Het Dinghuis, dat zich middenin het centrum van Maastricht bevindt, was een gevreesde plek. In het gerechtsgebouw werden namelijk vonnissen geveld over leven en dood. Het rechtssysteem in Maastricht van voor de Franse Tijd (1794) is onlosmakelijk verbonden met de bijzondere bestuursvorm die de stad eeuwenlang heeft gehad: de Tweeherigheid. De twee belangrijkste kerken in de stad waren de Onze LieveVrouwekerk en de Sint Servaaskerk. Het kapittel van de Sint Servaas stond aanvankelijk onder het gezag van de keizer en later onder het gezag van de Hertog van Brabant, dat van de Onze Lieve Vrouwekerk viel onder de Luikse prins-bisschop.
Al in 908 is er blijk van aanwezigheid van Luiks recht in Maastricht. De bisschop kreeg toen namelijk toestemming van de keizer om munt te slaan en tol te heffen. Naar aanleiding van een geschil tussen de beide kapittels van de Onze Lieve Vrouwekerk en de Sint Servaaskerk werd in 1132 een uitspraak gedaan door de keizer. Daarbij werd vastgesteld dat er twee soorten inwoners in de stad waren; zij die verbonden waren aan de Sint Servaas en bijgevolg onder het gezag van de koning vielen, en zij die onder het gezag van de bisschop van Luik vielen, en verbonden waren aan de Onze Lieve Vrouwekerk. In 1284 werd er een belangrijke oorkonde opgesteld, de Alde Caerte (het oude charter = oorkonde), waarin de bestuursvorm van de twee heren geregeld werd. De Alde Caerte was eigenlijk een bevestiging van de bestaande situatie. Ook toen de Nederlandse stadhouder Frederik Hendrik de stad in 1632 veroverde, bleef de Tweeherigheid voortbestaan. De Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën namen toen de rechten van de Hertog van Brabant over.
Tot aan de Franse Tijd (1794) werd Maastricht door twee heren bestuurd. De twee heren hadden samen ongedeelde zeggenschap over de vestingwerken, de munt en de belastingen. Het door meerdere heren besturen van een stad was tijdens het Ancien Regime niet uniek. Het was echter wel bijzonder dat de Tweeherigheid in Maastricht zo lang heeft bestaan. Waarschijnlijk wilden de Brabantse heren uit politiek belang geen problemen met de prins-bisschoppen van Luik.
De stad werd opgedeeld in Luiks en Brabants gebied. Bovendien kregen de bisschop en de hertog gelijke rechten over dat deel van de stad dat niet evident tot het gebied van een van beiden behoorde. Het zuidelijk deel van de Maas werd Luiks en het noordelijk deel Brabants. De Maasbrug fungeerde als grens. Het centrum van de stad was neutraal, dus tweeherig. Wie in de stad woonde en van Brabantse komaf was bleef Brabants, net zoals de Luikse inwoners Luiks bleven. Luiks waren verder alle ingezetenen die geboren waren uit een Luikse moeder en nieuwe inwoners uit de parochies van de Onze Lieve Vrouwekerken in Luik, Tongeren, Huy en Maastricht, van St. Lambertus in Luik en St.-Oda in Amay. Alle andere inwoners werden Brabants. De Luikse of Brabantse komaf, nativiteit genaamd, werd vererfd via de moeder. De Brabanders waren in de meerderheid; ongeveer een kwart van de bevolking was Luiks, de rest was Brabants.Rechtspraak en Tweeherigheid
De Tweeherigheid had niet alleen consequenties voor het bestuur van de stad. De twee kapittels hadden namelijk ook hun eigen rechtspraak. Zo bestond er een gezamenlijk Laaggerecht, maar twee aparte Hooggerechten; het Luikse en het Brabantse Hooggerecht. Al in 1220 beschikten de hertog en de prins-bisschop over een eigen schout en schepenen. Voor kleinere zaken en minder zware delicten werd in de veertiende eeuw het gezamenlijk Luiks-Brabants Laaggerecht opgericht. Het Maastrichtse recht was voor iedereen die het burgerrecht bezat van kracht. Het bezit van het burgerrecht was erg belangrijk. Voor het uitoefenen van een beroep in de stad was namelijk het burgerrecht vereist. Het ontnemen van het burgerrecht was dan ook een van de zwaarste straffen in die tijd. Het burgerrecht kreeg je ofwel door geboorte, of je kon het kopen. Op straat vóór het Dinghuis of de Lanscroon werden de namen van de inschrijvingen voor het verkrijgen van het burgerrecht omgeroepen.
Het Laaggerecht bestond uit burgemeesters, gezworenen en functionarissen; zij vormden de indivieze, ofwel onverdeelde raad. Zij bestuurden de stad en namen zitting in de Lanscroon. Het pand lag op de plek waar momenteel Vroom en Dreesman is gevestigd. Het Laaggerecht sprak recht over alle Maastrichtenaren, ongeacht hun nativiteit. De functies in het Laaggerecht werden bekleed door zowel Luikse als Brabantse vertegenwoordigers. Voor de zwaardere delicten lag het anders. Over onderdanen onder zowel het Luikse als het Brabantse gezag werd apart rechtgesproken. In 1377 namen de schout en schepenen van de beide heren zitting in het pand 'De Mey', op de plek waar nu het Dinghuis ligt. Omstreeks 1470 werd dit pand vanwege zijn bouwvallige staat afgebroken en geheel herbouwd. Het nieuwe gebouw, het Dinghuis, kreeg toen zijn huidige aanzien.
In 1639 werd besloten dat de Hooggerechten het Dinghuis zouden verlaten. In 1632 had Frederik Hendrik Maastricht ingenomen en zijn militairen werden in het Dinghuis gestationeerd. De militairen veroorzaakten enorme overlast voor de Hooggerechten, zodat de rechtbanken in 1640 noodgedwongen een ander onderkomen moesten betrekken. De Hooggerechten verhuisden naar de Poort van Reckhem aan de Bredestraat. Deze situatie was echter slechts tijdelijk, want toen in 1642 de militairen verhuisden naar de nieuwe Hoofdwacht aan het Vrijthof, konden de Hooggerechten weer terugkeren in het Dinghuis. Het pand was echter totaal uitgeleefd. Inmiddels was ook de Lanscroon zodanig in verval geraakt dat werd besloten tot de bouw van een nieuw stadhuis op de Markt. In 1664 werd het nieuwe stadhuis in gebruik genomen, alwaar ook de beide gerechten zitting namen. De rol van het Dinghuis als rechtbank was daarmee uitgespeeld. Het Dinghuis bleef nog wel dienst doen als gevangenis tot 1825, toen op de Minderbroedersberg een nieuwe gevangenis werd geopend.Hoe zagen de Hooggerechten eruit?
Ieder college, dus zowel het Brabantse als het Luikse, had een eigen hoogschout en zeven schepenen. De hoogschout was de voorzitter en aanklager van het Hooggerecht en vertegenwoordigde de landsheer. Hij nam echter geen deel aan de beraadslagingen, wat betekende dat hij geen lid was van de schepenbank. De hoogschout werd benoemd voor het leven. De schepenen waren de leden van de rechtbank en ze hadden samen met de schout als voornaamste taak het handhaven van de wet. De Hooggerechten deden uitspraken over zaken als moord, verkrachting, diefstal, fraude en brandstichting. De uitspraken van de Hooggerechten waren bindend. Er waren echter ook mensen voor wie het Maastrichtse recht niet of niet altijd gold. Zowel soldaten, als de adel en de geestelijken hadden elk hun eigen regels en rechtbanken. Als een kanunnik regels overtrad, die te maken hadden met geestelijke zaken, viel hij onder de kerkelijke macht, als het om zaken als eigendomsrecht ging, viel hij onder de wereldlijke macht.
In het Dinghuis, in de dingkamer, hield het Luikse gerecht zitting op woensdag en het Brabantse op vrijdag. Buiten de schout en de schepenen waren er nog meer personen verbonden met de rechtspraak zoals procureurs en advocaten evenals de secretarissen van de rechtbank, die alles noteerden, en bijgestaan werden door schrijvers. Alle stukken werden zorgvuldig bewaard in zogenaamde dossierzakken. Niet alleen de geschreven stukken werden bewaard, maar soms zelfs het corpus delicti, zoals een afgebroken mes besmeurd met bloed.De hellebaardiers waren de mensen die de verdachten arresteerden namens de rechtbank. Zij moesten bovendien de orde handhaven wanneer er lijfstraffen werden uitgevoerd. De cipier en zijn knechten bewaakten de gevangenen, zowel de Luikse als Brabantse. En dan was er nog de weinig geliefde functie van beul, ook wel scherprechter of hangdief genoemd, die de lijf- en doodstraffen uitvoerde.
Gevangenissen en straffen
Als tegenwoordig criminelen veroordeeld worden, worden zij meestal achter slot en grendel geplaatst, maar vroeger was dat wel anders. De meeste straffen die vanaf de veertiende tot achttiende eeuw werden gegeven waren namelijk lijfstraffen. De delicten die het vaakst werden begaan waren messentrekkerij, kaakslag, belediging en laster; zaken waar meestal het Laaggerecht recht over sprak. Voor de zwaardere misdrijven waarmee bijvoorbeeld onroerend goed zaken gemoeid waren, of misdaden die bestraft zouden worden met de doodstraf, was men overgeleverd aan het Luikse of Brabantse Hooggerecht, afhankelijk van je nativiteit. Bij zaken waar het zowel Brabanders als Luikenaren betrof werden de zittingen gezamenlijk door het Brabantse en Luikse hof gehouden.
Op de zolder van het Dinghuis bevonden zich cachotten en de kelder werd als martelkamer gebruikt. Tijdens verhoren werden in eerste instantie duimschroeven gebruikt om de verdachte tot een bekentenis te bewegen. Hielp dat niet, dan werden zwaardere middelen gebruikt, zoals de wipgalg. De verdachte werd met een ruk omhoog getrokken en vlak boven de vloer weer losgelaten. Dit was een bijzonder pijnlijke marteling en de kans op breuken was aanzienlijk.
De meeste lijfstraffen werden onder het oog van toeschouwers uitgevoerd. Het publiekelijke straffen had namelijk ook als doel mensen af te schrikken zelf de fout in te gaan. Zo werd iemand die meineed had gepleegd te schande gezet aan de schandpaal. Iedereen die voorbij liep mocht hem of haar uitschelden en straatvuil gooien.
De doodstraf werd ook veelvuldig uitgevoerd. Er waren verschillende manieren: onthoofding, ophanging en verbranding, maar misdadigers werden ook gevierendeeld of geradbraakt. Bij het radbraken werd de veroordeelde op houten balken gelegd, vervolgens sloeg de beul met een rad op de ledematen waardoor zij braken. De galg waar criminelen werden opgehangen stond buiten de stad. De veroordeelde werd op een kar tot buiten de stad gereden. Het was namelijk niet de bedoeling dat de misdadiger de grond zou bevuilen als hij er over heen liep. De galg van de tweeherige stad Maastricht stond buiten Wyck. Verder stonden er ook galgen op de Dousberg en buiten de Boschpoort.
Het laatste doodvonnis werd in Nederland overigens in Maastricht voltrokken. Joannes Nathan werd op 31 oktober 1860 op de Markt onder de guillotine onthoofd.
Maar er werden ook andere straffen dan lijf- of doodstraffen opgelegd. Zo werd regelmatig een veroordeelde op bedevaart gestuurd naar Santiago de Compostela in Spanje. Op pelgrimage moest hij of zij de ernst van zijn of haar misdaad inzien en tot inkeer komen. Bij terugkomst werd de pelgrim gelouterd en weer opgenomen in de gemeenschap.
Een bekende executie was die op de franciscaner pater Vink. De pater werd in 1638 ervan beschuldigd verraad te hebben gepleegd door de Spanjaarden te helpen de stad in hun handen te spelen. Samen met nog anderen werd hij schuldig bevonden en geëxecuteerd op het Vrijthof. Vervolgens werden de hoofden van vijf schuldigen op spiesen tentoongesteld. Bestemmingen
Tot het begin van de negentiende eeuw had het Dinghuis de functie van gevangenis, maar ook de functie van uitkijkpost. Al vanaf de veertiende eeuw deed het gebouw vanwege de centrale ligging en hoogte dienst als uitkijkpost. De uitkijkpost was belangrijk als plaats voor de brandwacht. De stad bestond toen nog grotendeels uit houten huizen, waardoor de kans op brand aanzienlijk was. Ook was de uitkijkpost zeer geschikt om de vijand te zien aankomen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het Dinghuis wederom goed van pas als uitkijkpost voor de luchtbeschermingsdienst.
Eind negentiende eeuw vestigde Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap zich in een van de kamers op de eerste verdieping. Ook de oudheidkundige verzameling van het Genootschap werd naar het Dinghuis overgebracht. Het Dinghuis werd met de vesting van het Provinciaal Museum van Oudheden toegankelijk voor het publiek. Het museum vertrok in 1914 naar het voormalig Protestants Weeshuis in de Lenculenstraat. Eind negentiende eeuw vestigde eveneens de Maastrichtsche Telephoon Maatschappij zich voor een aantal jaren op de bovenste verdieping van het Dinghuis. In de volgende decennia was er een snelle opeenvolging van verschillende bewoners en huurders van het Dinghuis.
Zo was de Kamer van Koophandel en Fabrieken er enkele jaren in gehuisvest en werd het souterrain als raadskelder gebruikt. Tijdens de oorlog huisvestte het Dinghuis de luchtbeschermingsdienst. Na de oorlog nam onder andere het Limburgs Thuisfront voor steun aan Limburgse militairen zitting in het pand. Maar vooral bekend is de Poesjenellenkelder onder leiding van Pieke Dassen, dat zich bevond in het souterrain. Het poppentheater gaf voorstellingen voor kinderen met successen als 'Pieke Potloed' en 'Sjengske vaan de Slachter'. Voor volwassen was er naast stukken als 'Faust' en 'De legende van Sint Servaas' ook politieke poppenkast te zien. Het poppentheater moest in 1967 verhuizen naar een andere locatie omdat het Dinghuis gesloten werd vanwege de uiterst bouwvallige situatie. Omwille van een voortdurend gebrek aan voldoende middelen duurde het tot 1985 totdat de restauratie klaar was, waarna de VVV Maastricht er zitting in nam.Bouw en verbouwingen
Nadat het Dinghuis in 1470 geheel werd herbouwd, heeft het gebouw door de eeuwen heen een aantal verbouwingen ondergaan. Zo werd er rond 1590 aan de voorkant van het pand een staketsel gemaakt, een rij met elkaar verbonden palen, om de schade die het Dinghuis op kon lopen door transport van hout dat door de straat verliep, te voorkomen.
Rond dezelfde tijd ontstond er vanwege ruimtegebrek de behoefte de eerste verdieping te vergroten. In 1599 werd daarom de eerste verdieping uitgebreid door aan de zijkant van het gebouw, zo'n 1,20 meter boven de Jodenstraat, uit te bouwen. In het overhangende deel werden gevangenen geherbergd. De uitbouw werd echter steeds bouwvalliger. Aangezien er 's nachts geen toezicht was, werd aan de voeten van de gevangenen een houten blok bevestigd, zodat zij niet konden ontsnappen. Ongeveer een eeuw later bleek het houtwerk van het overhangende deel zo verrot, dat het werd afgebroken. De openingen die hierdoor waren ontstaan werden dicht gemaakt met bakstenen. Een paar jaar later werd ook de rest van de zijgevel versteend. De prachtige vakwerkbouw aan de zijpui van het Dinghuis laat dit indrukwekkende proces van verstening goed zien.
De jaarsteen boven de deur in de zijgevel herinnert aan een aantal verbouwingen uit het jaar 1749. Behalve de bouw van een nieuwe ingang aan de zijkant werden het bordes en de trappen aan de voorkant van het gebouw weggehaald en gedeeltelijk gebruikt voor de bouw van een inwendige trap die moest leiden naar de eerste verdieping. Door het wegvallen van de trappen aan de voorzijde, moest ook de ingang worden veranderd. Een nieuwe deur en twee ramen werden in de voorgevel op de begane grond gemaakt. De huidige buitentrap en het bordes werden in 1912 aan de voorkant van het Dinghuis gebouwd.
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd op de eerste verdieping van het Dinghuis een betonnen vloer op de kelderverdieping en op zolder gestort als bescherming voor de luchtbeschermingsdienst tegen brandbommen. De enorme druk die de betonnen vloer veroorzaakte, zorgde er mede voor dat in 1968 de situatie zo penibel werd, dat het Dinghuis gesloten werd voor restauratie. Door geldproblemen duurde het uiteindelijk tot 1986 voordat het gehele pand betrokken kon worden door de VVV Maastricht.