Waarom het Generaalshuis?
Het Generaalshuis aan het Vrijthof is een van de blikvangers van het plein. Het statige, markante gebouw geeft de noordelijke gevelwand van het Vrijthof persoonlijkheid. Veel mensen denken bij het Generaalshuis onmiddellijk aan het Theater aan het Vrijthof. Het Generaalshuis vormt immers de entree van het Theater, dé plek waar je van toneel en muziek kan genieten. Maar er zijn ook associaties mogelijk met Generaal Dibbets, de politie of het Witte Vrouwenklooster. De geschiedenis van dit markante "stadspaleis" gaat ver terug en het gebouw draagt de sporen van gebeurtenissen, die belangrijk waren voor de stad Maastricht. De verhalen rond dit gebouw gaan over de Romeinse tijd, over de middeleeuwen, over de Franse tijd, over het moderne Maastricht en over het Maastricht van vandaag de dag. Zo bezien vormt het Generaalshuis een schakel tussen de stad waar we dagelijks doorheen lopen (ofwaar u misschien een enkele keer door heen loopt als toerist) en de perioden die belangrijk zijn geweest voor de historische identiteiten van de stad Maastricht. Het Generaalshuis is een van die gebouwen die het verleden de stad binnenbrengen!Het Generaalshuis - Oudheid en Middeleeuwen
De Romeinse weg langs het Generaalshuis. Meer dan tweeduizend jaar geleden (een half jaar voor de geboorte van Christus, denken de archeologen), liep vlak vóór de plek waar het Generaalshuis nu staat een Romeinse weg. De Romeinen kwamen naar het gebied tussen de Maas en de Jeker omstreeks vijftig voor Christus. Langs de weg vestigden zich handelslieden en zo ontstond een kleine nederzetting die zou uitgroeien tot de stad Maastricht. De Romeinse Heerbaan maakte deel uit van de beroemde Via Belgica die vanuit Gallië van Bavai naar Keulen liep. Ter hoogte van het Vrijthof zijn van de Heerbaan geen sporen gevonden die voor het blote oog zichtbaar zijn. De enige zichtbare sporen die aan de Romeinse tijd herinneren in het Generaalshuis zijn de resten van Romeinse dakpannen. De dakpannen werden samen met middeleeuws aardewerken beenderen in de kelder aangetroffen bij de restauratie van het gebouw in de jaren tachtig.Hoe liep de Romeinse weg?De Romeinse heerbaan vestigde de route die nog steeds de slagader van Maastricht vormt! De weg kwam ter hoogte van de wijk Daalhof Maastricht binnen en liep vandaar via de Brusselsepoort naar het Emmaplein. Vanaf het Emmaplein ging hij verder door de Brusselsestraat en zette zich over de noordelijke rijbaan van het Vrijthof - langs het Generaalshuis - voort. Hij vervolgde zijn weg in oostelijke richting door de Grote Staat en de Jodenstraat en stak de Maas over via de Romeinse brug. Hoe de weg aan de andere kant van Maastricht in Wijck verder liep, is niet bekend. De route Emmaplein, Brusselsestraat, Vrijthof, Grote Staat en Servaasbrug - waar de Romeinse brug overigens niet mee samenviel - is nog steeds de centrale route door het centrum van de stad.
Een middeleeuwse palts op de plek van het Theater aan het Vrijthof?
Een hardnekkige Maastrichtse mythe rond het Generaalshuis gaat over de Maastrichtse palts. Een palts (afgeleid van het Latijnsepalatium), is een paleis waar koningen of keizers in de vroege middeleeuwen woonden. Volgens de mythe heeft in Maastricht minstens één zo'n palts gestaan, als het er niet meer waren. Het paleis werd gebouwd door de Merovingen en werd later bewoond door de hertogen van Lotharingen. Karel de Grote zou zijn Maastrichtse palts enkele keren bezocht hebben vanuit Aken, de plaats waar hij het liefste verbleef. Bij de opgravingen achter het Generaalshuis dacht men de langverwachte palts gevonden te hebben! Er werden restanten gevonden van een groot, rechthoekig gebouw, dat geen paleis was, maar eerder een flinke herenhof. Bovendien werd dat gebouw gedateerd in de tiende of elfde eeuw, wat een palts uit de zesde of zevende eeuw uitsloot. Ook leverde het gebouw geen bewijs voor een belangrijke verblijf plaats van de Lotharingse hertogen.De fundamenten van het Generaalshuis: Het Witte Vrouwenklooster.
Tot het einde van de achttiende eeuw waren de meest opvallende gebouwen aan de noordzijde van het Vrijthof de kloostergebouwen van de Witte Vrouwen. In de middeleeuwen moet het klooster zich hebben uitgestrekt van het Vrijthof tot aan de muur van de eerste stadsomwalling, die parallel lag aan de huidige Grote Gracht. De belangrijkste kloostergebouwen lagen op de plaats van de vroegere Romeinse weg. Uit oude afbeeldingen blijkt dat het klooster een eenvoudig zaalkerkje had met een veelhoekig koor en een hoog zadeldak, dat bekroond werd door een rijzige klokkentoren. Volgens de legende werd het vrouwenklooster al in de zevende eeuw gesticht door bisschop Johannus Agnus. Johannus was een vrome boer uit het Belgische plaatsje Tihangedie door een engel geroepen was tot het bisschopsambt, zo verhaalt de legende.Rond het jaar 1229 werd het Witte Vrouwenklooster gesticht als gemeenschap voor bekeerde prostituees. De officiële naam van de zusters was "penitenten van de Heilige Maagd Maria", maar om hun witte wollen kleding werden ze in de volksmond "Witte Vrouwen" genoemd. In de dertiende eeuw ging het de zusters voor de wind; ze hadden in Wijck een bunder akkerland waar in de loop van de eeuw steeds meer land bijkwam. De naam van de wijk "Witte Vrouwenveld" herinnert nog aan dit bezit.
In 1794 veroverden de Fransen Maastricht en een jaar later werd het klooster -met vele andere Maastrichtse kloosters - opgeheven. Begin negentiende eeuw werd op de fundamenten van de kerk van het Witte Vrouwenklooster het Generaalshuis gebouwd, het klooster was inmiddels grotendeels gesloopt. De fundamenten zijn nu te bezichtigen in de kelder van het Generaalshuis. Tijdens de restauratie van het huis in 1986, zijn resten in het huis gevonden van middeleeuws vakwerk van de begijnenhuisjes van de zusters. Ook die zijn nog steeds te zien. Tijdens de voorbereidingen voor de bouw van het Theater aan het Vrijthof in 1988, zijn de belangrijkste restanten van het klooster - een langgerekt gebouw, dat evenwijdig aan het Generaalshuis liep - afgebroken.
Mariken van Nimwegen
De bekendste Witte Vrouw uit het klooster is Mariken "uit Nijmegen". Zij heeft het tot nationale beroemdheid geschopt dankzij het middeleeuwse mirakelspel "Mariken van Nimwegen", nog steeds verplichte stof op de middelbare school.Als jong meisje werd Mariken door de duivel Moene verleid om hem op zijn reizen door de wereld te vergezellen. In ruil daarvoor zou Mariken geleerd worden, zo beloofde de duivel Moene haar. Zeven jaar lang leidde Mariken een zondig leven met Moene. Op een gegeven moment kwam Mariken tot inkeer. Ze ging naar de Paus en vroeg hem hoe ze voor haar zonden kon boeten. De Paus gebood haar in het klooster van de Witte Vrouwen in te treden. Dat deed Mariken. Ze bracht de laatste vijfentwintig jaar van haar leven in het Maastrichtse vrouwenklooster door en werd er begraven.
Link:
Digitale Bibliotheek Nederland, mirakelspel Mariken van Nimwegen
De Zwarte Christus, het Zwart Kruis van Wijck.
Een andere bekende zuster uit het Witte Vrouwenklooster is Anna. Anna is de "moeder" van de derde stadsdevotie van Maastricht, het middeleeuwse beeld van de Zwarte Christus van Wijck. Dit prachtige, aardkleurige beeld dat zich nu in de Sint Martinuskerk van Wijck bevindt, is zijn veelbewogen leven begonnen in het klooster van de Witte Vrouwen.De Zwarte Christus is van notenhout, dat in de loop van de eeuwen donkerbruin is geworden. Het beeld is gemaakt uit één stuk hout en het is levensgroot. Het moet dus van een flinke notenboom zijn gemaakt. Waarschijnlijk is het lichaam van Christus uit de stam gesneden en zijn de armen uit de takken gehaald. Waar het beeld vandaan komt en wie het heeft gemaakt, is niet bekend. Volgens pastoor Tardier van de Sint Martinuskerk is het de vraag of er wel een kunstenaar aan te pas is gekomen.
Bijzonder mooi aan het corpus zijn de vormgeving en de uitdrukking. De Zwarte Christus staat rechtop en heeft geen wondtekenen. Op deze manier werd Christus in West-Europa in de beeldhouwkunst niet afgebeeld in de dertiende eeuw, maar wel in Palestina. Het beeld zou door kruisvaarders kunnen zijn meegebracht naar Maastricht, maar erg waarschijnlijk is dat niet. De vormgeving uit het Oosten werd overgenomen door schilders in het Oost-Romeinse Rijk en beïnvloedde zo de vroege Italiaanse schilders. Waarschijnlijk heeft een Maaslandse beeldhouwer de Zwarte Christus gesneden naar voorbeeld van een schilderij van een van deze Italiaanse "Primitieven".
Volgens de legende komt het beeld uit een noot, die vlakbij Maastricht geplant werd door het meisje Anna. Een illustratie van Hetty Kluijtmans uit het missieboekje "De Zwarte Christus van Wijk" uit 1959 verbeeldt deze legende en de legende van "De Zwarte Christus op de Ossenwagen". In de Sint Martinuskerk van Wijck, in de kapel ten noorden van de toren, rechts van de ingang van de kerk, staat een diorama waar in zes scènes de geschiedenis van de Zwarte Christus wordt verbeeld. Het diorama is gemaakt door studenten van de Kunst-Nijverheidsschool Maastricht omstreeks 1955. Enkele foto's van het diorama zijn voor dit item gebruikt.
De legende over Anna en de Zwarte Christus.
Omstreeks het jaar dertienhonderd, in het Belgische plaatsje Riemst, niet ver van Tongeren, leefde een edelman met zijn kinderen. De jongste was Anna, die een beetje onnozel was. De Heer van Riemst ging voor een jaar naar het Heilig Land, waar hij voor al zijn kinderen geschenken kocht, maar hij vergat zijn jongste kind Anna. Gelukkig had hij uit het Heilige Land nog een noot meegenomen, gewikkeld in zijden doeken met geurige kruiden. Dat was wel iets voor Anna, dacht de heer van Riemst. Anna was zielsgelukkig met haar noot. Ze plantte hem in de tuin en verzorgde hem goed. Na een tijdje ontkiemde de noot en kwam er een klein boompje met drie takjes uit de grond, in de vorm van een kruis. Het kiempje groeide uit tot een machtige notenboom met drie forse takken. Op een nacht barstte een vreselijk onweer los boven Riemst. De bliksem sloeg in Anna's boom. Anna stoof er verschrikt op af. In het midden van de door de bliksem opengespleten stam stond een levensgroot, zwart beeld van de gekruisigde Christus, dat uit de door haar geplante noot was gegroeid: "en de dat cruijs stonde in 't mittel van der noet, want 't cruijs was uutter noete ghekomen", aldus de legende. Al die tijd had de notenboom dit beeld in zich verborgen gehouden. Vanaf dat moment wilde Anna Christus gaan dienen. Ze trad in in het Witte Vrouwenklooster in Maastricht en nam het beeld mee.De Zwarte Christus bij de Witte Vrouwen en ondergedoken voor de Fransen
Vanaf ongeveer dertienhonderd stond het beeld van de Zwarte Christus in de Witte Vrouwenkerk. De Witte Vrouwen plaatsten het beeld op een altaar. Een tekening van Philippe Van Gulpen uit de negentiende eeuw herinnert hier nog aan. Er ontstond al snel een grote devotie voor de Zwarte Christus, onder anderen dankzij de propaganda van de Witte Vrouwen. De massale Heiligdomsvaarten brachten vanzelf bedevaartgangers naar het Zwarte Christusbeeld. Het oudste document over de verering van de Zwarte Christus is een pauselijke bul uit 1482. Daarin wordt aan ieder een aflaat verleend die op feestdagen, zoals het feest van de Kruisverheffing in september, de kerk bezocht. In 1496 was het zo druk in de kerk, dat het Heilige Kruis de hele dag aan de rijen mensen getoond moest worden. Er kwam zelfs een ijzeren traliehek omheen om het beeld te beschermen tegen al te opdringerige pelgrims. De bronnen vermelden enkele wonderen die dankzij het beeld plaatsvonden. Volgens sommigen bewerkstelligt het beeld ook tegenwoordig nog wonderen.Sinds 1635 trok de jaarlijkse bedevaart naar de Maria kapel in Scherpenheuvel door Maastricht, waarbij ook het Christusbeeld in de kerk van de Witte Vrouwen werd bezocht. Deze bedevaart wordt nog steeds gehouden vanuit de Sint Martinuskerk in Wijck, waar het beeld nu staat. Toen de Fransen in 1796 Maastricht bezetten, betekende dat het einde van het Witte Vrouwenklooster. De Witte Vrouwen werden op straat gezet en de kloostergebouwen werden verkocht. Volgens de legende wilde Napoleon het beeld hebben, en probeerde men hem te misleiden met een kopie van de Zwarte Christus. Zeker is dat het beeld lange tijd ondergedoken is geweest bij een van de zusters op een zolder in de Wijcker Brugstraat.De Zwarte Christus op de Ossenwagen
De Fransen verlieten in 1814 de stad, het einde van de Franse tijd was aangebroken. De katholieke "orde" werd weer in Maastricht hersteld. De Witte Vrouwen keerden niet terug in hun klooster en het Zwarte Christusbeeld vond een plek in de Sint Martinuskerk in Wijck. Een volkslegende verhaalt dat verschillende kloosters en parochies het beeld wilden hebben. Om een einde te maken aan het geruzie, werd het beeld op een versierde ossenwagen geplaatst. De vier witte ossen zouden het Zwarte Kruis naar de plekbrengen waar God het wilde hebben. De dieren werden in de Wijcker Brugstraat losgelatenen konden gaan waar ze wilden. Tot ieders verbazing sloegen de ossen voor de Maasbrug al de Oeverwal in en trokken de wagen tot voor de Martinuskerk in Wijck.De Zwarte Christus in de Sint Martinuskerk te Wijck
In 1804 kreeg pastoor Delruelle toestemming van de bisschopom het Zwart Christusbeeld in de Sint Martinuskerk te plaatsen waar het tot op de dag van vandaag staat. De devotie tot het Zwarte Kruis bloeide weer op dankzij de inspanningen van de Broederschap van het Heilig Kruis, die begin negentiende eeuw werd opgericht. De Broederschap ziet het als haar taak om de devotie tot het Zwart Kruis levend te houden. Zij organiseert onder andere ieder jaar de voetbedevaart naar de Mariakapel in Scherpenheuvel. De bedevaart begint op de ochtend van de vijfde maandag na Pasen;ze duurt vier dagen en 's donderdags keert men weer terug naar de kerk van Wijck. Bij de voetprocessies dragen de Broedermeesters het Zwarte Christusbeeld mee. Ze dragen dan zwarte mantels en trekken zingend en biddend met de Zwarte Christus door de stad, gevolgd door de parochianen. In 2004 werd gevierd dat de Zwarte Christus tweehonderd jaar in Wijck is.Het Generaalshuis - De Franse tijd tot en met de Negentiende Eeuw
De Ceuleneer bouwt het Generaalshuis. In 1797 werd het leegstaande Witte Vrouwenklooster verkocht aan de koopman Petrus Franciscus de Ceuleneer (1743-1816). De Ceuleneer liet de gebouwen slopen en bouwde op de fundamenten van het voormalige klooster een stadspaleis. Hij ging er met zijn gezin wonen. Het paleis kreeg later de naam Generaalshuis en is nog bijna helemaal in oorspronkelijke staat op het Vrijthof te zien. Petrus Franciscus de Ceuleneer genoot in zijn tijd veel aanzien. Hij was handelaar in tabak, fabrikant, teler en oliehandelaar. Daarnaast was hij grootgrondbezitter, lid van het "Conseil General du departement de la Meuse Inferieure" en lid van de municipaliteit. De Ceuleneer bracht de tabakshandel in Maastricht tot grote bloei. Dit kwam niet in de laatste plaats doordat hij de inhoud van de Maastrichtse toiletten verzamelde en deze gebruikte voor bemesting. Uit de aanwezigheid van een meekrap molen achter het Generaalshuis, blijkt dat De Ceuleneer ook geïnteresseerd was in de teelt van Meekrap. Meekrap is een plant waaruit rode pigmentstoffen werden gewonnen, die men gebruikte voor het maken van verf. De zoon van Petrus, die ook Petrus heette, trad in de voetsporen van zijn vader maar was heel wat minder succesvol. Hij raakte in ernstige financiële problemen en moest het huis aan het Vrijthof in 1825 verkopen aan Generaal Dibbets.Franse invloeden in het Generaalshuis.
Het Generaalshuis is een stadspaleis in classicistische stijl. Deze architectuurstroming was in de tweede helft van de achttiende eeuw ontstaan in Frankrijk. De Franse invloeden komen duidelijk terug in de interieurdecoraties van wapens en bloemtrofeeën in Empirestijl en in de verschillende wandversieringen. De schilderijen van Charles Soubredie in de salon hangen zijn zeker het bekijken waard. Soubre beeldde de lente, zomer, herfst en winter af. Ook hangen in de salon vier schilderijen van zijn hand die de elementen personifiëren: aarde, water, vuur en lucht. Tenslotte schilderde Soubre in de salon nog een reeks gewijd aan de Schone Kunsten: de schilderkunst, de architectuur, de muziek, de beeldhouwkunst en de poëzie. Bij de restauratie in 1986 is de monumentale trap in de hal van het Generaalshuis verwijderd. Dit was een trap van het Imperiale type, waarvan Maastricht er maar enkele bezat. De trap had een dubbele opgang die via een middenbordes werd voortgezet in een enkele opgang. Gelukkig is de trap in delen bewaard gebleven.
Behield generaal Dibbets Maastricht voor de Nederlanden?
Generaal Dibbets is degene aan wie het Generaalshuis zijn naam dankt. Baron Bernard J.C. Dibbets (1782-1839) huurde het huis aan het Vrijthof vanaf 1819 van de Ceuleneer en kocht het van de familie in 1825. Dibbets doorliep een glansrijke militaire carrière: eerst streed hij voor de Bataafse Republiek, vervolgens was hij soldaat van Napoleon en tenslotte trad hij in dienst van koning Willem I. Hij was negen jaar opperbevelhebber van de vesting Maastricht.Dibbets staat bekend als de generaal die tussen 1830 en 1839 Maastricht voor de Nederlanden behield. In 1814 was Maastricht ingelijfd bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en in 1815 werd de vesting de hoofdstad van de nieuw gevormde provincie Limburg. Maar de Nederlandse gezindheid bleek bij de Maastrichtenaren niet groot. Toen in 1830 de Belgische opstand uitbrak en de Belgische muiters de vesting wilden veroveren, schaarden de Maastrichtenaren zich unaniem aan Zuidelijke zijde. In heel Limburg gaf men trouwens de voorkeur aan de Belgen. Het had maar een haartje gescheeld of Maastricht had bij België gehoord. Of Dibbets verantwoordelijk moet worden gehouden voor het behoud van Maastricht voor Nederland is nog steeds een geliefd punt van discussie. Dibbets werd voor zijn werk in 1835 in de Nederlandse adelstand verheven.
Gesol met het lijk van Dibbets: de impopulariteit van de generaal
Toch maakte Dibbets wel of niet vermeende verantwoordelijkheid voor de Nederlandse nationaliteit van de Maastrichtenaren hem er niet populairder op bij de Maastrichtenaren! Allerlei geruchten rond de "kwalijke" persoon van Dibbets deden de ronde bij de burgers. Dibbets mocht graag drinken en gokken in de Grote Sociëteit aan het Vrijthof, maar dat hij een gok- en drankverslaafde zou zijn geweest, valt te betwijfelen. Tussen het garnizoen en de burgers kwam het regelmatig tot conflicten. Het gerucht dat Dibbets burgers zou hebben afgeranseld, was hardnekkig. In ieder geval zorgde de slechte naam van de generaal ervoor dat men niet wist waar men hem moest begraven toen hij stierf in 1839. Eerst werd de garnizoenscommandant begraven op de algemene begraafplaats aan de Tongerseweg. Koning Willem I had voor hem een monument laten plaatsen. In de negentiende eeuw was dit monument het mikpunt van veel protest. In 1839 plaatste het stadsbestuur de tombe voor Dibbets op het bastion C van de Bosschefronten. Het was een eer om in de vestingwerken begraven te worden. In 1925 stelde het college van B en W voor het grafmonument te verplaatsen naar het park rond Bastion Waldeck, maar de oppositie in de raad wees dit stellig van de hand. Men vond dat Dibbets genoeg eer had gekregen vanuit Den Haag en dat Maastricht daar niet nog eens een schepje bovenop hoefde te doen. Dibbets werd door de oppositie vergeleken met de hertog van Alva. Tenslotte werd de tombe in 1927 tactisch en zonder ceremonieel op kosten van het Rijk verplaatst naar het terrein van de Tapijnkazerne aan de Prins Bisschopsingel, beveiligd tegen vandalisme door een hek. Op 15 mei 2006 werd op een van de pijlers van de Noorderbrug, waar ooit Bastion C lag, een naamsteen voor baron Dibbets onthuld. Na 167 jaar was er eer herstel voor de garnizoenscommandant.Een tweede generaal in huis: Des Tombe
Een tweede generaal die het Generaalshuis bewoonde, was A.J.J. Des Tombe (1787-1845). Na de slag bij Waterloo nam hij ontslag uit Franse krijgsdienst en trad hij in Nederlandse dienst. Koning Willem I verhief hem in 1829 in de adelstand. In 1841 werd Des Tombe luitenant-generaal, opperbevelhebber van de derde divisie in Limburg en dus opperbevelhebber van Maastricht. Des Tombe was in tegenstelling tot Dibbets erg geliefd bij de stedelingen. Maastricht kon maar kort van zijn beminnelijke persoonlijkheid genieten, want na vier jaar stierf hij al. De gravure van J.P. le Clerc beeldt de lijkstoet af van Des Tombe. De bevolking liep in diepe rouw achter de lijkbaar van de in de volksmond "De Stoomp" genoemde generaal. Zijn paard liep mee in de stoet, het was voor de begrafenis kreupel geslagen.Rond de laatste rustplaats van Des Tombe was heel wat minder gedoe dan rond de teraardebestelling van Dibbets. Des Tombe kreeg een monument bij de Boschpoort op het Biezenbastion. Het was een mooi praalgraf, idyllisch gelegen op een heuveltje onder een hoge boom. Het plekje was zo romantisch dat de Maastrichtenaren meenden dat er allerlei "prachtigs" gebeurde bij "d'n tombeau vaan de Stoomp". Later kreeg zijn tombe een mooie plaats in het Waldeck-park aan de Tongerseweg achter de "Van Oppenbank". Dit was de plaats die men voor Dibbets te waardig had gevonden.
De Vrijmetselaars.
Vóór de opgraving als voorbereiding op de bouw van de schouwburg achter het Generaalshuis in 1988, stond aan de achterkant van het Generaalshuis een poort waarop het jaartal 5877 te zien was. In onze jaartelling is dat het jaar 1877. Dit was het jaar waarin een vrijmetselaarsloge werd gehuisvest in een van de gebouwtjes grenzend aan het kloosterterrein. De naam van de loge was La Perséverance: haar kleur was donkergroen. Voor zover bekend is La Perséverance de enige vrijmetselaarsloge die Maastricht gehad heeft. De loge werd opgericht in het jaar 1763 en was tevens de eerste niet-militaire, "bourgeois" loge. Het ging niet erg goed met de loge, want ze moest in 1843 nieuw leven worden ingeblazen door de prins der Nederlanden Willem Frederik Karel. De prins was zelf vrijmetselaar.Het gebouwtje van de vrijmetselaars werd veel bezocht, ook door niet leden, toen de loge erin 1878 een gratis Volksbibliotheek in huisvestte. Dit was nogal tegen de zin van de Maastrichtse geestelijkheid. De katholieken vonden de boeken wat al té vrijzinnig. De bibliotheek bevatte een groot aantal antikerkelijke geschriften en weerspiegelde de revolutionaire denkwereld van de achttiende eeuw. De collectie bevatte boeken van door de katholiek kerk gehate auteurs als Amicis, Garibaldi, Manzoni, Stendhal, Trollope, Dumas en Conrad Busken Huet. In totaal bevatte de collectie ongeveer 2500 titels. Het niveau van de geboden literatuur was hoger dan van andere volksbibliotheken. De bibliotheek bleef voortbestaan tot 1910. In 1917 werd het gebouwtje aan het Generaalhuis verkocht doordat het ledental daalde. De loge vond een nieuw onderkomen in 1955 in de Heggenstraat.
Het Generaalshuis - De Twintigste en Eenentwintigste Eeuw
De Gemeente in Huis.Het Generaalshuis was in de loop van de negentiende eeuw in drie woon eenheden gesplitst voor particulieren en winkels. Begin twintigste eeuw werd het Generaalhuis gekocht door de stedelijke overheid. In de loop van 1915 vonden de politie, de gemeente ontvanger, de stadsbibliotheek en het gemeentearchief er een onderkomen. Veel Maastrichtenaren zullen zich de bibliotheek en het politiebureau nog herinneren. Het Generaalshuis bleek bepaald niet de meest ideale huisvesting voor deze instellingen. De ruimten voor het stadsarchief en de stadsbibliotheek waren veel te klein en bovendien was het depot brandgevaarlijk. Het politiebureau deed armoedig aan. De hokken van de loketjes waren koud en tochtig en de hekken en klapdeurtjes gavende bezoeker het gevoel de cel in te gaan. De dreigende aanwezigheid van de politie maakte de maandelijkse gang naar het Generaalshuis er niet makkelijker op voor veel Maastrichtenaren, die er hun huur, gas, licht, waterrekeningen of belastingen moesten betalen.
Achter het Generaalshuis, op het terrein van de voormalige kloosterhof van het Witte Vrouwenklooster, stond een lelijk, U-vormig gebouw waarin de cellen waren. Die cellen waren naar de maatstaven van 1955 al mensonterend, maar bleven toch dienst doen. Het cellencomplex had een binnenplaats waar de gevangenen werden gelucht, die de "leeuwenkooi" werd genoemd. Het was koud, hoog en somber. Vanuit de archiefkamer had men uitzicht opde "leeuwenkooi". De zolder van het Generaalshuis deed dienst als repetitieruimte voor de politiekapel en als broedplaats voor de duiven van het Vrijthof, die welbewust werden gefokt door agent P. Marquet.
Vanaf 1925 werd ook het Stedelijk Museum in het Generaalshuis gevestigd. Er werd werk tentoongesteld van de Limburgse Kunstkring en van goede amateurs. In 1932 exposeerde Koningin Wilhelmina er. In 1977 verhuisden het gemeentelijk archief en de stadsbibliotheek naar de Grote Looiersstraat en een jaar later verhuisde de politie naar de Hubertuslaan. De gemeenteontvanger was in 1962 al vertrokken naar het stadskantoor aan de Markt.
Theater aan het Vrijthof
In 1980 besloot de gemeenteraad achter het Generaalshuis een theater te bouwen. De stadsschouwburg "de Bonbonnière" en de concertzaal "het Staargebouw" voldeden niet langer aan de eisen. In het nieuwe theater zouden grote theatervoorstellingen en concerten gegeven kunnen worden. Het Generaalshuis verkeerde intussen in erbarmelijke staat. In het interieur bladderde de verf en van buiten zag het er al niet veel beter uit. In 1986 werd het pand prachtig gerestaureerd en in de jaren daarna werd de schouwburg achter het voormalige stadspaleis gebouwd. Het theater werd in de diepte gebouwd, zodat het niet boven het Generaalshuis uit zou steken. Het Generaalshuis werd entree voor het Theater aan het Vrijthof en de Uitbalie. Er kunnen reserveringen gedaan worden voor veel culturele evenementen. Nu worden in het Theater aan het Vrijthof uiteenlopende voorstellingen gegeven en biedt het een vast onderkomen aan het Limburgs Symfonie Orkest. Links:Limburgs Symfonie Orkest
Theater aan het Vrijthof