Kanunniken en Kapittels
In de vroege middeleeuwen groeide Maastricht rond zijn twee oudste kerken: de Onze-Lieve-Vrouwe en de Sint Servaas. De eerste was in bezit van de bisschoppen van Luik. De tweede behoorde aan de Duitse keizers en kwam uiteindelijk in handen van de hertogen van Brabant. Maastricht was dus een tweeherige stad en de mensen die er woonden waren ofwel Luikenaars ofwel Brabanders.

Al voor het jaar 1000 waren aan de beide Maastrichtse kerken kloosters verbonden. De kloosterlingen leefden volgens een vaste regel. Ze zongen zeven maal per dag het kerkelijke koorgebed en gingen voor in de mis. De kloosterlingen van de Sint Servaas zorgden daarnaast voor de opvang van pelgrims.

Die van de Onze-Lieve-Vrouw bekommerden zich vooral om zieken en gebrekkigen en gaven onderwijs. Tussen 1100 en 1300 leefden de beide kloostergemeenschappen steeds minder in groepsverband. Vanaf die tijd noemden zij zich kanunniken, omdat ze hun "canon" of leefregel trouw bleven. Samen vormden zij een kapittel, genoemd naar de kapittels, de hoofdstukken die zij dagelijks lazen in de bijbel. De gezamenlijke inkomsten uit landerijen en schenkingen, werden opgedeeld in gelijke parten.



Elke kanunnik mocht zijn geld vrij besteden. Hoe rijk zij wel niet waren, blijkt uit de vorstelijke huizen die zij in de straten rond de beide kapittelkerken lieten bouwen, de zogenaamde "claustrale" huizen of kanunikkenhuizen. Officieel werden de leden van het kapittel van Sint Servaas benoemd door de keizer, die van Onze-Lieve-Vrouw door de bisschop van Luik.

Doorgaans verkochten hun vertegenwoordigers in Maastricht de opengevallen plaatsen aan de meest biedende. Het kapittel van Sint Servaas was het grootst en met zijn machtige beschermheren ook het rijkst.

De beide kapittels vormden elk een eigen staatje binnen Maastricht. Zij hadden hun eigen bestuur, eigen regels en rechtspraak, en voorrechten die anderen niet hadden. De leiding van elk kapittel was in handen van een proost en een deken. De proost regelde alle wereldlijke zaken. Hij beheerde het grondbezit en sprak recht over alles wat zich in de kerk, de kloostergang en in de openbare straten rond de kapittelkerk afspeelde. De deken was belast met alle geestelijke zaken en met de zielzorg voor de parochianen.

De andere kanunniken hadden ieder hun eigen taak. Zo was er een "scholaster" die onderwijs gaf en toezicht hield op de kapittelschool. Een "cantor" had de zorg voor de kerkelijke muziek en de koordienst. De "camerarius" en de grootrekenmeester waren belast met het beheer van de financiƫn en de gebouwen. En de "custos" lette op de schatkamer. Behalve de geestelijken waren aan beide kapittels nog vele tientallen leken verbonden. Variƫrend van rentmeesters en klokkenluiders tot bakkers en brouwers.

De Maastrichtse kanunniken gebruikten hun macht en geld niet alleen voor zich zelf. Met hun opdrachten voor het onderhoud en de verfraaiing van de kapittelkerk, waren zij een belangrijke steun voor de plaatselijke kunstenaars en ambachtslieden. Daarnaast deelden zij in de kosten voor de verdediging van de stad.

Tot de Franse revolutie van 1789 bleef de macht van de kapittels en de kanunniken onaangetast. Kort na de revolutie werd Maastricht door Franse troepen bezet en bij Frankrijk ingelijfd. Een deel van de kerken, kloosters en kapellen in de stad werd gesloten. De kapittels werden opgeheven, de kanunniken verjaagd en hun bezittingen werden verkocht. De Servaaskerk diende voortaan als parochiekerk; de Onze-Lieve-Vrouwe deed dienst als militaire opslagplaats.