Rood versus Blauw
In de loop van de negentiende eeuw zag Maastricht zijn inwonertal praktisch verdubbelen. In 1802 werden ongeveer 20.000 inwoners geteld, in 1900 ruim 34.000. Die groei was zowel te danken aan een hoog geboortecijfer, als aan de gestage stroom van verarmde plattelandsbewoners die in de stad werk hoopte te vinden. Die hoop bleek voor velen ijdel. Vóór 1835 was de economie van de stad voornamelijk op het garnizoen toegespitst. In 1829 werden in de stad 163 kleine bedrijfjes geteld die samen aan 391 mensen werk verschaften. Zij hielden zich voornamelijk bezig met de verwerking of bewerking van agrarische producten uit de omgeving. Het onderwijs was op alle gebieden slecht, waardoor het ontbrak aan geschoolde arbeiders. Ongeschoolde arbeiders vonden incidenteel werk in grote projecten, zoals de bouw van de binnenhaven Bassin en de aanleg van de Zuid-Willemsvaart. Gemiddeld dertig procent van de bevolking leefde van de bedeling. Slechts vijf procent van de Maastrichtenaren was vermogend. Na de Belgische afscheiding verloor het garnizoen snel aan betekenis waardoor de startende industriële ondernemers konden putten uit een enorm reservoir werkloze arbeidskrachten. De werkgelegenheid in de nieuwe grootindustrieën woog aanvankelijk niet op tegen het verlies aan werk in de oude bedrijven. Ongeletterd, weinig gedisciplineerden vaak zwak van gestel bleken veel Maastrichtenaren slecht toegerust voor een leven in een industriële omgeving. Hun productiviteit was gering en de lonen waren laag. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de armoede duidelijk toe. Ongeveer de helft van de stadsbewoners was in het bezit van een bewijs van armoede, dat werd verstrekt door het Burgerlijk Armbestuur. Het gaf recht op hulp in de vorm van voedsel, kleding of steenkool. Daarnaast kon de arme Maastrichtenaar bij tijd en wijle rekenen op noodhulp van de vele particuliere liefdadigheidsinstellingen. Geven aan de sjariteit, was een deugd die door de gegoede burgers met enthousiasme werd beoefend. Een duidelijk zicht op het armoedeprobleem hadden die burgers doorgaans niet. In het dagelijks leven verkeerden rijk en arm in strikt gescheiden werelden.
Gezondheidszorg
Ingeklemd achter de muren van de vesting barstte Maastricht aan alle kanten uit zijn voegen. Vooral in de volksbuurten hoopte de bevolking zich op in uitgeleefde huizen die door hun eigenaren per kamer en tegen vaak hoge prijzen werden verhuurd. Van openbare hygiëne had men weinig weet. Veel huizen beschikten niet over een privaat en overal in de stad, in straten en op erven, lagen mestvaalten en stapels huisvuil. Het drinkwater uit de openbare waterpompen was dan ook zelden betrouwbaar. Met ijzeren regelmaat werd de stad getroffen door besmettelijke ziekten als cholera en tyfus. Zodra zich één van deze ziekten openbaarde, nam het stadsbestuur preventieve maatregelen. Eén van die maatregelen betrof het aanplakken van biljetten met raadgevingen aan de bevolking. Veel effect had dat niet. Vooral in de overvolle volkswijken waren vaak grote aantallen dodelijke slachtoffers te betreuren. Hoewel het stadsbestuur regelmatig aandacht besteedde aan de verbetering van de afvalverwijdering, de riolering en de drinkwatervoorziening, bleven afdoende maatregelen door gebrek aan kennis en geld achterwege. De bestuurders meenden dat zij slechts een politionele taak hadden en niet waren geroepen om de samenleving te veranderen of de welvaart te bevorderen. Welvaartsontwikkeling, gezondheidszorg en volkshuisvesting werden overgelaten aan het vrije spel van de economische krachten van vraag en aanbod.  De Maastrichtse ondernemers trokken er niet erg aan de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van de verpauperde arbeidersmassa op zich te nemen, al erkenden zij het belang en de noodzaak van goede arbeidershuisvesting. Als zij al initiatieven op dit vlak namen, lieten zij zich voornamelijk leiden door bedrijfseconomische motieven. Gedurende de opbouwfase van hun bedrijven waren de Maastrichtse fabrikanten genoodzaakt geschoolde arbeidskrachten aan te trekken van elders, voornamelijk uit Wallonië. Deze werden met gunstige arbeidsvoorwaarden, zoals gratis medische verzorging en "vrije woning" naar Maastricht gelokt. Voor de huisvesting van het ongeschoolde, veelal uit de stad zelf afkomstige productiepersoneel, hadden de fabrikanten nauwelijks belangstelling. Alleen bij hoge uitzondering werden voor deze groep eenkamerwoningen gebouwd in huurkazernes van drie of vier verdiepingen. Deze lagen vrijwel altijd dicht bij de fabrieken, zodat de arbeiders op afroep snel beschikbaar waren.

Woningnood

In 1866 woonden drie à vierduizend Maastrichtse arbeiders dicht opeengepakt in de bestaande woningvoorraad, doorgaans in huizen die waren opgehoogd en uitgebreid. Het besluit de vestingstatus van de stad op te heffen, werd dit dan ook met veel blijdschap begroet. Niet alleen de arbeidersbevolking keek naar de aangekondigde ontmanteling van de vestingwerken uit. Ook de fabrikanten ondervonden veel hinder van de knellende banden die verdere uitbreiding van hun bedrijven in de weg stonden. In de winter van 1867/68 werd met de sloop van de voornaamste toegangspoorten begonnen en nog geen jaar later was Maastricht een open stad. Wie verwachtte dat hiermee de volkswoningbouw van gemeentewege eindelijk krachtig ter hand zou worden genomen kwam bedrogen uit. Toen de gemeente in 1881 de vestinggronden voor bijna twee ton in bezit kreeg had het welvarende deel van de Maastrichtse burgerij, met de hulp van de gemeenteraad, zich de vrijgekomen ruimte al toegeëigend. Al eerder had het stadsbestuur de Maastrichtse industriëlen in staat gesteld hun bedrijven uit te breiden buiten de voormalige stadswallen. Na 1881 bood de gemeente de nieuwe stedelijke elite van medici, juristen en industriëlen de kans de overbevolkte stad te verlaten door hen gronden aan te bieden buiten de voormalige Sint-Pieterspoort en in de Stationsbuurt in Wijck voor de bouw van luxe villa's. Het stadsbestuur rekende de bouw van arbeiderswoningen nog steeds tot de taken van de fabrikanten.
De eerste arbeiderswoningen
Tussen 1869 en 1879 werd in de stad geen enkele woning gebouwd. Sterker nog: door de sloop van een aantal woningen die tegen de vestingmuren waren aangebouwd daalde de huizenvoorraad tot een absoluut dieptepunt. Mede tengevolge van de toename van de bevolking steeg zodoende het gemiddeld aantal inwoners per huis tot 11,4. Voor de fabrikanten bestond er niet langer een directe bedrijfseconomische noodzaak voor het bouwen van arbeiderswoningen; in de woonbehoefte van de selecte groep geschoolde arbeiders was reeds voorzien. Het woningvraagstuk was dan ook eerder een sociaal dan een industrieel probleem. Desondanks besloten een aantal fabrikanten, de Regouts voorop, de handen ineen te slaan en hun goede wil te tonen. In 1878 bouwde de Maastrichtsche Bouwvereeniging, een clubje waarin Louis Regout een prominente rol speelde, enkele tientallen arbeiders huisjes aan het Lindenkruis, de Maagdendries en de Herbenusstraat. Twee jaar later stichtte Petrus II Alexander Regout op een terrein grenzend aan dat van de papierfabriek een wijkje voor zijn glasblazers. Hij noemde het wijkje naar zijn echtgenote: "Quartier Amélie", maar in de volksmond heette het al gauw "Krejjedörrep", naar de sintels die gebruikt werden om de straten te bedekken. Verdere bouwinitiatieven bleven uit door gebrek aan medewerking van het stadsbestuur. Pas in 1899 slaagde de vereniging 'Arbeiderswoningen", opgericht en bestuurd door notabelen, er met de steun van de Maastrichtse geestelijkheid in nog eens 34 woninkjes te bouwen aan de Statensingel en de Herbenusstraat. Daarmee was de kous af. Datzelfde jaar toonde de eerste algemene woningtelling aan, dat Maastricht een van de meest verpauperde steden in het land was. Maar liefst 63,5 procent van de woningvoorraad bestond uit een- en tweekamerwoningen. Bijna 60 procent van de bevolking was op deze woningen aangewezen en leefde in kommervolle omstandigheden. In het laatste kwart van de negentiende eeuw heerste in Maastricht nog de rust van voorbije eeuwen. Onaangeroerd door de elders in Europa steeds luider klinkende roep om sociale gerechtigheid, leefden de Maastrichtenaren nog in de volle overtuiging dat God zelf de standen had gewild. De gehele Maastrichtse samenleving, inclusief de arbeiders, was in wezen oerconservatief en aanvaardde de maatschappelijke ordening zoals zij was. De grote Maastrichtse bedrijven beleefden in de jaren voor 1880 gouden tijden, hetgeen ook - zij het in beperkte mate - tot uiting kwam in betere voorzieningen voor de arbeiders. Na 1880 zette echter een economische crisis in, en kwam het wankele bootje van de Maastrichtse economie in zwaar weer terecht. De industriëlen reageerden met bezuinigingen en spoedig sloegen de eerste arbeiders over boord. Opeenvolgende loonsverlagingen en ontslagen deden de sociale spanningen in de stad merkbaar oplopen, al bleef de onvrede nog ongericht. Juist in die dagen streek de jonge letterzetter Willem Vliegen in de Limburgse hoofdstad neer om er de zegeningen van het socialisme te verkondigen.
Willem Hubert Vliegen
Willem Hubert Vliegen (1862-1947) was afkomstig uit Gulpen, waar hij direct na zijn lagere schooltijd ging werken als letterzetter in een drukkerij. Om zich verder te bekwamen trok hij naar Luik en Amsterdam. In die steden raakte Vliegen ervan overtuigd dat de maatschappij aan een diepgaande verandering toe was. Hij sloot zich aan bij de socialistische beweging. Vliegen's komst naar Maastricht in 1884, werkte als een steen in een roerloze vijver. In korte tijd wist hij een flink aantal Maastrichtse arbeiders voor zijn ideeën te winnen. In de bedrijven werden onafhankelijke vakverenigingen opgericht die om meer loon en betere arbeidsomstandigheden vroegen. Spoedig volgden de eerste stakingen en werd het ook onrustig in de straten. Toch bleef het aantal overtuigde socialisten beperkt tot een man of vijftig. Doorlopend moesten zij een beroep doen op partijgenoten uit het noorden om te helpen met geld en leiders. De politie hield het doen en laten van "de roden", nauwlettend in het oog. De plaatselijke pers schreef ze de grond in. Pastoors en paters waarschuwden hun kudde, "de blauwen", voor het rode gevaar en dreigden met sancties. Pas de invoering van het algemeen mannenkiesrecht in 1917 en het kiesrecht voor vrouwen in 1919, zouden de politieke verhoudingen in de stad doen kantelen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1920 wisten de socialisten bijna een derde van de raadszetels te veroveren. Werkelijke invloed in de gemeentelijke politiek kregen zij eerst na 1945. De eerste Maastrichtse vakverenigingen werden door de arbeiders zelf opgericht. Zij verklaarden zich nadrukkelijk neutraal en stonden open voor alle gezindten. De reactie van de katholieke burgerij beperkte zich aanvankelijk tot tegenwerking en afweer. Erg gecoördineerd ging dat niet. Eerst werd naar Amsterdams voorbeeld een Rooms-katholieke Volksbond gesticht (1892) voor kleine burgers en ambachtslieden. De arbeider vond er weinig gehoor en bleef weg. Vervolgens werden er katholieke vakverenigingen opgericht, maar die hadden meer het karakter van gezelligheidsverenigingen annex ziekenkassen. Het betekende wel dat de arbeidersbeweging verdeeld raakte en aan kracht inboette. In 1895 en 1896 mislukten twee door de onafhankelijke vakverenigingen georganiseerde stakingen in de aardewerk- en glasfabrieken dan ook jammerlijk. De leiders van de Maastrichtse socialisten, verlieten de stad. De arbeiders bleven in verwarring achter. Na zijn vertrek uit Maastricht in 1897, vervulde Willem Vliegen een groot aantal functies in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Die partij heeft hij jarenlang vertegenwoordigd in de gemeenteraad vanAmsterdam, en in de Eerste en Tweede Kamer. Een monument op het Brandenburgerplein houdt zijn naam hoog. De pen boven zijn hoofd verwijst naar zijn journalistieke arbeid. Naast politicus was hij ook publicist en geschiedschrijver van de Nederlandse arbeidersbeweging. In 1897 leek het socialisme in Maastricht verslagen. Een klein groepje getrouwen hield vol. Door tegenwerking waren zij jarenlang niet in staat een behoorlijke zaal te huren voor hun bijeenkomsten. Met de hulp van bemiddelde partijgenoten kon uiteindelijk het pand Bogaardenstraat 27 worden aangekocht en ingericht als verenigingslokaal. Dit "Volkshuis" werd op 5 augustus 1900 geopend en bevatte naast vergaderruimten en repetitielokalen voor de harmonie Ster der Toekomst en de toneelclub Kunst en Propaganda, ook een coöperatieve winkel. Het Volkshuis werd later uitgebreid met een beheerderswoning, een bakkerij en een café. In 1916 werd het oorspronkelijke gebouw geheel gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Vanuit de Boogaardenstraat hebben de Maastrichtse socialisten jarenlang gewerkt aan de herleving van hun beweging. Het Volkshuis bleef tot 1958 in gebruik. In 1960 werd het complex verkocht, waarna het ten prooi viel aan verval. In 1983 werden de leegstaande gebouwen gekocht door de woningcorporatie "Beter Wonen". Deze van oorsprong socialistische vereniging was haar geschiedenis in 1915 in het Volkshuis begonnen. Na gedeeltelijke sloop toverde Beter Wonen het voormalige Volkshuiscomplex om tot eenentwintig woningen. Alleen de voorgevel uit 1916 en een ingemetselde plaquette roepen nog herinneringen op aan het voormalige socialistische hoofdkwartier.
De Volksbond
Toen de Maastrichtse socialisten na de eeuwwisseling aan een nieuwe opmars begonnen, kon het katholieke kamp niet langer volstaan met dreigementen en tegenwerking. Eindelijk was men bereid iets aan de vele maatschappelijke misstanden te doen, maar dan wel voor eigen kring en onder strakke leiding van de bisschop. De jonge kapelaan J.M. Souren van de Sint Martinusparochie in Wijck en het gemeenteraadslid mr. Charles Ruijs de Beerenbrouck, hebben zich in dat verband bijzonder onderscheiden. Beide mannen stonden aan de basis van de transformatie van de Volksbond tot een echte (overkoepelende) arbeidersorganisatie. Tot vakbondsacties zou het voorlopig nog niet komen. Dat was ook niet mogelijk, zolang de werkgevers de vakorganisaties niet wensten te erkennen. Voorlopig richtte de Volksbond zich op "de beveiliging van de werkmansstand en de kleine burgerij tegen de maatschappelijke dwalingen van de tegenwoordige tijd" en op de verbetering van de levensomstandigheden van haar leden. De stichting van de "spaarbouwvereniging Sint Servatius" vormde in dat kader de opmaat, niet veel later gevolgd door de oprichting van de coöperatieve verbruiksvereniging "De Ster" (1902), een Fonds voor Arbeidersbelangen (1903), een Secretariaat van de Arbeid (1903), een katholieke arbeidsbeurs (1904) en de opening van het arbeiderscentrum "De Stuers" aan de Kruisherengang (1904). Al die instellingen kunnen worden beschouwd als tegenhangers voor de activiteiten die de socialisten vanuit hun Volkshuis ontplooiden. Het was het begin van de verzuiling, die tot ver in de jaren vijftig het openbare leven zou beheersen. De spaarbouwvereniging Sint Servatius moest het katholieke paradepaardje worden, maar zij werd dat pas echt na de eerste wereldoorlog. In 1904 werd de vereniging hervormd en aangepast aan de eisen van de Woningwet. Deze wet was in 1901 van kracht geworden en maakte het mogelijk met rijkssteun goede en gezonde woningen te bouwen voor mensen met een smalle beurs. Ondanks alle goede bedoelingen kreeg de vereniging in die beginjaren weinig medewerking van het stadsbestuur, dat geen arbeidershuisjes duldde in de nabijheid van burgerwoningen. In 1907 kon Sint Servatius de eerste Maastrichtse woningwetwoningen opleveren, in wat later het Blauw Dorp zou worden genoemd. Om de gevreesde overlast en waardevermindering van de "betere" huizen te voorkomen, werden stringente bouwvoorschriften gehanteerd en zorgde Servatius voor een zorgvuldige selectie van de huurders. Alleen de voorhoede van de katholieke arbeiders kwam in aanmerking voor een verenigingswoning. Mensen met een geregeld inkomen, en van onbesproken gedrag.
Nieuwe woningnood
De Eerste Wereldoorlog bracht nieuwe woningnood, waartegen ook de inspanningen van de in 1915 opgerichte socialistische bouwvereniging "Beter Wonen", weinig konden uitrichten. Pa na de legendarische "Noodkist-rede" van de katholieke voorman dr. H.A. Poels, waarin de laksheid van de katholieke elite in scherpe bewoordingen werd gehekeld, kwam Maastricht in beweging. Nieuwe bouwverenigingen dienden zich aan, en met krachtige steun van de rijksoverheid, werd de woningvoorraad in de stad in luttele jaren uitgebreid met zo'n 1.700 nieuwe woningen. Meer dan duizend van die nieuwe woningen werden gerealiseerd door de bouwverenigingen, Sint Servatius voorop. Tot 1940 was de volkswoningbouw vooral georganiseerd op plaatselijke of gemeentelijke schaal en per levensbeschouwing of "zuil". De rijksoverheid speelde een rol op de achtergrond. Na de Tweede Wereldoorlog zou alles anders worden. De volkshuisvesting werd een taak en een instrument van rijksbeleid en de bouwverenigingen deden een stapje terug. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd Maastricht, dat zich altijd al een buitenbeentje had gevoeld, meer en meer geïntegreerd in de Nederlandse Staat. Dat proces was eigenlijk al in 1840 begonnen, maar met weinig enthousiasme van beide kanten. Naarmate de Nederlandse overheid echter meer in het alledaagse leven van de onderdanen begon in te grijpen, werd ook de stad Maastricht nauwer betrokken bij bovenstedelijke en nationale ontwikkelingen. Door de invoering van de algemene dienstplicht, de toenemende landelijke eisen voor volkshuisvesting, arbeidsveiligheid, gezondheidszorg en onderwijs, strekte die nationalisering zich langzamerhand uit tot alle terreinen van het gemeentelijke openbare leven. "Jan met de pet" kon daarvan in de jaren vóór de tweede wereldoorlog nog weinig vruchten plukken. De rechtspositie van de arbeiders bleef zwak, doordat tachtig tot negentig procent van hen niet georganiseerd was. Het lidmaatschap van een vakbond kostte alleen maar geld en veel kreeg men er niet voor terug. De voortdurend opgeklopte tegenstellingen tussen katholieken en socialisten en het bevoordelen van "plichtsgetrouwe" katholieke werknemers verzwakten de positie van de Maastrichtse arbeider nog meer. Als hij of zij al lid werd van een bond, dan was het verstandig te kiezen voor een katholieke, al was die juist het minst strijdbaar tegenover de werkgevers.
Arbeidsconflicten
Tussen 1910 en 1940 werden in de Maastrichtse bedrijven enkele tientallen arbeidsconflicten uitgevochten. Meestal legden de stakers voortijdig het hoofd in de schoot. Tweemaal weigerden zij dat en beide keren ging het om een staking bij de Maastrichtse Zinkwitmaatschappij. De leiding van dit bedrijf wees elke vorm van samenspraak of samenwerking met de arbeidersorganisaties af. Die afwijzing vormde de achtergrond tot de twee verbitterde conflicten van 1919 en 1929. Er was echter één groot verschil. In 1919 maakten de katholieken en socialisten gezamenlijk front tegen de werkgever voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden, en wonnen. In 1929 stonden zij al gauw lijnrecht tegenover elkaar. Doordat de geestelijkheid bij de werkgever bemiddelde, won de katholieke bond. Zijn leden gingen weer aan het werk, maar de socialisten staakten door en beletten hen het fabrieksterrein te verlaten. Bijna een maand lang verbleven de werkwilligen in de fabriek. Daarna, vanaf half september werden zij onder politiebegeleiding van en naar de fabriek gebracht. In de stad kwam het tot relletjes, waarbij soms rake klappen vielen. De politie kwam handen tekort en bereidde daarom een actie voor die in één klap een einde moest maken aan alle onrust. Door slechte planning kwam het in de late avond van 16 oktober tot een noodlottig schietincident, waarbij een arbeider en een politieagent dodelijk werden getroffen. Vier weken later was de staking verleden tijd, maar de wrok tegengezag en geestelijkheid zou nog jarenlang ondergronds blijven doorsmeulen.