Rood vs Blauw
De hoge baksteen gevel van het huis op de hoek van de Boogaardenstraat en de Uitbelderstraat, doet denken aan een middeleeuwse toren. Het is een uiting van de trots en de vastberadenheid van de Maastrichtse socialisten, die hier in 1900 hun hoofdkwartier, hun "Volkshuis",vestigden. Het Volkshuis was een direct gevolg van de tegenwerking die de socialisten in het katholieke Maastricht ondervonden. Jarenlang was niemand bereid hen een zaaltje te verhuren voor bijeenkomsten.

De voorgeschiedenis van het Volkshuis begon met de jonge Gulpenaar Willem Hubert Vliegen. Opgeleid tot typograaf kwam hij in 1884 vanuit Amsterdam de rode vlag van het socialisme planten in Maastricht.

Zijn komst was niet toevallig. In de voorgaande decennia was Maastricht uitgegroeid tot een industriestad waarin een omvangrijke arbeidersbevolking leefde in rechteloosheid en extreme armoede. Vliegen hoopte de arbeiders zelfbewuster te maken en tot opstand te bewegen.
Het bestuur van de stad was altijd een zaak van de gegoede burgerij geweest. Als zij zich al bewust was van de problemen, dan ontbrak de kennis en het geld er iets aan te doen. In de volksbuurten hoopte de bevolking zich op in uitgeleefde een- en tweekamerwoninkjes.

De hygiëne was navenant: cholera en tyfus maakten regelmatig veel slachtoffers. De arbeidersbevolking was slecht gevoed, grotendeels ongeschoold en weinig gedisciplineerd.

De Maastrichtenaren moesten daarom vaak genoegen nemen met de slechtstbetaalde baantjes. Vakbekwame arbeiders werden buiten de stad geworven. Ongeveer de helft van alle inwoners leefde op of onder de armoedegrens. Om niet totaal te verkommeren waren veel mensen aangewezen op het Burgerlijk Armbestuur en de liefdadigheidsinstellingen. Slechts een enkele priester nam het op voor de minst bedeelden, zoals kapelaan Jan Wijnen van de Mathiaskerk in de Boschstraat. Met zijn aanklacht tegen kinderarbeid en zijn steun voor gehuwde werkende vrouwen, gaf hij een eerste aanzet tot bewustwording van de arbeiders.

Dat ging de socialisten heel wat beter af. Gesterkt door hun geloof in een betere wereld, trokken Vliegen en de zijnen enthousiast ten strijde voor de verheffing van de industriearbeider en tegen het kapitalisme.

Met hun manifestaties, optochten en pamfletten brachten zij de hele Maastrichtse samenleving in rep en roer. In de bedrijven werden onafhankelijke vakverenigingen opgericht die om meer loon en betere arbeidsomstandigheden vroegen. Spoedig volgden de eerste stakingen en werd het ook onrustig in de straten.

De politie hield het doen en laten van "de roden" nauwlettend in het oog. De plaatselijke pers schreef ze de grond in. Pastoors en paters waarschuwden hun kudde, "de blauwen", voor het rode gevaar en dreigden met sancties.

Toch wisten de onafhankelijke vakverenigingen in korte tijd vrijwel alle Maastrichtse arbeiders aan zich te binden. Toen de fabrikanten echter weigerden op hun eisen in te gaan en de burgerij zich haastte katholieke arbeidersorganisaties op te richten, was het snel gedaan met de solidariteit. Een deel van de arbeiders werd lid van de katholieke vakverenigingen. De rest zag af van verdere actie en bleef inverwarring achter.

Na 1900 werd eindelijk iets aan de maatschappelijke misstanden gedaan. De eerste initiatieven gingen uit van de socialisten, maar de katholieken namen het stokje snel over.

Het bisdom benoemde kapelaan J. M. Souren tot "aalmoezenier voor de arbeiders". Onder zijn leiding kreeg het socialistische arbeiderscentrum, de socialistische verbruikscoöperatie, socialistische scholing, pers en propaganda, een katholieke tegenhanger. De woningbouwvereniging Sint Servatius werd het paradepaardje. In 1907 bouwde Servatius de eerste gezonde arbeidersbuurt in de stad. Souren noemde het katholieke wijkje "Blauw Dorp". In 1918 bouwden de socialisten er hun eigen straten pal naast. Een muur hield beide groepen van elkaar gescheiden. Vier jaar later kregen de socialisten hun "Rood Dorp", aan de overkant van de Maas.

Al die jaren bleef het aantal overtuigde socialisten beperkt tot een man of vijftig. Toch genoten zij, ook onder katholieken, in stilte veel sympathie.

Dat bleek tijdens de eerste gemeenteraadsverkiezingen na de invoering van het algemeen kiesrecht, in 1920. Na een felle campagne, waarin de partijen elkaar met pamfletten en affiches bestookten, wisten de socialisten bijna een derde van de raadszetels te veroveren. De strijd tussen rood en blauw leidde nog één keer tot een directe confrontatie. Tijdens een staking bij de Maastrichtse Zinkwitmaatschappij in 1929, vielen bij rellen twee doden.