Opkomst Burgerij
Het Vrijthof is de huiskamer van Maastricht. Hier bracht vroeger elke stedeling een deel van zijn vrije tijd door.

Jan-met-de-pet kwam er slenteren of vergaapte zich aan processies en militaire parades.

De rijken ontmoetten elkaar vooral in de statige huizen die het plein omringen. Op de noordwestelijke hoek van het plein, tegenover het postkantoor, bevindt zich nog altijd de Groote Sociëteit. Sinds 1760 was dit statige huis het trefpunt van de traditionele stedelijke elite.

Aan de oostkant van het Vrijthof staat een ander verenigingsgebouw dat heel wat frivoler oogt. Het is getooid met een narrenkop en draagt in gouden letters de naam Momus.

De Herensociëteit Momus is opgericht in 1839 en staat model voor de opkomst van een nieuwe burgerklasse. Hier ontmoetten de nieuwe rijken elkaar: mannen die hun sporen hadden verdiend in het openbare bestuur, in de handel en de industrie.
Zelfbewust zochten zij naar manieren om zich in de samenleving te onderscheiden.

Naast amusement in eigen kring en het organiseren van feestelijkheden voor de hele stad, werd veel aan 'sjariteit' of liefdadigheid gedaan.

Onderling praatte men Frans en elke rage uit Parijs werd gretig nagevolgd.
De nieuwe welstandsklasse spande zich in om van Maastricht een moderne stad te maken. Dat kon ook gemakkelijk want zij beheerste de lokale politiek. Dat het eigenbelang daarbij steeds voorop stond, vond men geen probleem.

Direct na de sloop van de vestingwerken mochten de fabrikanten hun bedrijven uitbreiden en kregen de welgestelden de kans bouwgrond te kopen en de overvolle binnenstad te verlaten.

Zo ontstonden de eerste geplande wijken van de stad: de Stationsbuurt in Wijck en het Villapark.

Ook de uitbreiding en verfraaiing van het stadspark paste in dat patroon. Het park werd al gauw een geliefd schouwtoneel voor het deftige volk.
In de zomermaanden werd het gedeelte rond het koffiehuis en de kiosk regelmatig afgesloten voor een besloten bal of een muziekuitvoering.

Toch waren de straten waar de armen woonden nooit ver weg. De vrees voor besmettelijke ziekten hield de burgerij dan ook voortdurend in de greep.
Jarenlang drongen studiegroepjes van medici en apothekers vergeefs aan op maatregelen. Die moesten komen van particulieren, want het stadsbestuur had er geen geld voor over.

Met behulp van gulle giften kon het Algemeen Burgerlijk Ziekenhuis Calvariënberg aan de Abtstraat, geleidelijk worden uitgebreid. Wie dat kon, moest voor zijn verpleging betalen. Pas sinds 1873 diende elk huis te beschikken over een beerput of een verplaatsbare fecaliënton.

En in 1887 kreeg Maastricht leidingwater, al was dat voorlopig nog alleen in de villawijken. De zorg voor de huisvesting van de volksklasse had geen prioriteit.

Ook hier namen de nieuwe rijken uiteindelijk hun verantwoordelijkheid. Tegen het eind van de eeuw lieten een tweetal "herenbouwverenigingen" enkele tientallen arbeiderswoninkjes bouwen. Veel verlichting bracht dat niet.

Arm en rijk leefden in gescheiden werelden, en dat bleef zo. Pas toen de eerste socialisten in de stad werden gesignaleerd, begon er iets te veranderen, maar toen stond de twintigste eeuw al voor de deur.