De twee stadsmuren
De Duitse vorst Otto IV droeg in 1202 de Duitse rechten op Maastricht en het Sint Servaas kapittel over aan de Brabantse hertog Hendrik I. Hij breidde zijn gebied aan de oostzijde van de stad uit. Dit was een schop tegen het zere been van de Luikse Prins-Bisschop. Daarom liet bisschop Hugo de Pierpont in 1204 de pas opgeworpen aarden stadswal verwoesten. De Brabantse hertog gaf in 1229 de stad het recht een stenen stadsmuur op te richten. Omstreeks 1250 was deze eerste stadswal voltooid. Ze was al gauw te klein. De stad was dichtbevolkt. Omstreeks 1300 ging de bouw van de tweede stadswal van start. Het grote gebied tussen de twee stadsmuren was omvangrijk en bleef lange tijd onbebouwd. De Maastrichtenaren hoorden in de dertiende eeuw tot de "bisschopsluyden" (Luikenaren) of de "hertogsluyden" (Brabanders). In 1284 hebben Luikenaren en Brabanders het verdrag van de Alde Caerte gesloten. Dat betekende dat de stad voortaan door twee heren bestuurd zou worden. Samen kregen de twee heren zeggenschap over de vestingwerken, de munt en de belastingen. De tweeherigheid bleef bestaan tot de komst van de Fransen in 1794.


Een welvarende stad
In de loop van de Middeleeuwen werd Maastricht steeds welvarender. De gunstige ligging voor de handel droeg hier aan bij. Net als de waterkracht van de Jeker en de Maas die gebruikt werd om te malen. Middeleeuws Maastricht was een stad van ambachten, handel en verkeer.In de late Middeleeuwen groeide de stad: tussen 1400 en 1500 kreeg Maastricht ongeveer vierduizend burgers erbij. Tot aan 1550 behoorde de Maasstad tot de middelgrote steden van Europa. Maastricht stond bekend om haar productie van leer en textiel. Het Maastrichtse laken werd verhandeld in de lakenhal. Deze lag tegen de eerste stadsmuur ter hoogte van de huidige markt. Aangezien de ambachten een belangrijke rol speelden in de welvaart van de stad, kregen zij ook invloed in het bestuur van de stad.


Geloofsbeleving
Maastricht kende een rijk godsdienstig leven. Beroemd waren haar kerkschatten. De zevenjaarlijkse heiligdomsvaart trok mensen van heinde en verre. In de hoge Middeleeuwen bereikte de bedevaartcultus zijn hoogtepunt. Dit was uitstekend voor de economie van de stad. De vele pelgrims hadden onderdak en voedsel nodig. In de buurt van de Sint-Servaaskerk vestigden zich vele herbergen en café's.
Huizen
De huizen werden in de Middeleeuwen in vakwerkbouw gebouwd met strooien daken. Adellijke huizen werden heel zelden in steen gebouwd. Ze zagen eruit als versterkte "woontorens" met dikke muren en kleine lichtopeningen. Alleen aan de Vissersmaas no 7 en de achtergevel van het pand Stokstraat 55 zijn enkele sporen teruggevonden van dit type woontoren. De meeste huizen waren van hout. Zo niet dan verwijst de naam van een huis naar het gebruik van steen zoals "Int Steynenhuys" (Maastrichter Brugstraat) of "'t Steynen Huys tot Ludick" (Bredestraat) of "'t Steynen Huys" (Muntstraat).
Hoe liep de eerste stadsmuur rond Maastricht?
De eerste stadsmuur werd gebouwd in kolenzandsteen. Op de linker Maasoever liep ze vanaf de Maas langs de Jekerdelta, aan de westkant van de stad in een wijde boog om het gebied van de Sint Servaas heen, vervolgens dwars over de huidige markt en tenslotte sloot ze aan de noordzijde van de stad aan bij de Maas.
Hoe liep de tweede stadsmuur rond Maastricht?
Bij het pater Vincktorentje sluit deze muur aan op de eerste stadsmuur vandaar af volgt deze muur het traject van de eerste stadsmuur met een tussenruimte van ongeveer 350 meter tot aan de Maas.
De Alde Caerte.
De overeenkomst die werd vastgelegd in de Alde Caerte had niet alleen betrekking op de bestuursvorm van de stad, de tweeherigheid, maar ging ook over het onderhoud van de brug, stadsmuur, de stadspoorten, de wegen, waterputten, de gebouwen van de stedelijke overheid, maar ook over de belastingen en het slaan van munten.
Dialecten
In de Hoge Middeleeuwen werd in het huidige Nederlandse taalgebied geen standaardtaal gesproken, maar dialecten. De dialecten samen worden Middelnederlands genoemd. Dat is te verdelen in vijf grote dialectgroepen, waarvan het Limburgs er één is. Het Limburgs werd in eerste instantie alleen mondeling doorgegeven. Dit veranderde toen de Middeleeuwse steden begonnen op te bloeien. Documenten werden in de volkstaal geschreven. Sindsdien werd het dialect ook schriftelijk doorgegeven. In de periode van 1300 tot 1500 nam de handel tussen steden toe, waardoor burgers contact kwamen met elkaars dialect. De uitvinding van de boekdrukkunst rond 1450 zorgde ervoor dat de dialecten steeds meer tot elkaar kwamen. Uiteindelijk is het Nederlands ontstaan. Dialecten worden echter nog steeds gesproken. Vooral in Limburg en met name in Maastricht wordt de streektaal een warm hart toegedragen. Velen spreken het dialect nog.
Boven en beneden de brug
De stad werd in twee delen gesplitst door de houten brug. Deze stortte in 1275 in. Circa honderd meter noordelijker werd een nieuwe stenen brug gebouwd tussen 1275 en 1300. De brug was de scheidingslijn tussen de Luikse Maastrichtenaren, die woonden ten zuiden van de brug, en de Brabantse Maastrichtenaren die ten noorden van de brug woonden. De tweeherigheid gold ook voor het stadsdeel Wyck, maar niet voor de territoriale bezittingen van de kapittels van Sint-Servaas en de Onze-Lieve-Vrouwekerk en het territorium van de Vroenhof.

Zestiende eeuw
In de zestiende eeuw raakte het binnenterrein tussen de twee stadsmuren ook niet vol. Huizen werden nog gebouwd in vakwerkbouw. De daken waren met stro bedekt.


In de loop van de zestiende eeuw
In de loop van de 16e eeuw en in de 17e eeuw werden huizen steeds meer gebouwd in Maaslandse Renaissance stijl. Deze stijl kwam in de stad ook voor in de kloosterbouw zoals het Jezuïetenklooster (1609) of het Augustijnenklooster (1610). Ook in het begin van de 17e eeuw bleef de terrein tussen de twee stadsmuren nog goeddeels onbebouwd. Er werden enkel kloosters gebouwd en begraafplaatsen en militaire oefenterreinen ingericht. Nadat in 1612 circa veertig woningen in de Brusselsestraat in vlammen op gingen, besloot het stadsbestuur dat er alleen nog maar "met steenen oft bricken" gebouwd mocht worden. In 1665 worden de maatregelen ter verstening van de stad wettelijk vastgelegd in het Recueil der Recessen, een verzameling gemeentelijke voorschriften.





Interieurs
In deze eeuw begon men ook aandacht te besteden aan het interieur van de huizen. Het was vanouds gebruikelijk dat het ambacht achter het huis werd uitgevoerd. Alle grondstoffen, producten, knechten en paarden moesten tot dan toe door het huis om de werkplek te bereiken. In de 17e eeuw werd voor dit werkverkeer een aparte gang in het huis aangelegd.




Volksgezondheid
Veel straten in de stad waren niet meer dan karrensporen. Ze waren bezaaid met puin, slachtafval en overal liepen dieren, zoals varkens. Straatvuil werd nauwelijks opgehaald, zodat overal in de stad "swaere luchten" hingen. Die vuiligheid maakte dat "pest" zich snel kon verspreiden. Het bevolkingsaantal daalde van de 16e tot de 18e eeuw, daalde in tijden van pest en oorlog en steeg in vredestijd. Gemiddeld leefden er 15.000 mensen in de stad. Daaronder waren soldaten van het garnizoen en ook veel kloosterlingen; er waren meer dan 20 kloosters in de stad.

Stedelijke nijverheid
De stedelijke nijverheid nam af in de 17e eeuw. Maastricht was een dure stad vanwege de hoge stadsbelastingen en de prijzen van levensmiddelen. Het was dus geen aantrekkelijke stad voor de gewone man, maar ook niet voor kapitaal- krachtigen. De gegoede burgerij bestond uit kanunniken, kooplieden, advocaten en notarissen. De middenstand werd gevormd door ambachtslieden, kloosterlingen en geestelijken.

De volksgezondheid was niet ideaal. Gemiddeld leefde de mensen maar dertig jaar; kindersterfte en ondervoeidng kwamen veel voor. Ernstige ziektes als longontsteking en roodvonk teisterden de stad.

Middelgrote stad
Het dagelijks leven veranderde tussen 1500 en 1800 niet veel. Oorlogen, ziektes en financiële zorgen maakten dat Maastricht van een grote Middeleeuwse stad, een middelgrote stad werd.