Industrialisering
In 1815 werd Maastricht de hoofdstad van de nieuwe provincie Limburg. Tot 1830 maakte de stad deel uit van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Het bleef in de 19e eeuw een kleine stad met omstreeks 1840 circa 20.000 inwoners en 75 jaar later bijna 40.000. Aan het eind van de 19e eeuw bestond de bevolking voor circa 50% van uit fabrieksarbeiders.

De vesting werd uitgebreid met het fort Willem I en de Lage Fronten tussen 1815 en 1818. Maar als garnizoensstad had ze haar langste tijd gehad. Tot medio de jaren 1820 dreef de economie op het garnizoen. Grote veranderingen kondigden zich aan toen de stad ging industrialiseren.

Na de Belgische Opstand van 1830 koos heel Limburg de kant van de Belgische opstandelingen. Maastricht bleef voor het noorden behouden, omdat er een garnizoen was onder leiding van generaal Dibbets. De Maastrichtse bevolking was overigens Belgisch gezind.




De sphinx
De handelaar in glas en keramiek, Pertus Regout (1801-1878), maakte handig gebruik van de oorlogssituatie. Hij werd fabrikant. Eerst stichtte hij een kristalslijperij, vervolgens een glasblazerij en in 1836 een aardewerkfabriek aan de Boschstraat, vanaf 1899 bekend als De Sphinx. Hij gaf Maastricht een nieuwe identiteit: eerste industriestad van ons land. Circa 1850 werkten er 600 arbeiders bij Regout, in 1865 was dat aantal opgelopen tot meer dan 2.000 arbeiders.
De industrialisatie werd voortgezet. In 1850 ging op de Wycker Maasoever aardewerkproducent Sociéte Céramique van start. Een jaar later werd de papierfabriek van Lhoëst geopend, later KNP genoemd. Rond 1865 werkten er respectievelijk tweehonderd arbeiders bij de Société en ruim zevenhonderd bij Lhoëst. Dit industriéle succesverhaal had ook een keerzijde: kinderarbeid, verpaupering, sociale ellende en woningnood.




Belangrijke bouwwerken
Wat waren belangrijke bouwwerken uit de 19e eeuw?
In 1806 liet de Belgische handelaar De Ceuleneer zijn naar de latere bewoner generaal Dibbets, Generaalshuis genoemde stadspaleis bouwen aan het Vrijthof waar ooit het klooster van deWitte Vrouwen had gelegen. Vijf jaar later ontwierp F.Soiron een nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg. Bij de Helpoort verrees in 1824 het Gemeentelijk Slachthuis.

Bloedbak
Sedertdien werd de vlak bij gelegen monding van de Jeker de "bloodbak" (bloedbak) genoemd. Het bloed van het slachtvee kleurde het water van het snelstromende riviertje er helder rood.
Het villapark
Vanaf 1837 werd het stadspark "Dn Ingelschen hoof" aangelegd in Engelse landschapsstijl. Drie jaar later werd de Synagoge gebouwd aan de Bogaardenstraat. Petrus Regout bouwde in 1864 zijn roemruchte Cité Ouvrière, de Groete Bouw, aan de Sint Anthoniusstraat.

Na de sloop van het Dominikanenklooster (1885) verrees aan de Helmstraat het gebouw van de Gemeentelijke HBS en het Stedelijk Gymnasium. In de jaren 1880 werden de eerst huizen van het Villapark aan de Van Heylerhofflaan gebouwd, terwijl in 1899, in Wyck De Percee werd voltooid.

19e eeuwse ontmanteling
Wat verdween er uit het stadsbeeld in de 19e eeuw?
Er is in de 19e eeuw meer gesloopt dan in alle eeuwen ervoor. De slechting van de vestingwerken spant wel de kroon. De stadspoorten gingen eraan, nadat het besluit tot ontmanteling van de vesting was gevallen in 1867.Tien jaar eerder was de Maartenspoort gesloopt; in 1868 waren alle poortenverdwenen. Alleen de Helpoort bleef dit lot bespaard.
Het klooster van de Nieuwen Biesen werd gesloopt voor de aanleg van Het Bassin (1825). Middeleeuwse bouwwerken vielen onder de slopershamer: de Sint Nicolaaskerk (1838), de Sint Maartenskerk (1854), de Antonietenkerk (1848), de kapel en het zusterklooster De Beyart (1893-1894). Vlak voor de eeuwwisseling (1897-1899) werd de Jekertak die door de Kleine en Grote Looiersstraat en de Begijnenstraat liep, gedempt.

Na de Franse tijd keerden veel kloosterlingen terug in de stad. Ze hielden zich bezig met ziekenzorg, onderwijs en de organisatie van religieuze feesten, als heiligdomsvaarten en processies.
Als de Jezuïeten terugkeren in 1852, bouwen ze een klooster aan de Tongersestraat, dat een eeuw later een hoofdgebouw van de universiteit werd. In Wyck kreeg architect Pierre Cuypers zijn eerste volwaardige opdracht: de bouw van de neo-gotische Sint Martinuskerk. Daarvoor werd de 13e eeuwse Kruittoren gesloopt en de bouwstenen in de Maas gekieperd.
In 1867 valt het besluit tot ontmanteling van de vesting. De stadspoorten worden gesloopt en er wordt een begin gemaakt met de eerst geplande uitleg van de stad. Op de voormalige vestingwerken werd een singelstructuur ontworpen rond de stad, waarop de uitvalswegen aansloten. In Wyck werd de Percee aangelegd en naast het stadspark werd het Villapark aangelegd voor de gegoede burgers. De binnenstad verpauperde.

Rood versus blauw
Voor zijn arbeiders had Regout reeds zijn Cité Ouvière laten bouwen in 1864. In 1880 bouwde Regout de eerste echte arbeiderswoningen aan de Statensingel.

Vanaf 1884 begint Willem Vliegen zijn sociale actie. Het was het eerste teken van de opkomst van het socialisme en de controverse tussen rood (socialisme) en blauw (katholieke sociale beweging).

Op cultureel gebied was Maastricht een onbeduidende stad. Het oudste culturele gezelschap was "Momus", in 1839 opgericht. Momus was verantwoordelijk voor de revival van het carnaval (1840) en voor veel acties om sociale noden te lenigen. De socialisten begonnen zich tegen deze betuttelende burgerlijke vorm van sociale hulp te verzetten rond 1890.









Nedermaas
Maastricht werd in 1794 een Franse stad ingelijfd door het Franse leger onder het motto "Vrijheid, Gelijkheid en Broeder schap". De inwoners werden Franse burgers. De Tweeherigheid werd afgeschaft. De stad werd van zelfstandige stadstaat tot hoofdstad van de Franse provincie Nedermaas, een gebied ter grootte van het huidige Nederlands en Belgisch Limburg. De eerste jaren onder het Franse bewind waren vol onzekerheden. In 1795 was het stadsbestuur - veertien Luikse en veertien Brabantse leden - afgezet en vervangen door een zevenkoppig stadsbestuur naar Frans model met aan het hoofd een maire (burgemeester). De Franse wet verplichtte tot invoering van de scheiding van staat en kerk. De kerk mocht geen invloed hebben op wereldlijke besluiten en zaken als onderwijs, ziekenzorg en armenzorg moesten door de overheid geregeld worden. In 1796 besloten de Fransen stadskloosters en geestelijke instellingen op te heffen. Kloosterlingen moesten de stad verlaten; hun gebouwen kregen een wereldlijke functie bijvoorbeeld als kazerne of als opslagplaats. De Onze-Lieve-Vrouwekerk werd een militaire smederij.

De Luikse Perroen op het Vrijthof en de Duitse adelaar op de Sint-Servaaskerk werden afgeschaft. In de plaats daarvan plaatsten de Fransen een "vrijheidsboom" op het Vrijthof. Deze boom sneuvelde na een jaar en werd vervangen door een eik. Van publieke aanhankelijkheid aan het beleid was geen sprake. De Verlichtingsgedachte beïnvloedde de Maastrichtenaren nauwelijks. De stad kende geen denkers, geleerden of schrijvers zodat nieuwe ideeën niet verspreid werden.

In de tweede helft van de Franse Tijd bloeide de stad op. Het aantal inwoners, zonder het garnizoen nam toe tot 17.963. De ambachten waren afgeschaft. De opgeheven kloosters boden goedkoop onderdak aan nieuwe bedrijfjes. De handel nam toe. Voor Maastrichtse producten ontstond een groot afzetgebied. Daartegenover stond verhoging van de stedelijke belastingen. Jongeren werden geronseld om te vechten vor Napoleon.

Vanaf 1812 namen zijn militaire successen af. Maastricht leed in 1813 onder een hongerwinter. In 1814 deed Napoleon afstand van de troon. Maastricht werd op 1 augustus 1814 ingelijfd bij de Nederlanden. De Franse Tijd was voorbij.
Sterre der Zee
In 1796 werden alle kloosters en kerken in geconfisqueerd en Kerkelijke goederen in beslag genomen. Toen het beeld Onze-Lieve-Vrouwe Sterre der Zee gevaar liep, werd het met medeweten van de Franciscanen "gestolen" uit de Franciscanenkerk aan de Pietersstraat ondergebracht in de Maastrichter Brugstraat (no. 6) en later op de Tongersestraat 64.
Op 31 maart 1804 werd het beeld door de Luikse bisschop Zaegffer toegewezen aan de Sint-Nicolaaskerk. Die lag op de plaats van het huidige Hotel Derlon. Die kerk werd in 1838 afgebroken en de parochie ging in 1837 over naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Die was pas in dat jaar aan het kerkbestuur verkocht. Het beeld van de Sterre der Zee verhuisde naar de Mérodekapel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Napoleon Bonaparte (1769-1821)
Napoleon was van 1799 tot 1804 consul en van 1804 tot 1814 keizer der Fransen. In de periode dat Maastricht een Franse stad was, bezocht hij samen met zijn vrouw Josephine de Beauharnais en zoon de stad. In 1803 verbleef Napoleon drie dagen in het oude gouvernementsgebouw aan de Bouillonstraat en bezocht onder meer de vestingwerken en de Sint-Pietersberg. De portretbuste van de keizer is bewaard gebleven in Maastricht.
Musée d'Histoire Naturelle
In het Parijse natuurhistorische museum is nog altijd de kop van een prehistorische maashagedis te bewonderen. In 1777 werd de Mosasaurus Hoffmanni gevonden in de Sint-Pietersberg. De Fransen namen deze belangwekkende archeologische vondst op 9 december 1794 mee naar Parijs. Pogingen in de twintigste eeuw om het fossiel terug naar Maastricht te halen zijn helaas mislukt. In het natuurhistorisch museum Maastricht is een afgietsel van de mosasaurus te zien.