Nedermaas
Maastricht werd in 1794 een Franse stad ingelijfd door het Franse leger onder het motto "Vrijheid, Gelijkheid en Broeder schap". De inwoners werden Franse burgers. De Tweeherigheid werd afgeschaft. De stad werd van zelfstandige stadstaat tot hoofdstad van de Franse provincie Nedermaas, een gebied ter grootte van het huidige Nederlands en Belgisch Limburg. De eerste jaren onder het Franse bewind waren vol onzekerheden. In 1795 was het stadsbestuur - veertien Luikse en veertien Brabantse leden - afgezet en vervangen door een zevenkoppig stadsbestuur naar Frans model met aan het hoofd een maire (burgemeester). De Franse wet verplichtte tot invoering van de scheiding van staat en kerk. De kerk mocht geen invloed hebben op wereldlijke besluiten en zaken als onderwijs, ziekenzorg en armenzorg moesten door de overheid geregeld worden. In 1796 besloten de Fransen stadskloosters en geestelijke instellingen op te heffen. Kloosterlingen moesten de stad verlaten; hun gebouwen kregen een wereldlijke functie bijvoorbeeld als kazerne of als opslagplaats. De Onze-Lieve-Vrouwekerk werd een militaire smederij.

De Luikse Perroen op het Vrijthof en de Duitse adelaar op de Sint-Servaaskerk werden afgeschaft. In de plaats daarvan plaatsten de Fransen een "vrijheidsboom" op het Vrijthof. Deze boom sneuvelde na een jaar en werd vervangen door een eik. Van publieke aanhankelijkheid aan het beleid was geen sprake. De Verlichtingsgedachte beïnvloedde de Maastrichtenaren nauwelijks. De stad kende geen denkers, geleerden of schrijvers zodat nieuwe ideeën niet verspreid werden.

In de tweede helft van de Franse Tijd bloeide de stad op. Het aantal inwoners, zonder het garnizoen nam toe tot 17.963. De ambachten waren afgeschaft. De opgeheven kloosters boden goedkoop onderdak aan nieuwe bedrijfjes. De handel nam toe. Voor Maastrichtse producten ontstond een groot afzetgebied. Daartegenover stond verhoging van de stedelijke belastingen. Jongeren werden geronseld om te vechten vor Napoleon.

Vanaf 1812 namen zijn militaire successen af. Maastricht leed in 1813 onder een hongerwinter. In 1814 deed Napoleon afstand van de troon. Maastricht werd op 1 augustus 1814 ingelijfd bij de Nederlanden. De Franse Tijd was voorbij.
Sterre der Zee
In 1796 werden alle kloosters en kerken in geconfisqueerd en Kerkelijke goederen in beslag genomen. Toen het beeld Onze-Lieve-Vrouwe Sterre der Zee gevaar liep, werd het met medeweten van de Franciscanen "gestolen" uit de Franciscanenkerk aan de Pietersstraat ondergebracht in de Maastrichter Brugstraat (no. 6) en later op de Tongersestraat 64.
Op 31 maart 1804 werd het beeld door de Luikse bisschop Zaegffer toegewezen aan de Sint-Nicolaaskerk. Die lag op de plaats van het huidige Hotel Derlon. Die kerk werd in 1838 afgebroken en de parochie ging in 1837 over naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Die was pas in dat jaar aan het kerkbestuur verkocht. Het beeld van de Sterre der Zee verhuisde naar de Mérodekapel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Napoleon Bonaparte (1769-1821)
Napoleon was van 1799 tot 1804 consul en van 1804 tot 1814 keizer der Fransen. In de periode dat Maastricht een Franse stad was, bezocht hij samen met zijn vrouw Josephine de Beauharnais en zoon de stad. In 1803 verbleef Napoleon drie dagen in het oude gouvernementsgebouw aan de Bouillonstraat en bezocht onder meer de vestingwerken en de Sint-Pietersberg. De portretbuste van de keizer is bewaard gebleven in Maastricht.
Musée d'Histoire Naturelle
In het Parijse natuurhistorische museum is nog altijd de kop van een prehistorische maashagedis te bewonderen. In 1777 werd de Mosasaurus Hoffmanni gevonden in de Sint-Pietersberg. De Fransen namen deze belangwekkende archeologische vondst op 9 december 1794 mee naar Parijs. Pogingen in de twintigste eeuw om het fossiel terug naar Maastricht te halen zijn helaas mislukt. In het natuurhistorisch museum Maastricht is een afgietsel van de mosasaurus te zien.