Maastricht aardewerk

Maastrichtse aardewerkproducten zijn tot op de dag van vandaag beroemd. In 1836 werden de eerste kopjes en schotels in de fabriek aan de Boschstraat geproduceerd.

Binnen korte tijd dineerden mensen over de hele wereld met het servies van Regout.





Petrus Regout richtte de eerste aardewerkfabriek in Maastricht op. In 1899 kreeg deze de naam Sphinx. Toen bleek dat de producten een succes waren, begonnen ook andere ondernemers aardewerkfabrieken.

Op het terrein van het huidige Centre Ceramique lagen de fabrieken van 'Société Céramique'. Dit was lange tijd de grootste concurrent van de Sphinx. Na de Tweede Wereldoorlog fuseerden de twee fabrieken. Een andere negentiende-eeuwse concurrent was de porselein- en tegelfabriek, die later bekend werd als de Mosa en nog steeds produceert.

In de negentiende eeuw werden ook de eerste sanitaire Maastrichtse aardewerkproducten in gemaakt. Dat gebeurt nu nog steeds. Huishoudelijk aardewerk wordt sinds 1969 niet meer aan door Sphinx geproduceerd, dit gebeurt wel nog bij de Mosa fabrieken.

Het Maastrichts servies is nog steeds populair. Met name de oudste gedecoreerde exemplaren zijn verzamelaarobjecten geworden.






Maastricht groeide in die tijd uit tot een echte keramiekstad. De keramische industrie heeft lange tijd een belangrijke rol in de economische ontwikkeling van de stad gespeeld. In het begin van de twintigste eeuw verzorgden de aardewerkfabrieken zeventig procent van de stedelijke industriële werkgelegenheid. Vele mensen waren betrokken bij het vervaardigen van de producten. Met name de decoratie van het servies was in de beginjaren arbeidsintensief. De verfraaiingen werden met de hand aangebracht.


Aanvankelijk leek het Maastrichts aardewerk op de inmiddels befaamde Engelse Wedgewood-producten. De serviezen kregen zelfs Engelse decornamen. Om verwarring te voorkomen moesten de producten voorzien worden van een logo waar het land van herkomst in was verwerkt. Toen het Sphinx aardewerk een groter afzetgebied verwierf, werd dit logo zelfs vertaald in Javaanse tekens. Ook de decoraties werden steeds unieker. In 1917 trok de fabriek de eerste kunstenaar aan om versieringen te ontwerpen. Tussen 1920 en 1940 steeg de faam van het aardewerk door de zelf ontwikkelde fabrieksstijl.

De decoratietechnieken ontwikkelden zich eveneens. Het handschilderen maakte plaats voor de techniek van drukdecors en plakprentjes. Dit zorgde ervoor dat het decoreren minder tijd en geld kostte.

De verfraaiingen werden gedetailleerder en meerkleurig. In het begin van de twintigste eeuw werd met behulp van sjablonen gedecoreerd. Na 1950 was het decoratieproces zover mogelijk geïndustrialiseerd door het gebruik van zeefdrukken. Door de mechanisatie van het productieproces waren steeds minder arbeiders nodig.

Tot het midden van de twintigste eeuw waren de gebieden rond de fabrieken echte arbeiderswijken. De fabrieken draaiden vierentwintig uur en de arbeiders werkten 12 uur op een dag voor een laag loon. Het werk was zwaar en de arbeidsomstandigheden waren vaak slecht en onveilig. De arbeiderswoningen waren klein, donker en vochtig. In één huis leefden vaak veel gezinnen bij elkaar.

Petrus Regout liet voor de arbeiders aan de Antoniusstraat de gehate Cité Ouvrière bouwen. Soms werkten hele gezinnen in de fabriek, ook kinderen. De arbeiders waren meestal laag geschoold. Dat ze niet konden lezen en schrijven blijkt uit de vergissingen die te zien zijn in de decornamen die onder het servies werden gegraveerd: letters werd regelmatig omgekeerd of gespiegeld.






Ondanks deze kleine fouten waren de decoraties erg fraai. Het eerste Boerenbont bestond uit handgeschilderde ontwerpen. Er werden wel honderden patronen gemaakt. Nu, bijna 2 eeuwen later is Boerenbont servies nog steeds populair.