen speciaal naar Maastricht, of combineerden hun reis met een bezoek aan Aken, Kornelimünster en andere plaatsen in de omgeving. De verbouwingen van de Servaaskerk in de elfde en twaalfde eeuw, hingen ongetwijfeld samen met de toegenomen aantallen pelgrims die in die tijd van heinde en verre naar Maastricht kwamen. Vooral tijdens het jaarlijkse grote Servaasfeest was de toeloop groot. De festiviteiten duurden van de week vóór tot de week na 13 mei (Servatius' vermeende sterfdatum), en gingen gepaard met een kermis. De 'vrijheid' ging in met het luiden van de vrijklok. Vanaf dat moment konden vreemdelingen en zelfs bannelingen zich vrijelijk in de stad bewegen, zonder angst voor arrestatie of inbeslagname van hun bezittingen. De maatregel diende om de handel in de stad te bevorderen en schijnt ook van kracht te zijn geweest tijdens de latere heiligdomsvaarten. Zij was ook van belang voor al diegenen die door schepenbanken veroordeeld waren tot een strafbedevaart. De oudste bekende strafbedevaart naar Maastricht dateert van 1114. Vooral vanuit de Zuidelijke Nederlanden werden wetsovertreders tot ver in de zestiende eeuw voor 'correctie' naar Maastricht gestuurd. Deze pelgrims moesten bij terugkeer een handgeschreven verklaring kunnen tonen als bewijs dat zij de bedevaart volbracht hadden.
Al die bedevaartgangers moesten aan onderdak en aan eten en drinken worden geholpen. De meeste pelgrims zullen wel bij Maastrichtenaren thuis zijn opgenomen, op basis van wat we nu 'bed and breakfast' noemen. In de twaalfde eeuw besloot de geestelijkheid van de Servaaskerk een deel van die verantwoordelijkheid over te nemen. Zij liet toen dicht bij de kerk aan het Vrijthof, tussen de Platielstraat en de Bredestraat, een gasthuis bouwen. Het Servaasgasthuis was in beginsel uitsluitend bestemd voor minvermogende pelgrims die de Servaaskerk, het graf en de relieken van Servatius als reisdoel hadden. Het werd tot in de eerste helft van de zeventiende eeuw druk bezocht, om uiteindelijk in 1821 te worden gesloopt. Speciaal voor bedevaartgangers uit het noorden die op doorreis waren naar het graf van de apostel Jacobus in Santiago de Compostella, lieten de geestelijken van de Servaaskerk later een tweede gasthuis bouwen. Het heette dan ook het gasthuis van Sint Jacob en beschikte over een eigen, aan deze heilige gewijde kapel. De vroegste vermelding van het Sint Jacobsgasthuis, gelegen op de hoek van de Bredestraat met de Sint Jacobsstraat, dateert van 1429. Het viel in 1803 ten prooi aan de slopershamer.

Heiligdomsvaarten
In de loop van de dertiende en veertiende eeuw ontstonden in veel West-Europese bedevaartplaatsen periodieke reliekentoningen, waaraan speciale aflaten werden verbonden en die enorme aantallen pelgrims trokken. Deze bedevaarten werden achtereenvolgens 'heiligdomsfeest', 'heiligdomskermis' of 'heiligdomsvaart' genoemd. Na 1440 was de laatste benaming het meest gebruikelijk. Een heiligdomsvaart vond (en vindt) plaats in een jubel- of genadejaar, dat met vaste regelmaat (turnus) terugkeert. In het hertogdom Lotharingen, waarvan Maastricht deel uitmaakte, was een zevenjaarlijkse turnus gebruikelijk. Mogelijk gebeurde dit het eerst in Aken en hebben andere plaatsen het voorbeeld gevolgd. De zogenoemde aflaat- of genadetijd (de periode waarin aflaten verdiend konden worden) van de Maastrichtse heiligdomsvaart is al tot stand gekomen in de 13e eeuw, op grond van pauselijke en bisschoppelijke bullen uit 1249 en 1289. Zij liep van 9 tot 23 juli en gold aanvankelijk ieder jaar. 1391 is het eerste jaar waarvan vaststaat dat er in Maastricht een heiligdomsvaart werd gehouden. De volgende vaart vond volgens schema plaats in 1398.
De heiligdomsvaart naar Aken was de belangrijkste in het hertogdom en viel vrijwel samen met die van Maastricht en Kornelimünster. Dat bracht extra grote groepen gelovigen op de been. Pelgrims combineerden de bezoeken en om die reden waren de genadetijden op elkaar afgestemd. Bovendien werden enkele tussenliggende plaatsen onderling verbonden door een statiesysteem, dat dusdanig ontworpen was dat men te voet in één week zeven staties kon doen. Zo was Maastricht een (niet-verplichte) statie in de bedevaart naar Aken, die vooral door pelgrims uit Frankrijk en de Nederlanden werd gekozen, en in mindere mate door pelgrims uit Centraal-Europa. De plaatsen Aldeneik, Luik, Sint-Truiden, Susteren en Tongeren waren staties van zowel Aken als Maastricht. De heiligdomsvaart naar Maastricht was zozeer gekoppeld aan die van Aken dat zij wel als 'Aexsche Vaert' werd aangeduid. De hechte verbondenheid blijkt tevens uit boekjes, toningsformulieren en souvenirs die voor meerdere plaatsen tegelijk golden.
Tijdens de Maastrichtse heiligdomsvaarten toonde men een tiental relieken en reliekhouders die, op één na, alle met Servatius in verband werden gebracht. Het toningsritueel was gelijk aan dat in Aken. De relieken werden - voorzover bekend elke dag éénmaal - vanaf de zogenoemde dwerggalerij aan de buitenkant van de absis van de Servaaskerk door drie kanunniken aan de pelgrims getoond, in vier gangen. Elke gang werd aangekondigd met de woorden 'Men sall uch thoenen ...', waarna een opsomming met korte uitleg volgde. Eerst vertoonde men Servaas' effen witte lijkwade en zijn T-vormige pelgrimsstaf, vervolgens het bewerkte roodzijden kleed (de grafdoek) en de kromstaf van de heilige, daarna de bewerkte witte doek die engelen bij Servaas' verheffing om zijn lichaam zouden hebben gehouden, samen met zijn kelk en pateen. In de vierde en laatste gang werden het borstbeeld van Servaas met zijn schedelreliek, de rechterarm van de apostel Thomas en de monile getoond. Onderwijl werden de klokken geluid, bliezen de stadsblazers op hun instrumenten en de verzamelde pelgrims op hun hoorns. Na de toningen konden de pelgrims in de kerk andere relieken en voorwerpen vereren, zowel van Servaas als van andere heiligen. Deze stonden waarschijnlijk uitgesteld op de vele altaren. Een anonieme bezoeker uit Geraardsbergen in Vlaanderen, beschreef in 1433 hoe het er bij de tombe van Sint Servaas aan toe ging. Hij zag pelgrims languit liggen op de grafsteen, met het gezicht naar beneden, terwijl zij luidkeels hun zonden opbiechtten. In de zeventiende eeuw werd geschreven dat sommigen wel vijfmaal op hun knieën rond het Servaasaltaar kropen, de stenen en het traliewerk kusten en languit liggend gebeden prevelden. Een bezoek aan de crypte was kennelijk voor velen een aangrijpende en emotionele aangelegenheid.
Ook buiten de kerk en vooral op het Vrijthof bleef al de dagen de drukte zeer groot. Daar speelde zich het meer profane gedeelte van de heiligdomskermis af. Een groot deel van het plein was volgebouwd met kramen en allerlei uitstallingen. Er werd door de neringdoenden druk handel gedreven. De muur die het middengedeelte van het plein omgaf, werd voorafgaand aan elke heiligdomsvaart afgebroken zodat deze het zicht op de reliekentoningen niet belemmerde. Vermaak werd ook geboden op de Maas, waar het traditionele 'bestormen van de burcht' plaatsvond. Menigeen liep daarbij onder veel hilariteit een nat pak op.
De heiligdomsvaart van 1496 lokte naar schatting nog honderdduizend pelgrims naar Maastricht. In de loop van de zestiende eeuw nam de belangstelling voor de heiligdomsvaarten af. De Reformatie deed ook hier haar invloed gelden. Herhaaldelijk werden de heiligdomsvaarten afgelast in verband met de politieke en religieuze onrust van die dagen. In 1594 werden de relieken waarschijnlijk voor het laatst vanaf de dwerggalerij getoond. Wel trokken herhaaldelijk noodprocessies door de straten, waarin behalve de noodkist en het borstbeeld ook de kelken, de beide staven en de sleutel van Sint Servaas werden meegedragen.
Na de inname van de stad door Frederik Hendrik in 1632 kwam Maastricht deels onder Staats gezag. Hoewel de katholieken hun godsdienst mochten blijven uitoefenen, dienden uitingen van katholicisme in de publieke ruimte beperkt te blijven. Uit voorzorg werden de relieken van de Servaaskerk in 1634 in veiligheid gebracht in Luik, waar ze bleven tot 1654. In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw, de tijd van de 'Verlichting', ebde de belangstelling voor relieken vooral onder intellectuelen helemaal weg. De 'gewone' gelovige hield nog vast aan zijn vertrouwen in de magische wereld van de heiligen. Hoewel de grote heiligdomsvaarten waren verdwenen, bleef het gebruik om de relieken zo nu en dan binnen de kerk te tonen gehandhaafd.
In de 19e eeuw brak een nieuwe bloeiperiode aan. Na een voorzichtige aanloop in de eerste helft van de eeuw, werd de heiligdomsvaart in 1874 in ere hersteld. De relieken worden sindsdien in de kerk getoond en meegedragen in een grote ommegang. Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw, is de bekendheid van de Maastrichtse heiligdomsvaart de provincie Limburg en het aangrenzende buitenland ontstegen. De heiligdomsvaart van 1997 trok circa 100.000 bezoekers. Dat aantal werd in 2004 nog eens ruim overtroffen.

Queeste: Onze vraag aan de Maastrichtse geschiedenis.
Heeft onze Maastrichtse Sint Servatius eigenlijk wel echt bestaan?

(Enkele opmerkingen ter toelichting: Dit is een vraag die ook gesteld kan worden rond Jacobus die in Santiago de Compostella vereerd wordt, en talloze andere heiligen. Zie ook het immens populaire 'De DaVinci-code' van Dan Brown. Al die heiligenlevens en legenden zijn zo vaag en de bewijzen zo flinterdun, dat ieder met die verhalen aan de haal kan gaan. In 1994 heeft Régis de la Haye gepleit voor een C-14 analyse van het aan Servatius toegeschreven botmateriaal. Die dateringsmethode is in een eerder stadium toegepast op de resten van andere Maastrichtse bisschoppen. Maar bij Servaas ligt dat blijkbaar wat gevoeliger, want tot nog toe is het daar niet van gekomen. Plat gezegd: Servaas was en is handel. Wat indien blijkt dat de botten stammen uit de achtste of negende eeuw?)

Servatiusschrijn/Noodkist: Het 12e-eeuwse Servatiusschrijn is vervaardigd van eikenhout, beslagen met rijkbewerkt verguld koper en bezet met kristallen en edelstenen. Het geldt als één van de hoogtepunten in de Romaanse smeedkunst van het Maasland. In de kist bevindt zich een deel van Servaas' gebeente en overblijfselen van zijn kleding. Ook worden er relieken van andere (veronderstelde) bisschoppen van Tongeren en Maastricht in bewaard. Het centrale thema van de voorstellingen op het schrijn is het laatste oordeel. De zogenoemde voorgevel toont Christus gezeten op zijn troon. De zijpanden verbeelden elk zes apostelen, de mederechters van Christus. De voorstellingen op de beide schuine dakvlakken zijn geheel aan de voltrekking van het laatste oordeel gewijd. Het vlak rechts van Christus geeft taferelen van de beloning der uitverkorenen, het linkervlak toont de verdoemden. Sint Servatius tenslotte siert de korte sluitzijde, vergezelt van twee engelen die hem het kleed van onsterfelijkheid omhangen. Al in de middeleeuwen richtte de verering zich vooral op het graf van Sint Servaas en het Servatiusschrijn, meer dan op het hoofd van de heilige. Het schrijn heeft echter nooit een rol gespeeld in de reliekentoningen tijdens de heiligdomsvaarten. In de late middeleeuwen werd de kist uitsluitend in processie door de stad gedragen wanneer deze in nood verkeerde. Aan die functie dankt het zijn bijnaam: de 'Noodkist'. De vier gevelstukken die vroeger naast het schrijn in het altaar stonden opgesteld, zijn in 1843 verkocht en bevinden zich momenteel in Brussel (Koninklijke Musea voor Geschiedenis en Kunst).

Reliekbuste/borstbeeld: De reliekbuste van Sint Servaas dateert oorspronkelijk van omstreeks 1400, maar werd na ernstige beschadiging bij het beleg van Maastricht in 1579 op kosten van de hertog van Parma ingrijpend hersteld. Het holle beeld is vervaardigd van verguld koper en bevat de schedel van de heilige, met uitzondering van gedeelten van zijn onderkaak. Het voetstuk met kopieën van de originele gotische reliëfs werd in 1908 vervaardigd door August Witte in Aken. De acht reliëfs stellen scènes voor uit het leven van Sint Servatius. Het borstbeeld werd in de noodprocessies meegevoerd, voorafgaand aan de Noodkist en maakte deel uit van de reliekentoningen tijdens de heiligdomsvaarten.

Servaassleutel: De rijkbewerkte Servaassleutel van gegoten zilver geldt sinds zijn eerste vermelding in de 11e eeuw door Jocundus, als het voornaamste attribuut van Sint Servatius. De sleutel is vermoedelijk vervaardigd in Trier aan het eind van de negende eeuw. Volgens de vrome traditie ontving Servatius de sleutel van Sint Petrus, en verkreeg zo macht over de toegang tot de hemel. In de 12e eeuw werd voor het eerst verhaald dat Maastrichtse priesters deze sleutel gebruikten om de akkers te reinigen van veldmuizen, ratten en wormen, niet alleen in de buurt van Maastricht, maar ook in de Haspengouw, de Kempen en zelfs Saksen. De sleutel werd meegevoerd in verschillende processies. In de late middeleeuwen zat rond 13 mei een geestelijke met de sleutel in de kerk voor het Servaasbeeld, waarschijnlijk om de bezoekers ermee te zegenen. Op Goede Vrijdag werd met de sleutel en een kruisreliek water gewijd voor uitdeling aan de gelovigen.

Bisschops- en pelgrimsstaf: De beide staven van Servaas werden bij de heiligdomsvaarten aan het verzamelde volk getoond en in de grote processies meegevoerd. De bisschopsstaf zou volgens de legende hebben toebehoord aan Servaas' voorganger Valentinus, en hem de macht hebben gegeven ziekten te verlichten en zonden weg te nemen. De staf is vervaardigd uit hout; het gekrulde uiteinde is van ivoor. Op de vergulde rand onder de knop is te lezen: 'Baculus sancti Servatii' (staf van Sint Servaas). De staf is in de twaalfde eeuw door het kapittel verworven ter vervanging van een oudere kromstaf van Servaas, die aan Hendrik de Vogelaar (-938) ten geschenke was gegeven voor zijn klooster in Quedlinburg. Ook de pelgrimsstaf is van hout en wordt bekroond met een kunstig bewerkte ivoren handgreep. Hij heeft mogelijk toebehoord aan een van de negende-eeuwse abten van de St. Servaas. Vanaf de dertiende eeuw werd aangenomen dat Servaas met deze staf op de terugreis uit Rome een bron heeft doen ontspringen bij het dorpje Biesland en een draak heeft gedood.

Drinkbeker: De drinkbeker van Servaas is een Romeinse geribde kom van paars-wit gemarmerd millefiori-glas uit de eerste eeuw. De beker is pas omstreeks 1400 aan Servaas toegeschreven, maar speelde een belangrijke rol in het volksgeloof omdat het drinken eruit koorts en ziekte zou genezen. Op hoogtijdagen (en op verzoek) kon men in de kerk uit de beker drinken. Bij een van die gelegenheden is de kom in stukken gevallen. In de 17e eeuw is voor de brokstukken een zilveren houder op een voet gemaakt, de zogenoemde 'ananasbokaal'. Zo konden gelovigen nog steeds van het water drinken dat met de beker van Sint Servaas in aanraking was geweest. In 1918 werden de glazen brokstukken gelijmd: één vijfde deel bleek verloren gegaan. Sinds 1874 eeuw wordt de beker weer in processies meegevoerd.

Borstkruis: Dit borstkruis met een ivoren Corpus Christi is gemaakt uit kersenhout, bedekt met edelmetalen platen en gedecoreerd met een rand van emails en (half-)edelstenen. Boven het corpus, waarvan de voeten ontbreken, is waarschijnlijk een ouder gouden borstkruisje gemonteerd geweest. In een holte bevinden zich partikels van het Heilig Kruis en relieken van verschillende heiligen. Het borstkruis is vermoedelijk in 1039 door keizer Hendrik III geschonken. In 1403 schreef hertog Hendrik van Beieren zijn wonderbaarlijke genezing toe aan dit kruis. Op het moment dat hij genas van podagra (jicht in de voet) zouden de voeten van het Christuscorpus gevallen zijn. Het kruisje hing waarschijnlijk aan het borstbeeld van Servaas. Vanaf het eind van de 15e eeuw kon het op hoogtijdagen vereerd worden in de koningskapel.

Monile: de monile van Sint Servaas was een gouden reliekenhanger met daarin een ovaal kristal. Naast een splinter van het Heilig Kruis en enkele andere relieken, bevatte dit borstsieraad een kleine zilveren crucifix dat door de evangelist Lucas zou zijn vervaardigd. De moeder Gods zou de hanger hebben gedragen en de patriarch van Jeruzalem zou hem aan Servaas geschonken hebben. Maastrichts eerste bisschop gold immers als een bloedverwant van de Heilige Familie. Jocundus maakte als eerste melding van de reliekenhanger. In de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw werd de monile, samen met een negental andere relieken en reliekhouders vanaf de dwerggalerij van de Servaaskerk aan de verzamelde heiligdomsvaarders getoond. De monile werd meegevoerd in grotere processies en op hoogtijdagen in de koningskapel uitgesteld. De hanger is omstreeks 1800 verloren gegaan.