De markt
Functie
De markt is het kloppend hart van Maastricht. Al sinds de zeventiende eeuw speelt zich hier een belangrijk deel van het volksleven af. Op het plein wordt nog steeds twee keer per week markt gehouden. Markten zorgden al vanaf de Middeleeuwen voor economische bedrijvigheid in de stad. Het standbeeld van het "Mooswief" bij de fontein op de Markt staat hiervoor symbool. Het beeld herinnert aan de karakteristieke negentiende-eeuwse groentenvrouwen van Sint Pieter. Zij verkochten op de Maastrichtse markt hun groenten en aardappelen. Naast het economisch hart is de Markt ook het bestuurlijk hart van Maastricht; midden op het plein bevindt zich het stadhuis. Vanuit dit classicistisch barokke gebouw wordt de stad sinds het midden van de zeventiende eeuw bestuurd. Tot de negentiende eeuw werd in het stadhuis ook recht gesproken. De straffen, zoals de doodstraf, werden voltrokken op de Markt. Voor het stadhuis, naast de dubbele trap stond een draaihuisje en een schandpaal. De strafvoltrekkingen trokken veel toeschouwers.
De Markt heeft altijd dienst gedaan als ontmoetingsplek. In 1673 en 1678 traden er reizende toneelgroepen op voor de Franse soldaten. De militairen drongen in 1673 herhaaldelijk aan bij het stadsbestuur op het terbeschikking stellen van een locatie voor hun geliefd toneel. De magistraat besloot daarop een houten zaaltje te laten bouwen op de Markt, tussen de Boschstraat en het stadhuis. De burgerij was het hier niet mee eens. Zij had een afkeer van komedianten. Ze speelden namelijk enkel derde rangs toneelvoorstellingen. Toch bracht Lodewijk XIV in juli 1675 een bezoek aan het provisorisch theatertje. Toen de Fransen uit Maastricht vertrokken, is het zaaltje direct afgebroken. Later is nog incidenteel een toneelvoorstelling op de Markt gehouden. Een andere vorm van vertier die op de Markt plaatsvond was de kermis. Tot aan het eind jaren zestig van de twintigste eeuw werd deze op het marktplein gehouden. Tegenwoordig vinden andere grote evenementen op de Markt plaats, zoals de start van de wielerklassieker Amstel Gold Race.
Het stadsbestuur heeft in 2005 besloten dat de Markt heringericht moest worden. Het bestuur beoogde hiermee een plein te creëren waar mensen goed kunnen vertoeven. Op de Markt moeten mensen terecht kunnen als ze een terrasje willen pikken, boodschappen willen doen of een evenement willen organiseren of bezoeken. Daarnaast heeft het stadhuis meer uitstraling als het omgeven wordt door een groot plein, dat niet vol staat met geparkeerde auto's zoals jarenlang het geval was. Bovendien stijgt de historische waarde van de Markt onmiskenbaar door de nieuwe plannen, gebaseerd op voorstellen van de zeventiende-eeuwse architect Pieter Post (1608-1669).
Algemeen
De eerste marktplaats in Maastricht was de Kersenmarkt, gelegen tussen de Smedenstraat en de Maastrichter Brugstraat. Oorspronkelijk werd op de Kersenmarkt groenten- en fruitmarkt gehouden. De markt lag langs de oude Romeinse weg. Deze weg liep vanuit Keulen naar Heerlen, waarna hij grotendeels het tracé van het Geuldal volgde. De weg kwam bij Wijck Maastricht binnen. Hij liep over de Romeinse brug en door de Plankstraat, waarna de weg een haakse bocht maakte en verder liep door de Havenstraat. De weg boog achter het Dinghuis met een haakse bocht naar de Grote Staat. Van hieruit liep de weg via de Grote Staat en de Brusselseweg en via Tongeren naar Bologne sur Mer. De oude Romeinse weg was een heerbaan. De Romeinse troepen trokken van het Franse Boulogne sur Mer naar Keulen. Ze moesten dus de Maas oversteken. Ter hoogte van de huidige Plankstraat was de Maas het best doorwaadbaar. Hier konden de Romeinen het makkelijkst een brug aanleggen. Deze oversteekplaats was belangrijk voor de Romeinse troepen. Om de brug te beschermen werd er een versterkt legerkamp rond gebouwd, een castellum genoemd. Dat kreeg in de Middeleeuwen de naam 'Trajectum ad Mosam', dat Maasoversteekplaats betekent. Later is dit Maastricht geworden. Voor handelslieden was deze plaats aantrekkelijk. Binnen het castellum werden de handelaren immers beschermd door de soldaten. Bovendien konden ze producten verkopen aan de soldaten die de vesting beschermden en aan de troepen die over de heerbaan trokken.
Aan de andere kant van de oever was een bruggehoofd om de brug te beschermen. Hier ontstond de handelsnederzetting Wijck. Deze naam verwijst naar het Latijnse woord 'vicus', dat open nederzetting of naar het Germaanse woord 'wîk', dat handelsnederzetting betekent. Op de oostelijke Maasoever, binnen het castellum werd handel gedreven op de Kersenmarkt. Midden op het marktplein, dat groter was dan de Kersenmarkt tegenwoordig is, stond tevens het eerste stadhuis van Maastricht. Dit stadhuis werd in 1229 gebouwd op de kosten van de burgers. In dit raadsgebouw zetelden ook de twee schepenbanken.
In de loop van de Middeleeuwen breidde het castellum uit. De stad werd een echt handelsgebied. Tussen 800 en 900 werd de later Maastrichter Brugstraat genoemde weg verbreed om de stad beter te kunnen verdedigen. Enkele eeuwen later kreeg Maastricht het recht zich te omgeven met wallen. Dit zorgde ervoor dat de stad veiliger werd. In dertiende eeuw werd Maastricht ommuurd. Deze muur maakte de stad tot een veilig toevluchtsoord (was) voor handelaren, maar ook voor anderen zoals kloosterlingen. De eerste stadscentra lagen rond de vroegmiddeleeuwse Sint Servaaskerk en de Onze Lieve Vrouwekerk. Bij beide kerken hoorde een kapittel. De eerste kerk met kapittel was in bezit van de Merovingische koningen en kwam later in handen van de Hertogen van Brabant en hun rechtsopvolgers. De Onze Lieve Vrouwekerk met haar kapittel behoorde toe aan de Maastrichtse bisschoppen. Later kwam ze in bezit van de Luikse Bisschoppen. Rond de kerken kwamen steeds meer mensen wonen. In de dertiende eeuw groeide de Maastrichtse bevolking sterk, zodat de beide kapittels naar elkaar toe groeiden. Bovendien kwamen steeds meer pelgrims naar Maastricht. Aan de noordelijke zijde van de stad groeide het weverskwartier aan de Boschstraat snel. Door deze factoren ontstond binnen de eerste stadsmuur ruimtegebrek. De stad breidde in noordelijke richting uit. De zuidzijde van de stad was minder geschikt voor bewoning door de drassige Jekerdelta's. Als gevolg van deze stadsontwikkelingen verplaatste het economisch en bestuurlijke centrum van de stad zich (verplaatsten) in noordelijke richting. Door veranderingen in de infrastructuur van de stad werd de Kersenmarkt te klein. Het stadsbestuur verhuisde in de eerste helft van de veertiende eeuw naar de Lanscroon, gelegen aan de Grote Staat ter hoogte van het warenhuis van Vroom en Dreesmann. In de Lanscroon zetelde het stadsbestuur en het Laaggerecht. Vanwege ruimtegebrek werd de Libeart bij het stadhuis getrokken. In het veertiende-eeuwse Dinghuis, gelegen op de hoek van de Kleine Staat en Grote Staat, zetelde het Hooggerecht. In de omgeving van het stadhuis en het gerechtshof lagen het vleeshuis, de waag, het stadslogement, het marktkruis en het munthuis. Markt werd gehouden tussen de Muntstraat, de Nieuwstraat en de Vijfharingenstraat. Naast de functie als handelsplek werd op de markt ook het stadsnieuws verteld. Na beraadslagingen van het stadsbestuur werd door een bode met een goede stem het nieuws uit een raam geroepen. 'Ten vinstere oet', noemde men dat. Mensen die de geruchten opvingen, waren verplicht het door te vertellen aan anderen.
In de loop van de Middeleeuwen werd het steeds drukker in de stad. Maastricht kende steeds meer inwoners, pelgrims en handelaren. Op de markt in de Grote Staat werd het te druk. Bovendien werd de straat steeds smaller. Besloten werd dat de markt voor 'kleine' groenten, zoals wortels, peterselie en prei, op deze plek mocht blijven. 'Grote' groenten en andere marktproducten moesten daarentegen elders verhandeld worden. De pleinen rond de Lakenhal werden uitgekozen als marktplaatsen voor de zaterdagmarkt, de paardenmarkt, de veemarkt en de houtmarkt. De keuze voor deze locatie lag voor de hand, omdat er al handel werd gedreven. De Lakenhal was sinds 1294 een bloeiend economisch centrum.In de witte mergelstenen hal werden lakense stoffen verhandeld, die in het weverskwartier aan de Boschstraat werden vervaardigd en bewerkt. Daarnaast was de Lakenhal bij officiële plechtigheden de zetel van het stadsbestuur. De ambachten (gilden) kwamen voor vergaderingen bij elkaar voor de Lakenhal. Ze brachten per ambacht advies uit aan het stadsbestuur. Bovendien lagen deftige handelshuizen en was er enige nijverheid langs het plein. Enkele straten verbonden dit economische centrum met de Maas. De Gubbelstraat, de Drie-emmerstraat, de Kwadevliegenstraat en de Hoenderstraat liepen van het plein rond de Lakenhal naar de Maasoever. De Jodenstraat en de Mariastraat liepen van de Maas tot aan de Kleine Staat. Aan de oever, aan het einde van de straatjes lagen steigers en stapelplaatsen. Hier werden goederen die over de Maas vervoerd werden overgeladen, omdat het rivierwater ondieper werd waardoor schepen niet met dezelfde hoeveelheid lading verder konden varen.
De goederen lagen drie dagen aan wal; dat werd genoemd: op stapel. Maastrichtenaren konden hier producten kopen. Vanwege de bedrijvigheid in dit gebied besloot het stadsbestuur aan het einde van de zestiende eeuw dat dit een goede locatie was voor een nieuw stadhuis. De Lanscroon was vervallen en restauratie was niet rendabel. Andere overheidsgebouwen, zoals het Dinghuis, waren niet geschikt als stadhuis. Bovendien was het stadsbestuur op zoek naar een gebouw, waarin alle overheidsinstellingen konden worden ondergebracht. In de zestiende eeuw was er immers nog geen sprake van scheiding tussen de uitvoerende, wetgevende en rechtelijke macht. De magistraat (het stadsbestuur) benaderde de Hollandse architect Pieter Post (1608-1669) om een ontwerp te maken voor het nieuwe stadhuis. De architect was het met de raad eens dat het stadhuis op een groot plein moest worden gebouwd. Dit zou het gezag van het bestuur immers benadrukken. Pieter Post ontwierp daarom zowel het stadhuis, als de Markt.
De Markt bestaat als vierkant plein sinds 1659. Voorheen liep over de huidige Markt de eerste stadsmuur. Deze liep van de Grote Gracht naar de Gubbelstraat. In de muur bevonden zich de Gevangenpoort en de Leugenpoort. De eerste was de noordelijke toegangspoort tot de stad. In de Leugenpoort werden mensen opgesloten die meineed hadden gepleegd. Door de toename van de bevolking werd het 36 hectare grote stadsgebied dat de eerste muur aan ruimte bood, te klein. Daarom werd al snel begonnen met de bouw van de tweede muur zodat het stadsoppervlak driemaal zo groot werd. De eerste muur bleef na de bouw van de tweede stadsmuur echter wel intact en diende als tweede verdedigingslinie. In de loop van de eeuwen werden steeds meer huizen tegen de eerste muur aangebouwd. Zo werd op het terrein van de huidige Markt tegen de eerste muur de Lakenhal met het Belfort, de klokkentoren gebouwd. In de zestiende eeuw werden de Lakenhal en de stadsmuur met de Leugenpoort en de Gevangenpoort afgebroken om een vierkant plein vrij te maken. Op dit plein, dat dienst bleef doen als marktplaats, werd het nieuwe classicistisch barokke stadhuis gebouwd. Het stadhuis is een voorbeeld van de zeventiende-eeuwse Hollandse bouwkunst. Ook de plaatsing van het stadhuis in het midden van het marktplein komt veel voor in de Hollandse traditie. In Groningen en Delft staat het stadhuis bijvoorbeeld ook midden op een plein. Dat de blik van het stadsbestuur, dat bestond uit afgevaardigden van de Luikse Prins-Bisschop en de Brabantse Hertog en zijn rechtsopvolgers, gericht was op het noorden is niet verwonderlijk. De nieuwbouw werd namelijk vrijwel helemaal bekostigd door de Staten-Generaal. De Luikenaren hebben echter wel kunnen voorkomen dat het Maastrichtse stadhuis exact in het midden van het marktplein zou worden geplaatst. De magistraat had al enkele processen aangespannen om de nodige onteigeningen van particuliere huizen te kunnen uitvoeren. De voorbereidingen voor de bouw waren al begonnen, toen de Luikse raden deze wisten stop te zetten. Zij wilden namelijk dat het stadhuis in de lengterichting aan één van de zijde van het plein zou worden aan gebouwd zoals dat bijvoorbeeld in Luik het geval is. De positionering van een gebouw midden op een plein is in het hele gebied tussen Maas en Rijn een uitzondering.
Normaliter zijn in dit gebied belangrijke gebouwen in de straatwand opgenomen. De Luikenaren wilde dit ook in Maastricht en daarom saboteerden ze de onteigeningen. De Luikse soeverein weigerde toestemming te geven om twee huizen op de hoek van de Kleine Gracht en de Gubbelstraat te slopen. Pieter Post besloot daarom het stadhuis in de richting van de zuidoosthoek op te schuiven. Om het ideaalbeeld van een vierkant plein toch te realiseren, stelde architect Post het stadsbestuur voor bomen rondom de Markt te planten. Doordat de restruimte aan de noordzijde en westzijde van het marktplein werden beplant, ontstond een besloten vierkante ruimte. De overgang van de Markt naar de Boschstraat werd hierdoor ook afgeschermd. Het streng classicistische stadhuis, omringd door een vierkant plein, geeft de Maastrichtse Markt een oer-Hollands aanzien. Hier staat tegenover dat de Markt een Belgische sfeer uitstraalt door de monumentale gevels aan de westkant, de terrasjes, de frietverkoop aan de straat, de marktkraampjes, de hardstenen stadspomp en de standbeelden van Minckelers en het Mooswief. Met name de monumentale gevelwanden zijn kenmerkend voor de Luikse traditie. De lijstgevels zijn toonaangevend in de wanden van de Markt. Hollandse topgevels komen trouwens bijna niet voor in de stad. Met plaatsjes illustreren. Belgische en Hollandse bouwkunst ontmoeten elkaar op de Maastrichtse Markt. De uitstraling van dit plein is symbolisch voor de stadsgeschiedenis waarin de Tweeherigheid zo'n belangrijke rol speelde. Hoe moet de Markt worden ingericht?
Over de inrichting van de Markt bestaat al sinds jaar en dag discussie. Onenigheid was er over de positionering van het stadhuis en de vraag of de gevelwanden gesloten of open moesten zijn. Architect Pieter Post(1608-1669) had er in de zeventiende eeuw zijn eigen mening over. Hij kreeg van het toenmalige stadsbestuur de opdracht een nieuwe stadhuis te ontwerpen. Postwas van mening dat het stadhuis en de Markt bij elkaar hoorden. Daarom deed hij - naast zijn ontwerp van het stadhuis - ook een voorstel over de inrichting van de Markt. De architect dacht aan een plein van driehonderd Rijnlandse voet(ongeveer honderd bij honderd meter). Het stadhuis zou het middelpunt van het plein vormen. Volgens Post straalde een majestueus gebouw midden op een groot plein gezag uit. De plattegrond van het stadhuis heeft dezelfde vorm als de Markt, alleen in kleiner formaat : honderd Rijnlandse voet (33 bij 33 meter). In de toelichting van de architect wordt geadviseerd om "'t nieuwe stadthuijs in forma quadrata te stellen in 't midden van de merck".
Om een vrij plein te realiseren, moest het gedeelte van de eerste stadsmuur van de Kleine Gracht tot de Gubbelstraat worden afgebroken. Ook de Leugenpoort, de Gevangenpoort en de Lakenhal met Belfort moesten worden gesloopt. Dit leverde geen problemen op, omdat de bouwwerken vervallen waren en geen functie meer hadden. Bovendien vond men de locatie uitstekend. Daarom was men bereid om de Markt te ontruimen. Problemen ontstonden wel bij het onteigenen van particuliere huizen. De Luikenaren wilden het stadhuis net als in Luik, in een marktwand opnemen. Door tegenwerking van de Luikse raad kon het pleinontwerp niet gerealiseerd worden. Het stadhuis werd niet precies in het centrum van de Markt geplaatst.
Minckelers
Na deze tegenslag heeft Post de situatie opnieuw bestudeerd. Hij verbleef ruim twee weken in Maastricht om de alternatieve positie van het stadhuis te bepalen. Het stadhuis werd tenslotte gebouwd in de zuidoosthoek van de Markt. Een andere verandering die Post in zijn ontwerp aanbracht, was de uitbreiding van de hoofdentree van het stadhuis. Bovendien zorgde hij ervoor dat de klokkentoren van het raadshuis in de as van de Grote Gracht kwam te liggen. Om toch het beoogde plein te creëren stelde de architect aan het stadsbestuur voor door middel van boombeplanting een vierkant plein te vormen. Op die manier werd ook de ruimte tussen de Markt en de Boschstraat gedicht. Deze situatie bleef ongewijzigd tot het midden van de negentiende eeuw. Toen werden de bomen gekapt en was er geen sprake meer van een gesloten gevelwand. In het begin van de twintigste eeuw veranderde dit weer door de plaatsing van het standbeeld van Minckelers in 1904. De Maastrichtse natuurkundige en apotheker Jan Pieter Mickelers (1748-1824) vond op 15 oktober 1783 het steenkoolgas uit. Hij ontdekte een soort gas dat viermaal lichter was dan lucht door het verhitten van magere steenkolen in een geweerloop. Het gas was bovendien brandbaar.
Aanvankelijk werd het gebruikt als vulling voor luchtballonnen. Aan het einde van de achttiende eeuw werden de eerste succesvolle proeven met luchtballonnen ondernomen. De ballonvaart was in die tijd populair, maar ook erg kostbaar. De rijke hertog van Arenberg vroeg drie professoren van de Leuvense school voor fysica naar een goedkoper en lichter gas te zoeken dan waterstof. Waterstof werd tot nog toe gebruikt als vulling voor luchtballonnen. De professoren hebben vermoedelijk vanaf de jaren zestig van de achttiende eeuw onderzoek gedaan naar de eigenschappen van gassen. Minckelers ontdekte uiteindelijk het steenkoolgas. Bij ontbranding bleek het gas sterk lichtgevend te zijn, daarom heeft het lange tijd dienst gedaan als lichtbron, bijvoorbeeld voor de straatverlichting. Daarom houdt Minckelers een fakkel in zijn handen. Hij is in zijn professorentoga vereeuwigd. Velen denken dat Minckelers het priestergewaad draagt. Dit is niet waar. Minckelers is als zestienjarige wel begonnen aan de priesteropleiding. Hij heeft de tonsuur (kruinschering) ontvangen. Dit was toentertijd de eerste wijding van iedere beginnende priesterstudent. Door de tonsuur behoorde Minckelers tot de geestelijke stand, waardoor hij allerlei voordelen genoot die andere burgers niet kregen, zoals vrijwaring van accijnsbetaling. Later is hij naast theologie ook natuurkunde in Leuven gaan studeren. De theologieopleiding heeft de professor nooit afgemaakt. Priester is hij nooit geweest. De markt in de 20e eeuw
In de loop van de twintigste eeuw ontstond er steeds meer discussie over de inrichting van de Markt. Eén van de marktwanden werd opengebroken. Door de sterke toename van verkeer in de stad besloot men in de jaren '20 van de vorige eeuw tot de bouw van de Wilhelminabrug. Deze brug moest naast de oude brug als verbinding dienen tussen de binnenstad en Wijck. De oude brug, die sedertdien pas Sint Servaasbrug wordt genoemd, kon de toenemende stroom verkeer niet meer aan. Bovendien was de doorvaart van de oude brug niet ruim genoeg voor grote schepen. Om de nieuwe brug in 1932 te realiseren
werd eerst het huizenblok tussen de Hoenderstraat en de Gubbelstraat onteigend en afgebroken. Het aanzien van de historische Markt werd hierdoor aangetast. De brug werd gebouwd vanaf de Wilhelminasingel in Wijck over de Maas en het kanaal Luik-Maastricht met een afrit op de Markt. Het terrein aan weerszijde van de oprit van de brug heeft tientallen jaren braak gelegen. De gemeente schreef in 1931 al een prijsvraag uit met betrekking tot de bestemming voor het terrein. Het duurde tot na de Tweede Wereldoorlog voordat er concrete plannen voorlagen. De Wilhelminabrug werd tijdens de oorlog gebombardeerd en is daarna weer opgebouwd. In 1954 kwam stadsarchitect Frans Dingemans (1905-1961)met het voorstel om vanaf de afrit van de nieuwe brug een verkeersweg door te trekken, via de tuinen van de Ursulinen en van de Broeders van de Beyart tot aan de het Koningin Emmaplein. Daartoe zou een gat in de westelijke gevelwand van de Markt moeten komen. Dit voorstel riep veel weerstand op, omdat steeds meer mensen van mening waren dat de Markt omgeven zou moeten worden door vier gesloten gevelwanden. Zij wilden ook de oostelijke wand weer dichten.
Als reactie op het voorstel van de stadsarchitect ontving de gemeenteraad ruim driehonderd petities. Het plan kwam bekend te staan onder de naam "Gat van Dingemans". In 1959 deed Dingemans een nieuw voorstel. Dit werd wel aangenomen door het stadsbestuur. Aan de zuidkant van de afrit werd een stadskantoor gebouwd naar ontwerp van de stadsarchitect, gebouwd. Enkele jaren later, in 1963, werden ook aan de noordzijde van de afrit kantoorgebouwen geplaatst. De rest van het braakliggend terrein werd tien jaar later bebouwd door een parkeergarage aan de Gubbelstraat. Door het toenemend verkeer in de binnenstad werd ook de Markt ingericht als parkeerplaats.
In 2005 heeft het stadsbestuur besloten de Markt opnieuw in te richten naar de ideeën van de zeventiende-eeuwse architect Pieter Post. De Markt is nu autovrij en de vier marktwanden zijn gesloten. Mosae Forum, ontworpen door Jo Coenen en Bruno Albert, bevindt zich aan de oostelijke gevelwand van de Markt. Nu staat daar weer een min of meer gesloten wand. De gemeenteraad is van mening dat de intimiteit van de Markt weer in ere is hersteld. Het lag het voor de hand weer bomen aan de noordelijke en westelijke wand te planten onder voorwaarde dat het markante dakenspel van de gevels zichtbaar bleef . Het zijn immers niet alleen de Markt en het stadhuis die de historische en monumentale waarde van de locatie benadrukken, maar ook de gevels. Deze kennen net als de Markt een geschiedenis van veranderen en behouden.
Verstening
Toen de Markt werd gecreëerd, stonden de gevelwanden al. Er was immers al sprake van een plein waar markt gehouden werd, voordat het huidige plein werd gebouwd. De monumentale sfeer die de wanden uitstraalden, is blijven bestaan, maar er is ook veel veranderd in de loop der eeuwen. Een grote verandering heeft zich voltrokken in de loop van de zeventiende eeuw. De verstening van de stad werd toen ingezet. De oorzaak was een grote stadsbrand aan de Brusselstraat in 1612. Alle huizen aan de zuidzijde van de straat zijn toen afgebrand. Het waren er meer dan veertig. Deze brand had tot gevolg dat het stadsbestuur een reeks verordeningen uitvaardigde. Men meende dat de verstening van de meestal in houten leem opgebouwde vakwerkgevels het brandgevaar in de toekomst zou beperken. Bovendien zou de verstening het stadsaanzien ten goede komen.
In de raadsverdragen van juni 1621 staat beschreven het bestuur "'t gemeen prospect,cryaet ende welstand, die men in wel gepoliceerde steden behoort waer te nemen" op het oog had. In het Recueil der Recessen, een verzameling gemeentelijke voorschriften, wordt bepaald dat strooien dakbedekking niet langer toegestaan was. Bestaande strooien daken moesten vervangen worden door leien daken. Houten zijgevels moesten veranderd worden in stenen brandmuren, van anderhalve steendikte. Omwonenden waren verantwoordelijk voor de kosten. Het stadsbestuur steunde de Maastrichtenaren met subsidies. Bovendien zorgde het bestuur in de zestiende en zeventiende eeuw ervoor dat voldoende baksteen, mergel en hardsteen in de stad voorradig was. Ondanks deze maatregelen waren de meeste huizen nog tot ver in de zeventiende eeuw in hout of vakwerk uitgevoerd. Dit gold ook voor de huizen aan de Markt. Het dubbelhuis Markt 70-71 laat deze geschiedenis nog zien. Het huis werd aan het einde van de vijftiende eeuw als vakwerkhuis gebouwd op een hardstenen basement. Pas omstreeks 1770 werd het pand versteend. De oorspronkelijke houtbouw is alleen nog te zien aan de zijgevel aan het straatje de Heilige Geest. De vakwerkconstructie, waarbij rechthoekige muurvlakken verstevigd werden door Andreaskruisen, is nog te herkennen. De zijgevel is in 1965 ingrijpend hersteld. De
bovenbouw is toen in hardhout gereconstrueerd. Alleen de onderbouw is authentiek gebleven. De verstening van de stad vond in Maastricht een eeuw later plaats dan in de meeste Hollandse steden. In tegenstelling tot andere steden verliep het proces geleidelijk. Hierdoor is het Middeleeuwse karakter van de stad blijven bestaan. Ook het architectonische stadsbeeld is sinds de verstening niet veel veranderd. Bestaande huizen werden meestal niet afgebroken, maar de lemen vullingen van de vakwerkhuizen werden vervangen door bakstenen. Nieuwe stenen huizen werden vrijwel allemaal uitgevoerd in de stijl van de voormalige houten huizen of vakwerkhuizen. Het meest opvallende kenmerk zijn de kappen, waarvan de noklijn parallel loopt met de straat. Dit soort daken zijn kenmerkend voor de Luikse architectonische traditie. De herenhuizen op Markt 20 en Markt 18 zijn hier voorbeelden van.
In de achttiende eeuw werd het straatbeeld van de stad nog eens ingrijpend veranderd. In die eeuw werden namelijk de rooilijncorrecties uitgevoerd. Straten en pleinen werden recht getrokken. Het stadsbestuur stimuleerde dit al sinds 1650, maar in de achttiende eeuw werden de plannen consequent uitgevoerd. Men wilde de voorgevels herschikken. In de Middeleeuwen werden de huizen niet allemaal in één lijn gebouwd. Hierdoor was het straatbeeld enigszins chaotisch. Het stadsbestuur besloot dat dit geleidelijk aan moest veranderen. De stadsbouwmeester bepaalde per straat aan de hand van een rooilijnenplan waar de gevelwand zich moest bevinden. Veel gevels kregen een andere positie: gevels die zich achter de ideale rooilijnen bevonden, moesten naar voren herbouwd worden en gevels die te ver naar voren stonden, moesten naar achteren geplaatst worden. Vandaar dat de gevelwanden aan de Markt langs een rechte lijn lopen. Dit benadrukt de vierkante vorm van de Markt, zoals beoogd door de architect Pieter Post. Het tegenwoordige gemeentebestuur wil de gevelwanden behouden, omdat ze bijdragen aan de monumentale en historische sfeer van het marktplein.
Ook de kinderkopjes waarmee de Markt geplaveid is, dragen bij aan de historische waarde van het marktplein. Zo denken ook de Maastrichtse marktkooplieden erover. In het artikel "Maastricht: steentjes der Aanstoots" dat gepubliceerd is in het tijdschrift Elsevier op 2 maart 2005, verdedigen zij het standpunt dat de kinderkopjes moeten blijven. Uit een onderzoek van de Centrale Vereniging van Ambulante Handel (CVAH) is gebleken dat het voor de arbeidsomstandigheden van marktkooplieden beter is als kinderkopjes van marktpleinen verdwijnen. In Maastricht is men fel tegen dit voorstel: de steentjes horen gewoon bij de stad.
De Lakenhandel
Maastricht heeft sinds 1294 tot het einde van de zestiende eeuw een bloeiende textielindustrie gekend. De lakense stoffen werden het hele jaar door in de Lakenhal op de Markt verhandeld. Op de drie jaarmarkten waren de stoffen ook te koop. Het Maastrichtse wollen laken was door zijn goede kwaliteit zeer bekend en gewild. Het werd niet alleen in Maastricht verkocht, maar ook in bijvoorbeeld Duitsland en Scandinavië.Laken was een zware, gevolde wollen stof. Het Maastrichtse laken werd slechts in vier kleuren vervaardigd, namelijk korenbloemenblauw, blank, groen en rood. Van de stof werd bovenkleding vervaardigd. Deze werd gedragen door de beter gesitueerde burgers (bedeelden), omdat de lakense stof relatief prijzig was.
Het vervaardigen van lakense stoffen werd "gewand maken" genoemd. Dit was zwaar werk en werd daarom ook door mannen gedaan. Verschillende handelingen moesten gedaan worden om tot een goed eindproduct te komen. Een heleboel specialismen binnen het "gewand maken" ontstonden. Voorbeelden zijn onder meer droogscheerders, lakenbereiders, lakenscheerders, dekendoekwevers, volders,
vlokkeniers (verwerkers van wolafval) en wolwevers. Deze arbeiders waren verenigd in het gewandmakersambacht. Dit was één van de oudste gilden van Maastricht. Ambachten waren verenigingen van mensen met een en het zelfde beroep. Ze maakten duidelijke afspraken over de fabricage en de handel van hun product. De ambachten waren ontzettend belangrijk voor de welvaart van een stad.
Binnen het gewandmakersambacht werden zekere kwaliteitseisen gesteld. Dit had tot gevolg dat de Maastrichtse wevers hun wol niet meer in de regio kochten. Aanvankelijk deden ze dit wel,maar omdat de kwaliteit van de wol niet voldoende was, raakte Engelse wol steeds meer in gebruik. Deze werd in Vlaamse kuststeden verkocht. De kwaliteit van de Maastrichtse lakens was wisselend. Door slechtere kwaliteiten te leveren, daalde de prijs. De lage prijs veroorzaakte een stijging van de vraag.De Maastrichtse lakens werden in de Middeleeuwen op twee plaatsen vervaardigd. In het Boschstraatkwartier, dicht bij de Lakenhal en in het Jekerkwartier. De lakenarbeiders hadden stromend water nodig om hun werk te kunnen doen. Daarom vestigden ze zich nabij de Maas en de Jeker. De gewandmakersarbeid is al lange tijd uit het straatbeeld van de stad verdwenen. Ook de Lakenhal is er niet meer. Alleen straatnamen herinneren nog aan het werk. De naam Raamstraat verwijst bijvoorbeeld naar de laatste fase van het lakenweven. De stoffen werden namelijk geweven, gewassen, gevold en tot slot op ramen gespannen om te drogen.
Markten in Maastricht
Internationale Markt
Maastricht is eeuwenlang een marktcentrum geweest. Al vroeg in de Middeleeuwen kwamen handelaren naar de stad. Maastricht lag immers gunstig langs de Maas, de stad bezat een oversteekplaats over de rivier en werd beschermd door een muur. Bovendien was Maastricht een pelgrimsstad. Na de dood van bisschop Servatius kwamen veel gelovigen naar de stad om hem te eren. Voorts is Maastricht eeuwenlang een thuisbasis geweest voor soldaten. Kooplieden hadden naast de Maastrichtse bewoners dus genoeg klanten om hun producten aan te verkopen. Maastricht kende een internationale markt en een lokale markt. De internationale markt werd drie keer in het jaar gehouden. Deze vonden plaats in de vorm van een vrijmarkt en een kermis en ze waren verbonden aan christelijke feestdagen. De drie jaarmarkten werden gehouden op de feestdagen Sint Servaas (13 mei), Sint Remaclus (3 september) en Sint Remigius (1 oktober). Ter gelegenheid van de zevenjaarlijkse Heiligdomsvaart werd ook een vrijmarkt georganiseerd. Tijdens jaarmarkten was iedereen welkom. Wanneer de grote klok van de Sint Servaaskerk, de Grameer, om zes uur luidde, betekende dat vrijheid voor iedereen. Zowel vreemdelingen als bannelingen mochten bij de eerste klokslag de stad ongehinderd bezoeken. In de periode van veertien dagen dat er markt was, was iedereen veilig. Wanneer de klok luidde om de Markt te sluiten, moesten de vreemdelingen en bannelingen weer naar buiten, omdat ze dan weer strafbaar waren. Lokale Markten
De lokale markten vonden op verschillende plekken in de stad plaats. Vaak lagen ze in de nabijheid van stadspoorten. De graanmarkt of korenmarkt werd bijvoorbeeld gehouden bij de Onze Lieve Vrouwepoort. Hier werden verschillende soorten graan verkocht voor privé-gebruik, bakkerijen, brouwerijen of voor veevoer. De vismarkt werd in de veertiende eeuw gehouden bij de Vissersmaas, deze lag naast de Houtmarkt. Later werd de Vissersmaas bij het Kolenbat getrokken. Hier konden Maastrichtenaren turf en kolen kopen. De vreemde vissers moesten sindsdien naar de Papenhof, die achter de Onze Lieve Vrouwekerk lag. Zij verkochten voornamelijk zeevis. De plaatselijke vissers verkochten hun riviervis op de plaats waar de voormalige Houtmarkt lag. Nu loopt daar de Boschstraat. De houtverkopers verkochten hun timmer- en brandhout aan het einde van de veertiende eeuw aan de Houtmaas. Dit was een ideale plek, omdat deze buiten de Maaswal, langs de rivier lag. Hierdoor was de kans op brandgevaar klein. Later vertrokken ze naar de Houtmarkt bij de Gevangenpoort, voor de Sint-Mathiaskerk. Hier lag een kleine waterpoel. Nadat de muur die over de huidige Markt liep afgebroken was en er één groot marktplein ontstond, verplaatste de houtverkoop zich naar de Maagdendries. Daar lag een grote poel. Bovendien werd hier de houtvoorraad al jarenlang opgeslagen.
Vee werd ook op de markt verhandeld. Oorspronkelijk lag de veemarkt buiten de Leugenpoort op de hoek van Kleine Gracht en de Markt. Deze markt werd zo druk bezocht, dat hij gesplitst moest worden. De veemarkt met koeien, schapen, geiten, gevogelte en konijnen verhuisde eind achttiende eeuw naar de Maagdendries. De varkensmarkt was al eerder verplaatst van de gewone markt naar het Boschstraatkwartier. De handel in paarden vond op de paardenmarkt plaats, die vanaf 1645 iedere zaterdag gehouden werd op de Markt. In 1659 verhuisden de paarden naar het Vrijthof. Een jaar later werd de Markt uitgebreid en keerde de paardenhandel er weer terug. Enkele decennia later werd de paardenmarkt gehouden bij de veemarkt op de Maagdendries.Tot voor kort werd aangenomen dat sinds de tweede helft van de zeventiende eeuw de moesmarkt gehouden werd op het Amorsplein. Na de afbraak van de Sint-Amorskapel zou het plein vrijgemaakt zijn zodat er markt gehouden kon worden. Recent onderzoek trekt dit in twijfel. Het Amorsplein werd in afgelopen eeuwen wel moesplein genoemd, maar dit zou het gevolg zijn van een verkeerde interpretatie van geschreven raadsverslagen.
De belangrijkste lokale markt is altijd de zaterdagmarkt geweest. Iedere zaterdag werd een algemene markt gehouden. Elke ambacht had een vaste plaats op de markt en mocht zijn eigen producten verhandelen. De groenten, fruit en aardappelen werden bijvoorbeeld eeuwenlang verkocht op de plaats waar nu de fontein met het Mooswief op de Markt staat. Beeldhouwer Charles Vos (1888-1954) vervaardigde het in 1954 onthulde beeld. Het standbeeld herinnert aan de karakteristieke negentiende-eeuwse groentevrouwen van Sint Pieter. Zij verkochten op de Maastrichtse markt hun groenten en aardappelen. Tegenwoordig vindt de algemene markt nog steeds plaats. Hij wordt nu in de plaats van op zaterdag op vrijdag gehouden.