Het kruisherenklooster
Het Kruisherenklooster, gebouwd de vijftiende eeuw, staat volop in de belangstelling nu het een prestigieus vijfsterrenhotel is geworden. Het complex is voor veel doeleinden gebruikt nadat het in 1797 door de Fransen werd geconfisqueerd, maar nooit benaderde het gebruik van het gebouw zo dicht de oorspronkelijke kloosterfunctie als nu het dienst doet als hotel.


De priors, bestuurders van kruisherenkloosters kwamen sinds 1410 jaarlijks bij elkaar voor het algemeen kapittel in Hoei (België). De Kruisheren uit het land van Maas en Rijn overnachtten tijdens hun reis naar Hoei meestal bij geestelijken in Maastricht. In 1436 vond de Heiligdomsvaart in Maastricht plaats op het moment dat de Kruisheren onderweg waren naar Hoei. Er waren geen mogelijkheden tot overnachting. Daarom stelde de heer Egidius van Elderen enkele huizen aan de Kommel ter beschikking aan de kloosterlingen als overnachtingplaats.

Korte tijd later schonk hij de huizen aan de Kruisherenorde onder voorwaarde dat zij er een klooster zouden bouwen. Een aantal Kruisheren uit Venlo vroeg de benodigde toestemmingen aan bij het Kruisherenkapittel te Hoei, de bisschop van Luik, het kapittel van Sint-Servaas en de pastoor van de Sint Jan en stichtte vervolgens een klooster en kerk aan de Kommel. In eerste instantie bouwde men een noodkerkje met een dak van stro, dat in 1438 werd ingewijd. Later werd dit vervangen door het mergelstenen Kruisherenklooster, zoals we het nu nog kennen.

Tijdens de Heiligdomsvaart van 1440 werd de eerste steen gelegd. De bouw van het kloostercomplex verliep niet vlekkeloos. Door een tekort aan financiële middelen kon het gebouw niet in één keer voltooid worden. De Kruisheren waren afhankelijk van giften van de Maastrichtse bevolking en van de vrijwillige hulp van ambachtslieden. In 1459 waren het koor en de toren eindelijk gereed. In 1462 werd de pas gebouwde kerk getroffen door de bliksem. De toren stortte in. Ze werd weliswaar herbouwd, maar niet meer tot dezelfde hoogte. Het klooster werd tegen de zuidelijke kerkwand aangebouwd. In 1520 was het kloostercomplex pas voltooid. De Kruisheren hebben dus bijna een eeuw gebouwd aan hun onderkomen.


Aanvankelijk was de hoofdtaak van de Maastrichtse Kruisheren de bouw van het kloostercomplex en het vergaren van geld, giften en hulp hiervoor. De eigenlijke taken van de kloosterlingen, behalve hun religieuze taak waren gericht op de Maastrichtse samenleving. De Kruisheren bedienden niet alleen hun eigen kerk maar ook andere parochies binnen en buiten Maastricht. Ze verzorgden als priesters de missen voor de nonnen van het Bonnefantenklooster, de Grauwzusters en de Cellenbroeders. Ze hebben zich verdienstelijk gemaakt tijdens verschillende pestepidemieën, met name in 1529. Hun aanzien groeide zodanig onder het Maastrichtse volk dat het merendeel van de Kruisheren in de zestiende eeuw uit de stad afkomstig waren.Voorts waren de Kruisheren beroemd om het kopiëren, verluchten en inbinden van boeken.

In 1552 vestigde Jakobus Bathen weliswaar de eerste drukkerij in Maastricht, maar de Kruisheren behielden nog tot in de tweede helft van de zestiende eeuw hun goede naam op dit gebied. Ze verzorgden niet alleen prachtige handschriften, maar vervaardigde in hun eigen kloosterbinderij ook fraaie lederen banden, versierd met stempels waarop het embleem van de kruisheren prijkte. Dat bestond uit een gelijkbenig kruis en verwees naar de speciale devotie van de orde.


De Kruisheren behoorden tot de Orde van het Heilige Kruis; in de kruisdood van Christus lag het uiteindelijke doel van het christelijk heil. Ze vereerden in het bijzonder het Kruis van Christus. De stichter van de orde was Theodorus de Celles. Hij werd geboren in 1166 in het kasteel van de heren van Celles in de Ardennen. In 1208 werd hij kanunnik in Luik en ging vervolgens op reis naar Zuid-Frankrijk om op Kruistocht te gaan. Op gezag van de paus begon te prediken tegen ketterij en verkondigde de boodschap van het Kruis. In Frankrijk kwam hij in contact met de Heilige Dominicus, de stichter van de dominicanen. Zowel de pauselijke opdracht als die ontmoeting brachten Theodorus de Celles tot het inzicht een kloosterlijk leven te gaan leiden. Het leven als kanunnik achtte hij te werelds. Dit inzicht is de leidraad gebleven van de door hem gestichte orde van de Kruisheren, die tolerantie en hulp aan medemensen hoog in het vaandel droegen. Bijgevolg bekommerden ze zich om zielzorg en verpleging

Hun geloof stond in het teken van het Kruis. Dit kruisteken gold niet alleen als embleem van de boekstempel van de Maastrichtse Kruisheren, maar stond ook op hun kleding. De kleding van de kloosterlingen bestond uit een habijt van witte wol. Hierover werd een schouderkleed gedragen van grijze of lichtbruine stof, later werd dit een zwart lakens stof gemaakt. Op dit kleed was het Kruis van de Kruisheren bevestigd. De liggende balk van het gelijkbenig kruis was wit en de staande rood. Deze kleuren stonden symbool voor het water en bloed dat uit Christus' zijde vloeide na de kruisdood.


De orde had veel invloed; vele Maastrichtenaren wensten begraven te worden bij de Kruisheren. Daarvan getuigen nu nog verschillende grafstenen. Voornamelijk in de zestiende eeuw bloeide het Maastrichtse Kruisherenklooster, het telde zelfs meer dan 25 kloosterlingen. Met de komst van de Spanjaarden in 1579 kwam er in één klap een einde aan deze bloei. Slechts één kloosterling overleefde het beleg van de Spanjaarden. Het kloostergebouw raakte danig gehavend en kon slechts met moeite door een tekort aan financiële middelen worden hersteld. Aan het begin van de zeventiende eeuw werd het klooster opnieuw door oorlogsgeweld. Enkele decennia later, in 1673, belegerden de Fransen Maastricht. Het gebouw bleef niet gespaard. De Kruisheren werden verplicht Franse soldaten in te kwartieren. Lodewijk XIV was wel zo gul om 2100 gulden beschikbaar te stellen aan de Kruisheren om de aangerichte schade te herstellen. In de achttiende eeuw herstelde de rust zich, maar dit mocht niet lang duren.


In 1795 werd Maastricht ingelijfd door de Fransen. De inwoners van de stad moesten zich houden aan de Franse wetten. Eén daarvan was de scheiding tussen staat en kerk. Als gevolg daarvan confisqueerden ze alle kloosters. De Kruisheren moesten hun klooster verlaten. De staat nam hun maatschappelijke taken over en bood de kloosterlingen een klein pensioen van 10.000 franken aan.

Het Kruisherencomplex werd al spoedig in gebruik genomen door de bezetter. Die vestigde er een munitiemagazijn, een kazerne en een garnizoensbakkerij in. Bijna een eeuw lang behield het klooster zijn militaire bestemming. In 1801 mocht de geestelijkheid weer terugkeren in de stad, maar de Kruisheren kwamen nooit meer terug.


Aan het einde van de negentiende eeuw trok Victor de Stuers zich het lot van het kloostergebouw aan. Hij bekommerde zich om de restauratie van het gebouw, zodat het Rijkslandbouwproefstation zich erin kon vestigen. De voormalige kerk heeft nog lang dienst gedaan als tentoonstellingsruimte, vergaderzaal en stempellokaal voor werklozen. In 1941 werd de kerk toegevoegd aan het Rijkslandbouwproefstation voor korte tijd, want de Duitsers namen de kerk in beslag. Na de bevrijding gebruikten de Amerikanen de kerk als opslagplaats. In 1947 kwam de kerk weer in handen van het Rijkslandbouwproefstation. Aan het einde van de jaren '70 van de vorige eeuw vertrok dit uit Maastricht naar Wageningen. Het Kruisherencomplex werd nadien een dependance van het Rijksarchief en bood tot 2003 onderdak aan de Opera Zuid. Toen begon de verbouwing tot een prestigieus hotel.


Het kloostercomplex werd in oude gotische glorie hersteld. De carrévorm van de binnenhof heeft men intact gelaten. De verbinding tussen het klooster- en kerkgebouw is ook blijven bestaan. Voor de Kruisheren was deze verbinding belangrijk. De kloosterlingen baden achtmaal per dag. Een directe doorgang was dus noodzaak, want de vroegste mis begon al om twee uur 's nachts. In de vleugels van het klooster bevonden zich de refter, de studiezaal, de werkplaatsen, een bakkerij, een brouwerij en de cellen van de kloosterlingen. Die hebben nu plaats gemaakt voor moderne hotelkamers.


Binnen in de kerk vallen de grote glas-in-lood ramen op, met name die in het koor. Er zijn indrukwekkende zuilen, gewelfvelden in het plafond en muurschilderingen. Nu de kerk dient als entree, lounge, wijnbar en ontbijtzaal van het hotel, zijn deze opmerkelijke kenmerken van de voormalige kerk nog steeds duidelijk herkenbaar. Een voorbeeld hiervan zijn de mooi gerestaureerde muurschilderingen in een zijkapel van de oude kloosterkerk met afbeeldingen van de Heilige Gertrudis van Nijvel. De wandschilderingen tonen onder andere de bisschop die het klooster in Nijvel wijdt, de Heilige Gertrudis die de sluier aanneemt, Sint Gertrudis die een brand blust en voorts een schip in een storm zee dat wordt gered door het aanroepen van Gertrudis.

Deze afbeeldingen geven een beeld van het leven van de Heilige Gertrudis. Ze werd geboren in 626 in Nijvel en stierf daar op 33-jarige leeftijd. Ze verkoos het kloosterleven boven het huwelijksleven. Toen ze 21 jaar was, werd ze abdis van het klooster in Nijvel. Twaalf jaar later stierf ze. Na haar dood werd ze vereerd als patrones van de reizigers en aangeroepen tegen ongedierte.

In de wandschildering wordt naast het levensverhaal van Gertrudis ook de Sint Geerte-minnedronk afgebeeld. Voordat men op reis ging bracht men een toost uit op Sint Geerteminne, op een voorspoedige reis en een behouden terugkomst. Deze speciale verering van Gertrudis door de Maastrichtse Kruisheren vindt zijn oorsprong in de tijd voor het klooster gesticht werd. Immers de Kruisheren overnachtten elk jaar tijdens hun reis naar het generaal kapittel te Hoei op de Kommel.

Lange tijd waren de Kruisheren dus geen bewoners van Maastricht maar reizigers. Aangezien Sint Gertrudis de patrones van de reizigers is, is het aannemelijk dat de Maastrichtse Kruisheren haar speciaal vereerden. Bovendien boden de Kruisheren in hun klooster onderdak aan pelgrims.


Tijdens de officiële opening van het Kruisherenhotel in september 2005 erkende emeritus generaal-overste van de Kruisheren, Rein Vaanhold dit speciale verband tussen het voormalige klooster en het hotel. Immers de Kruisheren kennen al sinds mensenheugenis een gastenkwartier om mensen geborgenheid en rust te geven. De komst van een hotel in het kloostercomplex krijgt hierdoor extra betekenis: door de restauratie is een belangrijk spoor dat getuigt van Maastricht Middeleeuwse pelgrimsstad bewaard gebleven. Het verhaal van het rijke verleden van de Kruisheren en hun klooster- en kerkgebouw zal in de Maastrichtse geschiedenis blijven voortleven.


Meer informatie:
J. van den Boogard & S. Minis. Monumentengids Maastricht. Leiden, 2001, 65
F. van Hees. Maastrichtse Monumententaal. Heerlen, 1979, 25-28
W. Keyser-Schuurman. Het Kruisherenklooster. Maastrichts Silhouet 17. Maastricht, 1984
Th. van Rensch & A. Koldeweij, M. de la Haye, M. de Kreek. Hemelse Trektochten. Vierkant Maastricht 16, 39-41
Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. Monumenten van geschiedenis en kunst.
Geïllustreerde beschrijving van Maastricht. Den Haag, 1926. 241-258
P. Ubachs & I. Evers. Historische Encyclopedie Maastricht. Zutphen 2005, 294-295
http://www.destadmaastricht.com
http://www.kruisherenhotel.nl
http://www.uitgeverij-gianni.nl/boeken/hethuis.htm
http://www.oscgeneral.org/index1.asp?setl=NL
http://www.osc-europe.org/main.html