Dagelijks leven kloosterling

De kloosterlingen die zich in Maastricht vestigden waren lid van verschillende orden. Zo kwamen bijvoorbeeld de Franciscanen, de Augustijnen en de Grauwzusters naar de stad. Iedere orde leefde volgens bepaalde kloosterregels. Dat gold niet voor de zogenaamde 'begijnen' die her en der in de stad kleine leefgemeenschappen vormden. Deze vrome vrouwen woonden apart in eigen huisjes in een omheinde hof en hanteerden hun eigen leefregels. Oorspronkelijk vormden de Zusters van de Nieuwenhof zo'n leefgemeenschap van begijnen. In 1502 werden zij door de bisschop gedwongen de derde regel van Sint Franciscus aan te nemen. Die kloosterregel was niet bijzonder streng en betekende weinig meer dan de opdracht tot het afleggen van de geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid. Met het afleggen van die geloften werden de begijnen van de Nieuwenhof kloosterzusters (derde-ordelingen of tertiarissen).

In 1568 verplichtte paus Pius V alle tertiarissen tot het aannemen van de clausuur. Dit betekende dat de Zusters van de Nieuwenhof hun klooster niet meer mochten verlaten. Bezoek werd alleen nog in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden toegang verleend. Dat de zusters hier grote moeite mee hadden, blijkt wel uit het feit dat zij de clausuur pas in 1624 daadwerkelijk hebben ingevoerd. Vanaf dat moment leidden de zusters een contemplatief leven, zwegen zij het grootste deel van de dag en vulden zij hun dagen voornamelijk met bidden. Iets dergelijks gebeurde, vroeger of later, met de meeste vrouwenkloosters. Na 1670 waren alleen de Penitenten, de Sepulchrijnen en de Grauwzusters nog maatschappelijk actief.

De mannenkloosters waren meer naar buiten gericht. Naast hun kloostertaken gaven de monniken en paters onderwijs, hielpen ze de parochiegeestelijkheid bij de zielzorg, of verzorgden ze zieken en armen.

Actief of contemplatief, alle kloosterlingen leefden en werkten volgens een vast dagelijks ritme. Achtmaal per dag verzamelden zij zich in de kapel voor het koorgebed of de getijden, een opeenvolging van geestelijke lezingen, gebeden en gezangen.

De precieze volgorde van de getijden was als volgt. In de nacht werden de metten gebeden, bij de dageraad de lauden, bij de aanvang van het werk de priem, om negen uur 's ochtends de terts, om twaalf uur de sext, om drie uur de noon, bij zonsondergang de vespers, en na het avondmaal de completen. Aangezien er geen kunstlicht was en kaarsen te duur waren, gingen de kloosterlingen na dit getij naar bed. Ze moesten immers ook weer vroeg opstaan.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) hoeft er nog maar een minimum van vijf getijden gebeden te worden. Ook werd het tijdstip van de gebedsuren aangepast.









Iedere orde of congregatie was te herkennen aan de eigen kloosterkleding en de symbolen die daarop gedragen werden. Zo droegen Dominicanen witte habijten met een zwarte koormantel en een wit of zwart scapulier (schouderkleed). Wittevrouwen gingen geheel in het wit gekleed. Elke kleur had zijn eigen betekenis. De kleding van de zusters Annunciaten spande in dat opzicht de kroon: grijs habijt (boetvaardigheid), rood scapulier (lijden van Christus), zwarte sluier (nederigheid), witte mantel (zuiverheid), zilveren medaille aan blauwe band (hemel), een gordel met tien knopen en drie kwasten (tien deugden van Maria en de geselingen van Christus) en tenslotte een ring (trouw aan de hemelse bruidegom). Al die kleurigheid en symboliek is na de Franse Tijd voorgoed verdwenen.

Opmerkelijk is dat in de Middeleeuwen de geestelijke stand zichzelf bestuurde. Ze hadden eigen wetten, een eigen rechtspraak, eigen landerijen en handwerkslieden. Formeel gezien had de bisschop van Luik het recht van toezicht op vrijwel alle geestelijke instellingen in Maastricht. Maar in de praktijk kwam daar weinig of niets van terecht. De kapittels regelden hun zaken zelf en de kloosters deden min of meer hetzelfde. Een deel van de Maastrichtse kloosters, waaronder de meeste vrouwenkloosters, werd rechtstreeks gecontroleerd door de deken van het Sint Servaaskapittel. De rest stond onder toezicht van hogere oversten buiten Maastricht, als zij die al hadden.

Naast bestuurlijke zelfstandigheid hadden de geestelijke instellingen ook economische voorrechten. Zij betaalden geen belastingen en hoefden niet bij te dragen in de onderhoudskosten van de stedelijke verdedigingswerken.

Naast hun maatschappelijke taken en hun voorrechten hadden kloosterlingen veel invloed in de stad, omdat ze geletterden waren binnen een vrijwel gehele analfabete gemeenschap. Onderwijs is heel lang een taak geweest die door nonnen en broeders werd vervuld in de Maastrichtse samenleving.