Uitgebreide tekst

Uitgebreide tekst Céramique

Het modernste stadsdeel van Maastricht, de woon- en kantorenwijk Céramique, ligt op de oostoever van de Maas ingeklemd tussen Wijck en Randwijck. Op het eerste gezicht lijkt het misschien opmerkelijk dat zo'n moderne wijk precies tussen de bruggen van het veel oudere Wijck en de relatieve nieuwbouw van Randwijck past, maar diegene die in gedachten houdt dat daar op het Céramiqueterrein vroeger de fabriek van de Société Céramique lag, kan het wellicht beter plaatsen.
Sinds de aanleg van de eerste stadsmuren in 1318 was Wijck qua oppervlakte niet veranderd, en de enige plek binnen de ommuurde oostoever waar nog ruimte was om een onderneming te starten, was in de zuidwestelijke hoek van Wijck tegen de stadsomwalling aan. Het was dan ook deze plek naast een zeepziederij die Winand Nicolaas Clermont en Charles Chainaye in 1851 kozen toen zij hun keramiekfabriek Société Céramique in Wijck begonnen. Als in 1867 bij Koninklijk Besluit Maastricht de status van vestigingstad wordt ontnomen en men eindelijk toestemming verkrijgt om buiten de stadsmuren te bouwen, grijpt de gemeente deze kans met beide handen aan. In 1869 wordt de stadsmuur ter hoogte van de fabriek doorbroken, de grachten gedempt, het Parmabastion gesloopt en de bijbehorende versterkte garnizoenplaats gesloten.

Société Céramique wordt de mogelijkheid geboden om enkele afzonderlijke percelen in Wijck te ruilen tegen de militaire terreinen die grensden aan het fabrieksterrein. De barakken worden in gebruik genomen, de rest van de grond wordt gebruikt voor de bouw van nieuwe, grotere ovens die parallel aan de Maas komen te liggen. Wanneer Maastricht het grondgebied van enkele naburige gemeentes, waaronder het dorpje Heugem, annexeert, profiteert ook de Société Céramique mee en krijgt zij de kans meer grond langs de Maas te verwerven. Vanaf dat moment voert de onderneming een bewuste grondpolitiek om alle grond langs de Maas te verwerven en zo concurrentie van andere keramiekfabrikanten uit te sluiten. Pas honderd jaar later, in 1968, wordt het Céramiqueterrein in zuidelijke richting begrensd wanneer er begonnen wordt met de bouw van de president J.F. Kennedybrug.

Maar de concurrentie van de binnenlandse en buitenlandse keramiekfabricatie - in Maastricht alleen al had Société Céramique geduchte concurrentie van Sphinx en Mosa -, de goedkope productiemiddelen in andere landen zoals bijvoorbeeld China en Japan en de twee wereldoorlogen zorgen ervoor dat de onderneming het zwaar heeft en het terrein maar voor enkele jaren volledig en optimaal gebruikt wordt. In 1956 fuseert Société Céramique verrassend met haar grootste concurrent Sphinx, en in 1963 verhuist de productie van aardewerk naar het Sphinxterrein aan de Boschstraat. Sphinx biedt ondertussen het Céramiqueterrein meerdere malen te koop aan. Zo ontstaan er bijvoorbeeld plannen om het nieuwe congrescentrum van Maastricht, het MECC, op de fabrieksterreinen te vestigen. Maar hoewel verschillende partijen geïnteresseerd zijn, lopen de onderhandelingen steeds vast. In 1987 biedt Sphinx de gemeente Maastricht het hele terrein te koop aan, met als voorwaarde dat de afdelingen vuurvast en huishoudelijk aardewerk in Maastricht zullen blijven. De gemeente wil wel aan deze voorwaarde voldoen, niet in de laatste plaats om de werkgelegenheid te behouden, en een jaar later, in 1988, wordt de koop officieel bezegeld.

Dan gaat het snel: plotseling ligt er een ambitieus masterplan aan de hand van de architect Jo Coenen. In de eerste tekeningen legt Coenen de nadruk op de verzoening van de invloedsferen waartussen het Céramiqueterrein  ingeklemd ligt, namelijk het oude Wijck en het nieuwe, op economische ontwikkeling gerichte Randwijck. Het plan voor Céramique kent een hoge stedelijke dichtheid, en sluit met functies als wonen, ontspanning en cultuur in het noorden aan op Wijck, en met de grote kantorencomplexen bij Randwijck in het zuiden. Ook staat de verbinding met de oude binnenstad via een voetgangersbrug op het programma, evenals een goede verbinding tussen de Wilhelminasingel in Wijck en het aan Randwijck grenzende Gouvernement. Wil de oostoever van de Maas weer meespelen in Maastricht, dan moet Céramique een hoogwaardige stedelijke functie toebedeeld krijgen.

Het voorstel van Coenen is gedurfd, en presenteert een geheel nieuwe bestemming voor het Céramiqueterrein. Het is dan ook niet verrassend dat het grootste bezwaar dat tegen het plan geopperd wordt, alles te maken heeft met het behouden van de historische elementen die op het Céramiqueterrein aanwezig zijn. De Werkgroep Industriële Archeologie Maastricht (WIAM) inventariseert alle fabriekshallen, complexen en woningen op het hele terrein en brengt aan de hand daarvan in 1989 verslag uit in het boek Société Céramique Maastricht; Een industrieel-archeologische verkenning. Naast een inventarisatie van het terrein, bevat het boek een dringend advies om enkele unieke industriële gebouwen, waaronder de Wiebengahal, niet slopen. Deze inventarisatie wakkert een discussie aan over het behoud van industrieel erfgoed in Maastricht en uiteindelijk besluit de gemeente in overleg met Jo Coenen het plan aan te passen: de Bordenhal, een deel van de Wiebengahal en de directeurswoning Villa Jaunez worden er in opgenomen. Wanneer de sloop in 1991 begint, komen er resten van de oude stadsmuur uit 1318 bloot te leggen; ook deze krijgen een plekje in het nieuwe ontwerp voor Céramique.

Naast de tastbare herinneringen aan de fabrieksgebouwen van welleer, heeft Jo Coenen ook een aantal symbolische verwijzingen naar de Société Céramique en de oude vestigingswerken in zijn ontwerp opgenomen. Zo zijn alle gebouwen parallel met de Maas gebouwd, net zoals eens de fabriekshallen ook allemaal in de lengte langs de Maas lagen en is het stratenplan een eigentijdse voortzetting van de middeleeuwse structuur zoals die nog in Wijck gevonden kan worden. Coenen heeft namelijk met de "winkelhaak" gewerkt, een methode die nog stamt uit de tijd dat men de vestigingswerken aanlegde. Alle winkels, woningen, wegen en straten zijn ingetekend door middel van de winkelhaak en sluiten dus in historische zin naadloos aan op de bebouwing in Wijck. Ook de vormgeving en de ligging van het Charles Eyckpark - weer in de vorm van een winkelhaak - verwijzen naar het vroegere Céramique met haar vestigingswerken. De vijver in het park herinnert aan de natte gracht die vroeger langs de stadsmuur heeft gelopen en de driehoekige vorm van het park weerspiegelt dat van het stadspark aan de westelijke oever van de Maas.

Het masterplan van Coenen bevat naast deze symbolische verwijzingen nog een aantal kenmerkende elementen die hun oorsprong aan de keramiekindustrie te danken hebben. Zo heeft Coenen een aantal randvoorwaarden aan de bouw van woning- en kantorencomplexen gesteld, zoals bijvoorbeeld de eis dat elke gebouw plinten van natuursteen moet hebben, opgaand metselwerk van baksteen, een keramische afwerking bij alle doorgangen, accenten met keramisch materiaal en dat alles bestrating met klinkers plaatsvindt. Het geeft de onderling zeer verschillende gebouwen, waarvoor immers ook verschillende architecten gevraagd zijn, een uniforme, en door het veelvuldig gebruik van baksteen, ook een warme uitstraling.

Het baksteenrood past ook perfect bij de zuidelijke, mediterrane sfeer die Coenen wil oproepen in Céramique. Het Grote Circus en het Kleine Circus zijn hoefijzervormige woningcomplexen aan de Avenue Céramique die herinneren aan de crescents in Engelse badplaatsen en de grote groene binnenplaatsen roepen een sfeer op die ook gevonden kan worden in de binnentuinen in Italiaanse steden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Coenen voornamelijk vooraanstaande architecten uit zuidelijke landen heeft uitgenodigd om verschillende lege plekken in het masterplan op te vullen. Zo ook Mario Botta en Aurelio Galfetti uit Lugano, Álvaro Siza uit Porto, Luigi Snozzi uit Locarno, het architectenbureau MBM (Martorell, Bohigas, Mackay) uit Barcelona, Aldo Rossi uit Milaan en Cruz / Ortiz uit Sevilla. Het zijn stuk voor stuk toonaangevende architecten met een duidelijk herkenbare stijl die van Coenen de vrije hand hebben gekregen mits ze zich aan de randvoorwaarden houden. Volgens Coenen resulteert het in bijzondere gebouwen, die elk hun unieke karakter behouden en toch bij elkaar passen.

Een rondwandeling door Céramique laat zien dat de ideeën van Jo Coenen in de praktijk goed tot hun recht komen. De Hoeg Brögk stond al ingetekend op de eerste plannen van Coenen in 1988, maar werd pas in 2003 aangelegd en geopend. De brug, enkel toegankelijk voor voetgangers en fietsers, vormt de verbindende schakel tussen de oude stad en het nieuwe stadsdeel en moet de toegankelijkheid van Céramique vergroten. Voor het overspannen van de Maas (164 meter breed) is gekozen voor een zogenaamde "boog-tui"- constructie waardoor de Hoeg Brögk zo'n tien meter boven de Maas hangt zonder de steun van brugpijlers. De trappen aan oost- en westzijde zijn, om de hoogte van tien meter te bereiken, dan ook behoorlijk steil: aan oostzijde bedraagt de helling zo'n 18%, aan westelijke zijde op de rechtdoorgaande trap ongeveer 27 %.

Aangekomen aan de andere kant van de Maas, betreden we Plein 1992. Het plein is door Jo Coenen zelf ontworpen, eveneens als bijna alles op het plein: het Centre Céramique, de Maasappartementen (boven het restaurant Beluga, bekroond met twee Michelinsterren) de Maaskantoren en het Derlontheater. Voor Plein 1992 heeft Coenen zich laten inspireren door het plaveisel van het domplein in Sevilla en het plein bestraat met zacht grijze tegels die gescheiden worden door rijen witgranieten banden. Op het kruispunt van deze banden zijn ofwel lantaarnpalen geplaatst ofwel de bronzen plaquettes met afwisselend het Euroteken of het jaartal 1992. Door deze verwijzing naar het Verdrag van Maastricht komt Céramique symbolisch tussen twee Europese gedenkpunten te liggen: Plein 1992 en het Gouvernement met daarvoor het sterrenkunstwerk Stars of Europe van Maura Biava. In het opgeknapte Derlontheater stonden voorheen enkele biscuitovens, maar tijdens een grondige opknapbeurt in 1951 - de steen in de gevel getuigt er nog van - werd het gebouw in gebruik genomen als bordenhal. Omdat voor het beschilderen van borden veel licht nodig was, is het dak opgetild waardoor er meer hoge ramen ingebouwd konden worden. De bordenhal is door Coenen omgebouwd tot het theater en vormt nu samen met het Centre Céramique het hart van de culturele noordknoop. Het Centre Céramique is niet alleen in gebruik als stadsbibliotheek, ook het gemeentearchief en het European Journalism Centre zijn er gevestigd, eveneens als verschillende expositieruimtes.

Aan de andere kant van het Plein begint de Avenue Céramique die heel het stadsdeel doorsnijdt. Ook de Avenue staat al op de eerste plannen van Coenen, die de weg als verbindende schakel tussen de Wilheminasingel in de Wijck, het Gouvernement en Randwijck vormt. De "Toren van Siza" vormt het markante beginpunt van de Avenue waar zich vervolgens La Fortezza van Mario Botta in de bocht genesteld heeft. Vanaf dan vervolgt de Avenue rechtuit, en is het een eigentijdse Maastrichtse versie van de Champs d'Elysées - het voorbeeld naar waar Coenen de Avenue heeft ontworpen. Ongeveer halverwege de Avenue bevindt zich aan de linkerkant het gebouw van Rijkswaterstaat van de Nederlandse architect Hubert Jan Henket. Bijzonder aan dit gebouw zijn de vier glazen "zonneschoorstenen" op het dak die vanaf de zijkant goed te zien zijn. Deze schoorstenen herbergen een ingenieus ventilatiesysteem waar door zonverwarming van de glazen schoorsteen de gebruikte lucht naar boven en naar buiten trekt, en schone lucht door roosters naar binnen wordt gezogen.

Schuin er tegenover ligt het Bonnefantenmuseum met de Wiebengahal die samen de culturele zuidknoop van Céramique vormen. De Wiebengahal was één van de grootste struikelpunten in het originele masterplan van Jo Coenen en vanwege de nodige protesten is in de nieuwe voorstellen een nieuwe functie voor het gebouw gezocht. Aanvankelijk werd eraan gedacht om het Bonnefantenmuseum in de hal te vestigen, maar de ruimte bleek te klein en niet in optimale conditie om schilderijen tentoon te stellen en te bewaren. Voor het Bonnefantenmuseum is er in 1995 vlak achter de Wiebengahal een geheel nieuw gebouw ontworpen door Aldo Rossi. Van de oorspronkelijke hal ontworpen door J. G. Wiebenga in 1912 is tegenwoordig alleen nog het ovengebouw over, dat bewaard gebleven is omdat het zo'n bijzondere dakconstructie heeft. De zolderverdieping is namelijk opgebouwd uit betonnen schaaldaken, waarin rupsvormige lichtkappen zijn aangebracht. Omdat het gehele gebouw, inclusief het dak uit een betonnen skelet is opgebouwd, mag het met recht tot één van de eerste voorbeelden van het Nieuwe Bouwen in Nederland genoemd worden.