Het Generaalshuis

Aan de noordkant van het Vrijthof staat het Genereraalshuis, tegenwoordig vormt het de entree van het Theater aan het Vrijthof.

Bovenaan de langgerekte gevel valt meteen het fronton op, met de in helder wit en sprankelend geel uitgevoerde afbeelding.





Links is een vrouw te zien naast een korenschoof, een korf en een ploeg. Zij stelt de landbouw voor. Rechts staat een vrouw met in haar handen een hoorn des overvloeds en een staf, de staf van de god Mercurius, de god van de handel. Achter haar ligt een vrachtschip, deze vrouw stelt de handel voor.

Het fronton verwijst naar de twee voornaamste activiteiten van Petrus Franciscus De Ceuleneer, die het Generaalshuis in 1805 voor zichzelf en zijn gezin liet bouwen. Hij verbouwde en verhandelde meekrap en tabak. Meekrap is een plant waaruit rode pigmentstoffen werden gewonnen.

Het Generaalshuis is een stadspaleis in classicistische stijl. De voorgevel heeft een strenge symmetrische indeling in drie vooruitstekende verticale wandoppervlakken. Daartussen tonen twee gevelvlakken steeds drie venster-assen. Het fries, de decoratieve lijst onder de dakgoot benadrukt de breedte van het gebouw.

Ook het interieur van het Generaalshuis is in classicistische stijl uitgevoerd. Er zijn opvallende decoraties: de in stucwerk uitgevoerde Napoleontische Adelaar, met in zijn klauwen een bos bliksemschichten, herinnert aan het Franse Keizerrijk. De schilderingen van Charles Soubre stellen de vier jaargetijden, de vier elementen en de schone kunsten voor. De laatste voorstelling sluit mooi aan bij de huidige bestemming van het Generaalshuis: schouwburg en concertgebouw.

Het Generaalshuis markeert belangrijke fasen in de historie van de stad Maastricht. Bij de bouw van het theater werden in de kelder van het generaalshuis restanten gevonden van menselijke beenderen en middeleeuws aardewerk. Ook werden Romeinse dakpannen gevonden en overblijfselen van een palts, een paleis uit de tiende of elfde eeuw.

Misschien wel de belangrijkste vondst bestond uit de resten van het basement van het middeleeuwse Witte Vrouwenklooster. De Ceuleneer liet het klooster, dat in de franse tijd was gesloten, slopen om op die plek zijn huis te bouwen.

Een gedicht in het interieur van het Generaalshuis van de Limburgse schrijver Wiel Kusters, herdenkt Mariken van Nimwegen, die de laatste vijfentwintig jaar van haar leven in dit Witte Vrouwenklooster doorbracht.

Mariken werd verleid door de duivel Moene en leidde met hem een zondig leven in de stad Antwerpen. Na zeven jaar kreeg Mariken berouw over haar losbandige leven en trad zij in in het klooster van de Witte Vrouwen. Mariken van Nimwegen is een coryfee uit de middeleeuwse Nederlandse literatuur.

De Witte Vrouwen lieten ons "de Zwarte Christus" na. Dit beeld, dat uit één stuk notenhout is gesneden, is om zijn naam, mythische oorsprong, kleur en stijlkenmerken uniek in West Europa. Vermoedelijk stamt het beeld uit de dertiende eeuw. Nu is het beeld in de Sint Martinuskerk in Wijk-Maastricht te bewonderen.





Het Generaalshuis dankt zijn naam aan generaal-majoor BJC Dibbets, die er van 1825 tot zijn dood in 1839 woonde.

Dibbets had een glansrijke militaire carriëre: eerst streed hij voor de Bataafse Republiek, vervolgens was hij soldaat van Napoleon en tenslotte trad hij in dienst van koning Willem I. Toen de Belgische Opstand in 1830 uitbrak, bleef de vesting Maastricht mede door toedoen van Dibbets behouden voor het koninkrijk der Nederlanden. De Maastrichtenaren wilden destijds liever bij de Belgen horen. Misschien is dit de reden dat Dibbets in Maastricht nooit erg populair werd.


Nadat het Generaalshuis in de eerste helft van de twintigste eeuw aan allerlei gemeentelijke diensten onderdak had geboden, de stadsbibliotheek en later de politie in de jaren 80 gekozen voor de huidige bestemming: het werd Theater aan het Vrijthof en is de thuisbasis van het Limburgs Symphonie Orkest.