De aanloop naar het beleg van 1673
Lodewijk XIV Bourbon (1638-1715) wordt in 1643 (als minderjarige) koning van Frankrijk als opvolger van zijn vader, Lodewijk XIII (1601-1643). De eerste jaren van zijn koningschap regeren zijn moeder, Anna van Oostenrijk (1601-1666) en kardinaal Jules Mazarin (1602-1661) in zijn naam. In 1661 bestijgt hij zelf de troon. Lodewijk XIV wordt de eerste absolute vorst. Hij beschouwt zijn absolute macht als door God gegeven. Zijn voornaamste missie is territoriale afronding van het Franse grondgebied in het noorden en oosten. Daartoe voert hij de Devolutie oorlog (1667-1668) met Spanje, met als inzet de heerschappij over de Spaanse Nederlanden. De Vrede van Aken in 1668 roept hem echter een halt toe. Om zich te wreken op de Republiek der Nederlanden vindt hij bondgenoten in onder andere Engeland en Schotland, Straatsburg, Keulen, Münster, Hannover, Osnabrück en Zweden. De Republiek heeft als bondgenoten Spanje, Brandenburg en de Duitse Keizer. Lodewijk laat vervolgens zijn vestingbouwkundige Sébastien Le Prestre, Heer van Vauban (1633-1707), de Maastrichtse vestingwerken nader bestuderen. Maastricht wordt gezien als de poort tot de Republiek. Als de vijandelijkheden beginnen in 1672 heeft Vauban al een aanvalsplan opgesteld. Hij wil Maastricht veroveren om door te stoten naar het noordelijk deel van de Republiek. Op 6 april 1672 verklaart Lodewijk de oorlog aan de Republiek.

De legers


Het Franse leger -circa 45.000 man groot- trekt in 1672 naar Maastricht nadat koning Lodewijk XIV (1638-1715) de oorlog aan de Republiek der Nederlanden heeft verklaard. Het leger staat onder leiding van Lodewijk XIV, Lodewijk II van Bourbon, hertog van Condé (1621-1686) en Henride la Tour d'Auvergne, burggraaf van Turenne (1611-1675). De strateeg van het Franse leger is Sébastien Le Prestre, Heer van Vauban(1633-1707). Ook in Maastricht is een belangrijk vestingbouwkundige aanwezig: Menno Baron van Coehoorn (1641-1704).

Beide legers bestaan uit diverse afdelingen, waarvan de meest bekende en georganiseerde in die tijd de infanterie ("voetvolk"),cavalerie ("bereden eenheid") en artillerie ("geschut") zijn.

De infanterie bestaat uit "spiesdragers" (met lansen gewapend; dat zijn de stoottroepen) en musketiers (gewapend met vuurwapens voor vuurkracht). Ze zijn georganiseerd in regimenten en compagnieën. De cavalerie kent "pistoliers" en "harkebusiers", beide gewapend met vuurwapens en ingedeeld in eskadrons. De artillerie kent dan nog geen vaste organisatie. Verder is er het onderscheid tussen het veldleger (voor offensieve acties) en het garnizoen (voor bezettingen verdediging van de vesting). Het Maastrichtse garnizoen is tijdens het beleg van groot belang. Dit garnizoen van het Staatse leger, onder leiding van Generaal-Majoor Jacques de Fariaux, Heer van Maulde (1627-1695), bestaat uit 4000 man. De Franse troepen gelegerd in de buurt van de vesting tellen circa 6000 man.

Maastricht, plaats van de strijd


Het Franse leger en dat van de Republiek der Nederlanden treffen elkaar bij de moeilijk in te nemen Maastrichtse vesting. De vesting is een obstakel voor de Fransen. De gebruikelijke methode om een vestingstad in te nemen vóór de uitvinding van het buskruit in 1300, was uithongering. Echter, door die uitvinding boden stadsmuren niet meer vanzelfsprekend voldoende bescherming bij een aanval. Versteviging en andere middelen ter verdediging zijn nodig. In de periode 1632-1645 worden rond de hoofdwal, in die tijd de 14e eeuwse stadsmuur, buitenwerken aangelegd. Deze verdedigingswerken zijn ten opzichte van de stadsmuren en - wallen naar voren geschoven. Ze zijn weliswaar voor een groot deel in aarde uitgevoerd maar vormen desondanks een groot obstakel voor de tegenstander. In 1673 heeft de stad zes veldpoorten: de Onze Lieve Vrouwepoort,de Sint-Pieterspoort, de Tongersepoort, de Brusselsepoort, de Lindenkruispoorten de Boschpoort.

Het beleg van 1673 concentreert zich op de Tongersepoort. Deze poort bestaat dan uit twee delen uit verschillende tijden: een oud eenvoudig rechthoekig poortgebouw, dat later door middel van muren was verbonden met twee nieuwe torens aan de voorzijde. De doorgang wordt afgedekt door een spitsboog. Aan weerskanten van de poort loopt de courtine, de vestingmuur. Achter de rechter muur bevindt zich een aarden wal ter verdediging, de Tongerse Kat (Chavalier). Voor de vestingmuur ligt een droge gracht vanaf de Tongersepoort tot aan de Lindenkruispoort. Deze is moeilijk onder water te zetten doordat het terrein vanaf de Maas omhoog loopt. Voor de Tongersepoort ligt over de gracht een ophaalbrug. Aan de andere kant van de ophaalbrug ligt in de gracht een ravelijn. Over een tweede ophaalbrug aan de andere kant van het ravelijn kan de gracht opnieuw overgestoken worden. Rechts van het ravelijn ligt in de gracht de zogenoemde Groene Halve Maan, een soort ravelijn. Tussen beide verdedigingswerken ligt een vooruitgeschoven lunet, later de Demilune des Mousquetaires genoemd. Aan de linkerkant van de Tongersepoort ligt een hoornwerk. Nog verder naar links ligt op enige afstand van de Tongersepoort het Bastion Brandenburg.

Evenwijdig aan de omtrek van de verdedigingswerken loopt een bedekte weg voorzien van glacis en palissaden; door de vestingbouwkundige van het Franse leger, Vauban, ook wel de oren en ogen van de vesting genoemd. Verscheidene vestingwerken van Maastricht hebben ook nog een gangenstelsel en kazematten. Bij de bovengenoemde werken barst in 1673 de felle strijd los tussen de Fransen en de Staatsen en hun beider bondgenoten.

De Strijd


Vanuit de positie van het Frans-Engelse Verbond
In mei 1672 worden de eerste Frans-Engelse troepen in de omgeving van Maastricht gelegerd. Op 10 juni wordt Maastricht omsingeld en beginnen de Fransen met de aanleg van circum- en contravallatielinies. De legers van de Frans-Engelse coalitie zijn verspreid. Turenne ligt met zijn manschappen bij de Rijn. De legers van Lodewijk XIV, Condé en Jacob Scott, de jonge Engelse hertog van Monmouth (1649-1685) zetten het aanvalsplan in werking. Ze zijn ervan overtuigd dat het beleg snel zal verlopen.

's Nachts verplaatsen de troepen zich tot dicht bij de vesting. In de nacht van 14 op 15 juni naderen de musketiers de muur en blokkeren de toegangswegen aan de zuidkant van de stad. De daarop volgende nacht worden vooruitgeschoven verschansingen aangelegd voor de muur, en worden voor de Tongersepoort en op de Sint Pietersberg geschutbatterijen geplaatst. Later op de dag barst het kanonvuur los. Vervolgens begint in de nacht van 17 op 18 juni de aanleg van loopgraven voor de Tongersepoort. Dat was de nieuwe tactiek van Vauban. Hij had lering getrokken uit de studie van eerdere belegeringen. Het aanvalsplan bestaat uit twee aanvalsloopgraven, verbonden door drie verbindings- of communicatieloopgraven. Deze loopgraven worden evenwijdig aan de vestingmuur aangelegd op respectievelijk 460 meter van het buitentalud, op 300 meter van het buitentalud en op 100 meter van de bedekteweg. Ook worden er meer wapenplaatsen aangelegd. In de nacht van 19 op 20 juni worden de werkzaamheden voltooid. Op 20 juni wordt een tweede kanonbatterij geplaatst op de Sint Pietersberg. In de loop van de volgende dagen worden putten gegraven om de mijngangen van de Staatsen op te sporen en worden nog meer wapenplaatsen aangelegd. In de nacht van 23 juni worden de laatste werkzaamheden voltooid.

Op 24 juni vallen de Fransen aan, de eerste contrescarpe, de Groene Halve Maan en de vooruitgeschoven lunet bij de Tongersepoort zijn het doelwit. Een belangrijk aandeel in deze aanval hebben de troepen van Lodewijk XIV, waaronder de musketiers van D'Artagnan. Uit de briefwisseling tussen de Engelse bevelhebbers en hun minister van Buitenlandse Zaken, Henry Bennet, Graaf van Arlington (1618-1685), is bekend wat zich afspeelt tijdens de strijd.

Een anonieme informant schrijft op 24 juni dat Monmouth's troepen met hulp van de regimenten van Lodewijk XIV en de musketiers de buitenwerken bij de Tongersepoort veroveren. Er zijn enige doden te betreuren. Monmouth maakt een goede beurt bij de Koning. Die verzoekt hem zijn leven niet onnodig te wagen. Echter, de jonge hertog bevindt zich spoedig weer in het heetst van de strijd. Op 25 juni ontploft een vijandelijke mijn in een van de door de Fransen veroverde werken voor de Tongersepoort. De Staatsen weten die werken te heroveren.

Een getuige over de gebeurtenissen van 25 juni:

Monmouth is vastbesloten te strijden voor de vestingwerken. D'Artagnan heeft geprobeerd hem tegen te houden, het is immers klaarlichte dag en de oversteek naar de lunet is ongedekt. Tevergeefs. Dus besluit D'Artagnan te volgen. De tweede compagnie der musketiers onder Montbron valt aan de voorkant aan; de troepen van Monmouth en D'Artagnan aan de achterzijde van de lunet. Voordat ze bij de lunet zijn moeten ze een smalle doorgang in de palissadering passeren. D'Artagnan gaat als eerste en wordt geraakt door een vijandelijke musketkogel in zijn hoofd, hij is op slag dood.

De dood van D'Artagnan wordt betreurd maar desondanks is Lodewijk XIV trots op Monmouth en op de winst van de slag om de Tongerse lunet.

De strijd gaat verder. Op 26 juni leggen de Fransen een geschutbatterij aan tegenover het Tongerse hoornwerk en openen het vuur. 's Nachts wordt de eerste contrescarpe ingenomen en de Fransen graven zich in de bedekte weg in. Dan gaat het snel. De tweede contrescarpe en het Tongerse hoornwerk worden ingenomen en versterkt. De Fransen verplaatsen zich in de richting van het ravelijn voor de Tongersepoort. In de nacht van 29 op 30 juni ontruimen de Staatsen de Groene Halve Maan. Op 30 juni geven de Staatsen te kennen dat ze willen onderhandelen en besluiten zich over te geven... Op 4 juli tenslotte wordt de verovering van Maastricht groots gevierd in Parijs met vuurwerk, een concert en een groots uitgevoerd Te Deum. De Staatsen slaan terug in november door Bonn te veroveren, een van de knooppunten van het bevoorradingssysteem van de Fransen. Willem III van Nassau, Prins van Oranje en stadhouder van de Republiek(1650-1701) weet Karel Stuart II (1630-1685) van Engeland en Schotland (toen bondgenoot van Frankrijk) in 1674 tot de Vrede van Westminster te bewegen. Dit betekent een verandering in de allianties. Frankrijk trekt zich terug uit het gebied van de Republiek, behalve uit Maastricht, Grave en Maaseik.

Willem III probeert tevergeefs Maastricht te heroveren in 1676. In 1678, na jaren van onderhandelingen met verschillende tegenstanders van Frankrijk in het Europese statenconcert wordt dan eindelijk het Vredesverdrag van Nijmegen getekend tussen Frankrijk en haar voormalige vijanden. Het verdrag met de Republiek wordt getekend op 10 augustus, dat met Spanje op 17 september. Maastricht komt weer in handen van de Republiek en na enige reorganisatie zal ook de oude bestuursvorm, de tweeherigheid, worden voortgezet. Op 6 november 1678 verlaat het Franse garnizoen de stad.

Leven tijdens oorlog


Het beleg van 1673 van de stad Maastricht draait niet alleen om soldaten en bevelhebbers, het heeft ook een grote invloed op het dagelijks leven van de Maastrichtse bevolking, al probeert Lodewijk XIV deze wel te beperken. Hij laat een ordonnantie publiceren op de dag van zijn oorlogsverklaring (6 april 1672). Daarin is een gedragscode vastgelegd voor de inwoners van de Republiek. Als ze zich daaraan houden, zullen ze zo min mogelijk last hebben van de oorlog. Des ondanks wordt de bevolking toch geacht mee te werken in de oorlog en loopt zij het risico gewond te raken. Als de dreiging vanuit Frankrijk toeneemt in 1672, moet de vesting versterkt worden. Er is echter geen geld. Ambachtslieden en vermogende burgers moeten gaan betalen. Ook bij de uitvoering van de versterkingswerkzaamheden wordt een beroep gedaan op de bevolking. De bijdragen aan het garnizoen die van de bevolking worden verwacht, worden vastgelegd in zogenaamde proposities. Deze kunnen alleen komen van de op dat moment heersende soeverein, wie dat dan ook is, zelfs de voormalige vijand. Ook dan dient de bevolking het heersende garnizoen te dienen. Naarmate de oorlogsdreiging toeneemt, worden de proposities uitgebreider. Naast de gebruikelijke lasten van inkwartiering tegen betaling (het in huis nemen van soldaten, tegen betaling van zogenoemde "serviesgelden") en voedselvoorziening, wordt in de propositie van 8 juni 1673 onder andere van de bevolking geëist: het leveren van lood voor kogels, van huiden voor geluiddempers, van zeilen om het garnizoen tegen de regen te beschermen, van patroonhouders, de zogenoemde 'borsthulskens', van linnengoed, van hospitalen en van medicijnen. De bevolking ondervindt veel nadeel van deze eisen; de belangen van soldaten staan vaak lijnrecht tegenover die van de bevolking. Inkwartiering, zoals vanaf 1672 gebeurt in het Stokstraatkwartier, betekent het voorzien van eten en onderdak voor een extra persoon in elk huishouden. Daartegen weegt de betaling van serviesgelden niet op. Ook moeten de burgers hand- en spandiensten aan het garnizoen verlenen. De soldaten oefenen bovendien zelf dikwijls een ambacht uit, wat nadelig is voor de ambachtlieden in de stad. Ook brengen soldaten besmettelijke ziekten met zich mee, om van plunderingen en schade nog maar niet te spreken. Zo breekt in 1673 dysenterie uit in de stad. Om de bevolking enigszins te ontlasten wordt in 1673 een aarzelend begin gemaakt met het bouwen van kazernes en barakken voor het garnizoen. Ondanks deze ellende beklaagt de bevolking zich niet nu ze wordt ingezet voor de oorlog.

Verzorging van zieken en gewonden


De bevolking van Maastricht heeft naast het bijdragen in de levensbehoeften van het garnizoen ook de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van zieken en gewonden tijdens een oorlog. Dit gebeurt door doktoren en bij nood met de hulp van chirurgijns in gasthuizen zoals Het Paradijs, een tijdelijk hospitaal in de vorm van een barak bij de Helpoort, ende Croonenhoff, een hospitaal bij de Sint-Pieterspoort. Naarmate de oorlog vordert, rijzen er grote problemen bijvoorbeeld met wanbetalers of er vinden onjuiste behandelingen van zieken plaats. Er zijn gezonde burgers die zich onderdak in de gasthuizen weten te verschaffen.

Er ontstaat dringende behoefte aan extra ruimte voor verpleging van zieken en gewonden. Noodgasthuizen zoals dat van de Predikheren verschaffen enige verlichting maar dat is niet voldoende. Kunnen de diverse kloosters niet als hospitalen dienen? Het Minderbroedersklooster op de Sint-Pieterstraat wordt geschikt bevonden in 1672 maar voorlopig wordt dat plan nog niet uitgevoerd. Ruimte, materiaal en manschappen voor adequate verzorging ontbreken in Maastricht.

De vesting onder Frans bewind (1673-1678)


Na de overgave van Maastricht op 30 juni 1673 komt de stad onder Frans bewind. De vestingwerken worden hersteld. De herstelwerkzaamheden worden geleid door Vauban, strateeg van het Franse leger, en worden betaald door het Franse koninkrijk. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Vauban twee plannen gemaakt voor de restauratie. Het eerste omvat de aanpassing van enige bestaande vestingwerken en het aanleggen van extra vooruitgeschoven verdedigingswerken. Dit plan word uitgevoerd in de periode 1673-1678. Vauban spreekt nog over een tweede, groter opgezet, plan voor het herstel van de Maastrichtse vesting. Een beschrijving van dit plan is echter nooit terug gevonden.

D'Artagnan,Capitaine des Mousquetaires du Roi


De Historische Figuur
De musketier D'Artagnan die men tegenwoordig kent is een mythische figuur, uit de avonturen romancyclus over de Drie Musketiers door de Franse schrijver Alexandre Dumas (1802-1870), en bewerkingen daarvan, zoals musicals en films. Echter, D'Artagnan heeft echt bestaan en is voor de poorten van Maastricht aan zijn einde gekomen.

D'Artagnan wordt geboren -waarschijnlijk in 1610 of 1611- als Charles de Batz de Castelmore, zoon van Bertrand II de Batz en Françoise de Montesquiou D'Artagnan. Hij groeit op in het kasteel Castelmore, in Lupiac, Gascogne (in het huidige departement Gers). De naam D'Artagnan neemt hij later aan als eerbetoon aan zijn oom van moederskant die omkwam bij het beleg van La Rochelle in 1627-1628; het is Lodewijk XIV zelf die D'Artagnan dat vraagt te doen. Zoals velen is D'Artagnan een van de jonge edellieden in Frankrijk zonder eigen vermogen die carrière wil maken in dienst van de koning. Met dat doel komt hij in 1627 naar Parijs. Hij wordt aan het hof geïntroduceerd door enkele beschermheren uit Gascogne.

Vijf jaar eerder (1622) had Lodewijk XIII een compagnie der musketiers opgericht. In blauwe cape met geborduurde zilveren kruisen met franse lelies en goudenvlammen is een musketier een opvallende verschijning in Parijs, die veel aanzien geniet. Echter, in 1646 wordt de compagnie opgeheven door de vrouw van Lodewijk XIV, Anna van Oostenrijk, op aandringen van kardinaal Mazarin, ogenschijnlijk om budgettaire redenen, maar in werkelijkheid waarschijnlijk om van kapitein-luitenant De Troisvilles af te zijn. In 1657 wordt de compagnie nieuw leven ingeblazen door dezelfde Mazarin, onder commando van Philippe Mancini, hertog van Nevers(1641-1707). Dan heeft D'Artagnan er echter nog niets mee van doen. Hij heeft wel andere belangrijke dingen te doen. Ten tijde van de Fronde (1648-1653), een opstand in Frankrijk tegen met name het beleid van Mazarin, verzorgt hij de briefwisseling tussen kardinaal Mazarin in ballingschap, en de koningin, Anna van Oostenrijk. In 1650 dient D'Artagnan als militair in het leger van de Franse koning tijdens een veldtocht tegen Spanje; dan wint hij het vertrouwen van de jonge koning Lodewijk XIV. In 1658 treedt hij toe tot de eerste compagnie van musketiers als tweede luitenant. Hij stijgt in de achting van Lodewijk XIV onder andere als hij de koning begeleidt op een reis door Zuid-Frankrijk in 1659.

D'Artagnan treedt ook als beschermheer op bij het huwelijk van Lodewijk XIV en Maria-Theresia, kroonprinses van Spanje(1638-1683), in 1660. D'Artagnan dient in oorlogen onder Turenne en Condé, zoals tijdens het beleg van Maastricht in 1665. In 1659 trouwt hij met Charlotte Anne de Chanlecy, die hem twee zonen schenkt. Het leven als musketier en als echtgenoot zijn echter onverenigbaar en al snel besluit Charlotte met haar zoons op het platteland te gaan wonen, terwijl D'Artagnan zijn leven als musketier voort zet.

Vanaf 1667 is D'Artagnan eerste luitenant van de eerste compagnie der musketiers; nu is hij feitelijk leider van de compagnie. Hij is brigade-generaal bij de cavalerie tijdens belegeringen van Armentières, Tournai, Douai en Lille. Na een kort verblijf in Lille keert D'Artagnan terug in persoonlijke dienst van de koning om hem van dienst te zijn bij de bouwwerkzaamheden in Versailles. Als Lodewijk XIV in 1672 de oorlog aan de Republiek heeft verklaard en de vijandelijkheden beginnen is D'Artagnan de aanvoerder van de Musketiers van de Koning. Lang heeft hij het beleg niet kunnen meemaken; hij sneuvelt op 25 juni 1673. Het is onduidelijk wie hem heeft neergeschoten, maar het is zeker heel vreemd dat de schutter nooit grote erkenning voor zijn daad heeft gekregen in zijn eigen stad.

De mythische figuur
D'Artagnan als vierde musketier opgevoerd in de romans van Alexandre Dumas

D'Artagnan ontleent zijn populariteit niet aan de historische feiten. De figuur D'Artagnan is een legende geworden door het werk van de Franse romanschrijver Alexandre Dumas. In zijn romancyclus, in het Engels wel eens de "D'Artagnan Romances" genoemd, worden de avonturen van de vier beroemdste musketiers van de koning verhaald. De belangrijkste bron voor de roman van Dumas was: Les mémoires de Mr.D'Artagnan: quantité de choses particulières et secrèts qui sont passés sous leregne de Louis le Grand (1700). De schrijver Gatien Courtilz de Sandras (1644-1712) heeft de memoires van D'Ártagnan gepubliceerd onder het pseudoniem Du Buisson.

De Sandras schreef ze overigens niet in opdracht van D'Artagnan. Het waarheidsgehalte ervan valt daarom 'ook te betwisten. De Sandras diende ook onder Lodewijk XIV, in hetzelfde tijdsbestek als D'Artagnan, maar het is onzeker of hij bij het beleg van Maastricht is geweest en of hij D'Artagnan persoonlijk heeft gekend. Wel had De Sandras vele contacten aan het hof en dus mag men aannemen dat de omstandigheden die hij heeft beschreven en enkele feitelijkheden wel op waarheid berusten. Dumas gebruikte de mémoires als inspiratiebron voor zijn romanreeks. De namen van zijn andere musketiers, Athos, Porthos en Aramis ook zijn op ware personages gebaseerd: Armand de Sillègue d'Athos d'Autevielle (rond 1645), Henri d'Aramitz (rond 1657/81) & Isaac de Porthau. Het is echter onzeker aan welke bron Dumas ze heeft ontleend. Dumas heeft namen en feiten uit de geschiedenis verdraaid om zijn personages in interactie met elkaar te brengen. De feitelijke historische gebeurtenissen uit het leven van D'Artagnan kloppen dus niet met die in de roman; echter de roman heeft de held onsterfelijk gemaakt.

Het Verhaal - Eén voor allen, Allen voor één


We schrijven het jaar 1625; D'Artagnan vertrekt naar Parijs. Hij ambieert een carrière aan het hof van de koning. In Parijs ontmoet hij de musketiers die dienen onder de musketiercompagnie van koning Lodewijk XIII onder leiding van kapitein Tréville. Hij vindt hier uiteindelijk drie vrienden onder de musketiers. De vier musketiers raken verwikkeld in een strijd met kardinaal Richelieu en de zijnen, onder wie ook zijn handlangster, de verleidelijke Milady. De vier musketiers beleven de meest spannende avonturen. Uiteindelijk redden ze de eer van Anna van Oostenrijk, de vrouw van Lodewijk XIII, die het middelpunt van de strijd was geworden.

(De Vier Musketiers, Twintig Jaar Later) Koning Lodewijk XIII, kardinaal Richelieu en Milady leven niet meer en Frankrijk wordt geregeerd door Anna van Oostenrijk en kardinaal Mazarin, in naam van de minderjarige Lodewijk XIV. Ook de musketiers spelen andere rollen in het boek: Athos is edelman (Comté de Fère) en heeft een zoon, Raoul; Porthos is erfgenaam van zijn rijke vrouw; Aramis heeft zijn lang gekoesterde droom in vervulling zien gaan en is priester geworden. D'Artagnan bleef trouw aan zijn koning en is luitenant van de eerste compagnie van de musketiers geworden. Hij wordt nog steeds gedwarsboomd door de voornaamste handlanger van Richelieu, te weten Milady's zoon Mordaunt. Tijdens een dreigende burgeroorlog, De Fronde, worden de vier musketiers herenigd.

(De Burggraaf van Bragelonne) In 1660 stapt D'Artagnan op als luitenant van de eerste musketiers maar komt terug als Lodewijk XIV in problemen geraakt. Colbert, de vroegere klerk van kardinaal Mazarin, en Fouquet, de minister van financiën, hebben slechte plannen. D'Artagnan moet erachter zien te komen welke plannen dat zijn. Op zijn zoektocht kruist zijn pad dat van de drie musketiers wederom, omdat deze zijn betrokken bij de plannen van Fouquet.

(De Burggraaf van Bragelonne, Tien Jaar Later) Louise de la Vallière, de verloofde van Raoul, komt in beeld als de vriendin van Lodewijk XIV, die in werkelijkheid een relatie heeft met prinses Henriette van Engeland. Zij was echter getrouwd met Philippe d'Orléans, de jongere broer van Lodewijk XIV. Fouquet en Colbert strijden nog steeds om de gunst van de koning.

(Louise de la Vallière) Er ontstaan conflicten tussen de musketiers als gevolg van de verwikkelingen rond Fouquet en Colbert. De drie musketiers stappen op en keren zich tegen D'Artagnan en de koning.

(De man met het ijzeren masker) Er is een dubbelganger van de koning, een gevangene in de Bastille, met de naam Philippe. Er heerst hongersnood in Frankrijk en Lodewijk XIV heeft moeite het volk onder controle te houden. De drie voormalige musketiers willen Lodewijk XIV vervangen door de man met het ijzeren masker, de dubbelganger van de koning, terwijl D'Artagnan dit moet voorkomen. Het verhaal eindigt met de plotselinge dood van D'Artagnan in Maastricht.