DE EERSTE MIDDELEEUWSE STADSOMMURING

Nadat de Maastrichtenaren in 1229 van de Brabantse hertog Hendrik I het recht verkregen om hun stad met een muur te versterken, werd waarschijnlijk korte tijd daarna begonnen met de bouw van een stadsmuur boven op een aarden wal, die al in de twaalfde eeuw rond de stad was opgeworpen.

De stadsmuur werd gebouwd in donkerbruine kolenzandsteen en had een lengte van 2.400 meter en een hoogte van ruim vijf meter. Deze eerste stadsmuur telde dertien stadspoorten en twee waterpoorten. De muur is opgebouwd met halfronde spaarbogen en had oorspronkelijk een weergang en twaalf torens. In de spaarbogen zijn nissen met één of twee schietspleten uitgespaard; soms bevinden deze zich op twee niveaus boven elkaar. De eerste ommuring verloor al spoedig haar belangrijkste strategische betekenis, omdat er vanaf het begin van de veertiende eeuw een tweede, ruimere, ommuring rond de stad is gebouwd. Nochtans werd de eerste muur tot in de zestiende eeuw vrijwel volledig intact gehouden als een tweede verdedigingslinie. Van de eerste stadsmuur bleven aanzienlijke delen bewaard, onder andere de Onze Lieve Vrouwewal, de muren aan het Lang Grachtje en het Klein Grachtje en een muurdeel achter de bebouwing van het Sint-Servaasklooster. Aan de noordzijde zijn nog fragmenten behouden achter de bebouwing aan de Grote Gracht en de Kleine Gracht. Aan het Lang Grachtje is de onderbouw van een halfronde muurtoren met een overwelfde benedenruimte bewaard gebleven.

DE STADSMUUR VAN WYCK

Met de bouw van de stenen ringmuur rond de voorstad Wyck werd in 1318 begonnen. De nieuwe muur verrees op de bestaande omwalling die voordien van een houten palissade was voorzien. Deze muur van kolenzandsteen had een lengte van 1.550 meter, telde twee stadspoorten en drie Maaspoorten en had aanvankelijk twaalf muurtorens.  De bekendste daarvan was de Wycker Kruittoren. Aan de  Maaszijde bleef deze muur ten zuiden van de Sint-Servaasbrug over de gehele lengte als kademuur behouden. De Maaspunttoren vormt de zuidelijke hoektoren van de ommuring op de rechter Maasoever en stond vroeger bekend als het Lambrechtsrondeel. Alleen het onderste deel ervan is authentiek, de bovenste helft werd in 1913 gereconstrueerd. Iets naar het noorden staat nog één van de Maaspoorten. Deze Waterpoort aan de Stenenwal heette oorspronkelijk de Simon Mertenspoort. Via een kleine poortdoorgang was een loskade langs de Maas bereikbaar. In 1714 werd het kleine poortje vergroot en in de negentiende eeuw werd er op de poort een woning gebouwd. Nadat de waterpoort in 1890 door de gemeente Maastricht was gesloopt, werd het monument op last van de Minister van Binnenlandse Zaken in 1897 gereconstrueerd.

In de tweede helft van de vijftiende eeuw werd de voorstad Wyck van een nieuwe ommuring voorzien. Op de zuidwesthoek werd deze nieuwe verdedigingslinie versterkt met een grote hoektoren, die als de Recentoren bekend staat. De herkomst van deze naam is niet bekend. In 1558 werd de toren tot op het niveau van de walmuur verlaagd en omgevormd tot een halfrond geschut-platform. De toren werd in 1869 gesloopt en in 1991 werd de fundering van de toren blootgelegd. De onderbouw van toren en de aansluitende muren zijn in 1995 geconsolideerd.

Foto: Is dit een deel van de Maasmuur aan de Maastrichtse kant? Wie het weet mag het zeggen! Reageer!




TWEEDE STADSOMMURING OP DE LINKER MAASOEVER.

De tweede stadsommuring werd in het derde kwart van de veertiende eeuw gebouwd op een aarden wal, die zelf al aan het einde van de dertiende eeuw werd opgeworpen. Deze wal die aanvankelijk met palissaden was versterkt, wordt vermeld in het werk van de zeventiende eeuwse Dominicaner monnik Thomas de Heer, die zich daarbij baseerde op de stadsrekeningen uit de periode 1280-1313. De nieuwe verdedigingslinie werd noodzakelijk geacht omdat er in de dertiende eeuw al zeer veel huizen langs de uitvalswegen buiten de eerste stadsmuur waren gebouwd. De tweede stadsmuur had  een lengte van 3575 meter en de hoogte varieerde van zes tot negen meter. De muur had een onderbouw van kolenzandsteen en de buitenschil van de bovenbouw bestond hoofdzakelijk uit hardstenen blokken, terwijl de kern gevuld was met puin.

Foto: De hardsteen van de tweede ommuring.

De muur telde vijf poorten: de Sint-Pieterspoort, de Tongersepoort, de Brusselsepoort, de Lindenkruispoort en de Boschpoort. Daarnaast waren er nog twee waterpoorten aangebracht en tien kleinere poorten of poternes. Aan de zuidzijde werd de vestinggracht door de Jeker gevoed en aan de noordzijde met water uit de Maas. De tweede stadsmuur bleef aan de zuidwestkant van Maastricht tussen de Sint-Pieterspoort en de Tongersepoort vrijwel volledig bewaard.

PATER VINCKTOREN.

Deze verdedigingstoren behoort tot de tweede stadsommuring, die op deze plek aansluit op de eerste ommuring. In de Middeleeuwen heette de toren "Achter die Swestern", omdat achter de toren het klooster van de Feilzusters lag. De toren had een strategische betekenis bij de verdediging van de waterpoort, die feitelijk de verbinding vormde tussen de eerste en de tweede stadsommuring. De Pater Vincktoren werd rond 1370 voltooid, maar raakte in verval nadat in 1515 de ommuring van de Nieuwstad werd gebouwd. In 1880 was slechts de onderste helft van de toren in ruïneuze toestand behouden.
De toren werd in 1906 in romantische stijl gerestaureerd en kreeg toen ook pas zijn huidige benaming. Deze naam verwijst naar de Franciscaner pater Servatius Vinck, die in 1638 werd beschuldigd van verraad van de stad aan de Spanjaarden. Na terechtstelling werd zijn hoofd op het nabijgelegen rondeel "De Vijf Koppen" tentoongesteld, naast de hoofden van vier medeplichtigen aan het verraad. De restauratie van 1906 werd uitgevoerd naar plannen van architect Willem Sprenger. Hij liet zich daarbij inspireren door de Wycker Kruittoren, die in 1868 onnodig was gesloopt. De Pater Vincktoren heeft twee verdiepingen: de eerste verdieping geeft toegang tot de weergang en de tweede verdieping is bereikbaar via een uitgebouwd traptorentje aan de stadszijde. De toren heeft behalve zijn naam in het geheel niets met pater Vink te maken.

WATERPOORTEN

Bij de verdediging van de stad vervulde de Jeker een rol van betekenis. Zowel bij de eerste als de tweede stadsmuur werd de Jeker langs de zuidelijke flank geleid. De Jeker werd ook bij de eerste stadsmuur voor de voeding van de gracht op het zuidfront gebruikt. De waterpoort waarbij bij de eerste muur de scheiding van de wateren plaats vond, ligt aan de Ezelmarkt, onzichtbaar voor het publiek. Op de plek van deze waterpoort werd een tak van de Jeker langs het zuidelijke vestingfront geleid en een andere tak door de waterpoort de stad in geleid. Aan de binnenstedelijke Jekertak lagen toen al meer dan tien watermolens.
Betralied raam boven de reek bij de voormalige Sint Pieters poort Dit is een andere 'Reek' dan die waar het in de tekst over gaat!De waterpoort werd vernoemd naar de "reek", de Maastrichtse benaming voor het ijzeren valhek dat men in de poort kon neerlaten of naar de 'riekvorm' van de dammetjes die tussen de schutdeuren liggen. De flankerende verdedigingstorens zijn in het midden van de zestiende eeuw vernieuwd. Voor de waterpoort ligt de Grote of Bonnefantensluis uit de periode 1674 - 1678. Met behulp van deze sluis kon men vroeger bij oorlogsdreiging het Jekerwater opstuwen vóór het laag gelegen zuidfront van de vesting. Deze Jekerinundatie bestond uit een viertal grote inundatiekommen, die in 1674 naar plannen van Vauban werden aangelegd. Het gebied bleef tot op de dag van vandaag bekend als de Kommen.

Foto: Is dit een muur die het grondgebied van het kapittel van Sint Servaas heeft beschermd? Het fragment bevindt zich achterin De Perroen aan het Vrijthof. Wie het weet mag het zeggen! Reageer!

In "Bolwerk der Nederlanden" van L.J. Morreau uit 1979, een ouder standaardwerk over de vesting Maastricht vinden we de volgende beschrijvingen van de eerste en de tweede ommuring. Tevens is er een beschrijving van de ontwikkeling van de ommuring van Wyck.




De eerste ommuring

Morreau: "De geschiedenis van Maastricht als militair steunpunt en vesting neemt een aanvang omstreeks 1200. (Inmiddels is dit achterhaald, algemeen wordt nu aanvaard dat er rond 1180 al een aarden wal moet zijn geweest. Redactie.) Zij vindt haar grondslagen in de expansiedrang van de hertogen van Brabant in de richting van het Rijnland, die reeds vóór dat jaar tot uiting komt in hun streven van de belangrijke Maasovergang bij Maastricht t.z.t. een militair en economisch steunpunt aan de voor Brabant belangrijke handelsweg van Vlaanderen naar Keulen te maken. Het staat dan ook vast, dat Hendrik I van Brabant kort na 1200 met de fortificering van Maastricht een begin gemaakt heeft.

Deze versterking krijgt in de jaren na1229 en meer definitieve vorm in de stenen ommuring, - gebouwd op de toen aanwezige aarden wal - die door de burgerij tot stand gebracht was en in 1251 voor het eerst vermeld wordt.
Nog in de 13de eeuw treft men tal van verwijzingen aan naar de dan bestaande, van poorten en torens voorziene, ommuring.

De tweede ommuring
Morreau: Reeds rond 1300 bleek deze (de eerste Redactie.) ommuring te eng te zijn, zodat met - uit de Raadsverdragen blijkende - instandhouding van de eerste ommuring, een ruimere aarden enceinte werd opgeworpen, waarop omstreeks 1380 de tweede ommuring werd gebouwd. Daarvan maakte de toen bestaande ommuring langs de Maas, gebouwd rond 1229, deel uit; zij werd steeds in staat van verdediging gehouden en zwakke plekken werden hersteld. De bogen in de muren aan de landzijde van de eerste ommuring zijn later gebruikt voor bergplaatsen en woningen, terwijl een aantal bij die ommuring behorende poortgebouwen voor openbare diensten in gebruik genomen werd. Dat deze ommuring in 1579 nog intact was, blijkt o.m. uit het niet uitgevoerde plan om tijdens het beleg van dat jaar, die binnenmuur te verdedigen teneinde de evacuatie naar Wyck mogelijk te maken.

Een beschadiging van de tweede muur (Jezuïtenwal) door grof geschut.


















In de 17de eeuw verplaatste het zwaartepunt van de defensie zich naar de buitenwerken en ging men er toe over successievelijk het grootste deel van de muren, poorten en torens van de eerste ommuring te slopen; deze afbraak duurde tot in de 18de eeuw voort. De oude ommuring langs de Maas werd in stand gehouden; de schade daaraan toegebracht door de stroomwerking van de Maas werd hersteld. Deze stadsmuur bleef tot de opheffing van de vesting in 1867 onderdeel van de vestingwerken; uit de Raadsresoluties blijkt, dat er voortdurend zorg aan besteed werd. Na 1800 zijn nog restanten van de eerste ommuring verdwenen, zowel aan de landzijde, als langs de Maas. Eerst in de 20ste eeuw is men op grotere schaal met conservering en herstel begonnen, zodat er iets van de oude glorie herleefde en de historie weer een plaats in het stadsbeeld verkreeg. In haar glorietijd had de eerste enceinte van de stad op de linker Maasoever een lengte van ongeveer 2 1/2 km; zij was beveiligd door een gracht en voorzien van een 13-tal poorten, acht aan de landzijde en vijf langs de Maasoever. Van deze poorten bleef er slechts een behouden, de Helpoort. Behalve deze poorten waren er nog twee waterpoorten en een aantal kleine poortjes en tenminste 12 torens." (Samenvatting p.322.)

De tweede ommuring bis
"Gelijk gezegd, bleek reeds in bet begin van de 14de eeuw de eerste ommuring te eng te zijn voor het toenemend aantal inwoners. De uitleg van de fortificatie, die ook de nieuwe wijken van de lakenbereiders en de looiers diende te omvatten, werd daarom noodzakelijk. Daartoe werden in het laatst van de 13de eeuw reeds voorbereidende maatregelen getroffen door de aanleg van een aarden wal met poorten, die reeds in hoofdzaak het beloop van de latere tweede ommuring aangaf.
Wanneer met deze ommuring begonnen werd, staat niet vast. Aan de hand van de Raadsverdragen kan worden vastgesteld, dat het werk omstreeks 1380 reeds goed gevorderd was, maar tevens, dat het in de 15de  eeuw in verschillende bouwperioden nog werd voortgezet. In de loop van die eeuw werd de tweede ommuring, waarover ook Herbenus bijzonderheden geeft, vermoedelijk voltooid. (Herbeneus = Mattheus Herben (?1451-1538) humanist en wetenschapper. Schrijver van 'De Traiecto instuurt " = over hersteld Maastricht, de oudste stadsbeschrijving in de Nederlanden. Redactie.)
Omdat deze - behoudens enkele poorttorens - voltooide tweede stadsommuring, afgezien van noodzakelijke herstellingen ter voorkoming van verval, reparatie, versterking en uitbreiding behoefde, werd er tot aan de opheffing van de vesting in 1867 herhaaldelijk aan gewerkt, wat uit de Raadresoluties op de voet te volgen is.

Na schade herstelde plekken.












Deze werkzaamheden hielden vooral verband met oorlogsdreiging of met een beleg, waarbij zekere ervaringen werden opgedaan, die er toe leidden, dat men de nodig gebleken voorzieningen trof. Daarbij werd ook met name sinds 1540 rekening gehouden met bet gebruik van vuurgeschut en met verdediging tegen verrassingsaanvallen. Aldus treedt speciaal omstreeks 1540, 1550 en 1579 een duidelijke opleving van de bouwactiviteiten aan de buitenste enceinte naar voren; in de andere perioden was er allereerst en in hoofdzaak sprake van algemeen onderhoud en incidentele versterkingen. De werkzaamheden en de zorg voor de instandhouding van de vestingwerken werden uiteraard mede bepaald door de vooruitgeschoven ligging van Maastricht en de positie aan de Maasovergang ,waardoor de vesting strategisch belang verkrijgt in internationale conflicten. Maastricht was niet alleen een steunpunt van de hertogen van Brabant op de handelsweg naar Keulen, maar eveneens - met name in de 14de en 15de eeuw - de wijkplaats van de bisschoppen van Luik wanneer zij door de adel en de steden in het prinsdom in het nauw gebracht werden. In het begin van de 80-jarige oorlog stond de stad bekend als 'de sleutel van Brabant' omdat zij de toegang tot het kerngewest van de Nederlanden tegen aanvallen uit Het Oosten afsloot." (Samenvatting: p. 322-323.)

Morreau: " Van de tweede ommuring bleef het grootste deel van de zuidelijke enceinte bestaan; van de enceinte, die de 'Nieuwstad'  beschermde bleven behouden de beide rondelen, een aanzienlijk deel van de muur en een waterpoort. In 1868 is het verdedigingssysteem grotendeels afgebroken." (Samenvatting: p. 323.)

Morreau: "In 1814 (5 mei) kwam de vesting weer onder Nederlands gezag, dat zich t.a.v. de ommuring beperkte tot onderhoudswerkzaamheden en na 1867 zich beijverde sloopwerkzaamheden te doen verrichten, die gelukkig niet voltooid waren, toen in het begin van deze eeuw meer gevoel en begrip voor de historische waarde van de overgebleven vestingwerken ging ontstaan." (Samenvatting p. 323.)

De ommuring van Wyck
Morreau: " Een bijzonder belangrijk deel van de vesting Maastricht was Wyck, dat de toegang tot de Maasbrug beschermde. De vroegste vermelding van een verdedigingswerk te Wyck is die van een stenen toren in 1248 die in 1267 door de Luikenaren werd afgebroken." (Samenvatting p.324.)

Morreau: "Maar omstreeks 1320 begint men met de aanleg van een ommuring van dit stadsdeel (Wyck. Redactie.), die in de loop van de 15de eeuw wordt voltooid. Deze ommuring werd aan de landzijde omgeven door een wijdere aarden omwalling, waarmede men reeds in het laatst van de 15de eeuw een begin gemaakt had. (Voor de chronologie van de versterkingen in Wyck kan tegenwoordig beter gebruik worden gemaakt van de bevindingen van Panhuysen c.s. die met name in de Publications te vinden zijn nav de opgravingen op het Céramiqueterrein. Redactie.) De aanvankelijke stenen ommuring werd daarna successievelijk en grotendeels afgebroken. Alléén aan de rivierzijde bleef de oorspronkelijke stadsmuur bestaan en functioneren. Aan de omwalling werden dan ook in de volgende eeuwen verbeteringen en versterkingen aangebracht; sommige delen er van werden zelfs herbouwd. De ommuring van Wyck mat circa 1500m en had twee veldpoorten, drie Maaspoorten, een aantal poternes en muurtorens. Na 1867 verdwijnt ook bet bovenste deel van de Maasmuur." (Samenvatting: p.224.)

Uit: "Bolwerk der Nederlanden" van L.J.Morreau uit 1979. Een uitgave van Van Gorcum, Assen. Het boek verscheen als nummer twee in de serie Maaslandse Monografieën (groot formaat) van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap.