Wonen op stand

Auteur(s): Mevrouw Wolfs-Corstjens
Redactie: Paul Arnold

Het Spaans Gouvernement aan het Vrijthof is het oudste niet-kerkelijke gebouw van Maastricht. In zijn bewogen geschiedenis, heeft het gebouw tal van beroemde bewoners gekend. Maar ook enkele gewone stervelingen, zoals de familie Wolfs.

Tot de Franse Tijd was het Spaans Gouvernement eigendom van het kapittel van Sint Servaas. Hooggeplaatste gasten, zoals de Spaanse koningen Karel V en Filips II en talloze graven en hertogen, mochten er logeren telkens wanneer zij de stad bezochten. In 1796 kwam het gebouw in handen van de familie Neys, die het deels zelf bewoonde en deels verhuurde.

Tussen 1870 en 1890 was er een agentschap van de Nederlandse Bank gevestigd, daarna nam de Zuid-Limburgsche Credietvereeniging zijn intrek in het gebouw. In 1913 werd het Spaans Gouvernement publiekelijk geveild en gekocht door jhr. Victor de Stuers, de grondlegger van de monumentenzorg in ons land. Hij voorkwam daarmee dat het historisch waardevolle pand werd gesloopt. Na een grondige restauratie in 1917, schonk hij het pand aan de Gemeente.

In de jaren vóór 1940 heeft het gebouw nog enige tijd gediend als woonhuis van de familie Schaepkens van Riemst. In de oorlogsjaren werd het pand door de Duitsers gevorderd en was er het kantoor van de Kultuurkamer gevestigd.

Direct na de bevrijding van de stad in september 1944, werd in het Spaans Gouvernement het Beheersinstituut gehuisvest. Dit was een bureau dat het beheer en de verdeling op zich nam van alle woningen en roerende goederen van NSB-ers en collaborateurs die waren onteigend. In 1945 werd de naam van het instituut veranderd in Bureau Huisvesting van de Gemeente Maastricht.

Eén van de eerste families die dit bureau aan een nieuw onderdak geholpen heeft, was de Maastrichtse familie Wolfs. In eigen huis, want Vader Wolfs werd in 1945 bij het bureau aangesteld als conciërge. Samen met zijn vrouw en kinderen betrok hij enkele leegstaande kamers in het gebouw.

Mevrouw Wolfs-Corstjens vertelt hierover het volgende: 'Die familie, dat waren mijn schoonouders en hun kinderen. Vier hadden ze er toen. Mijn man is zelfs in het Spaans Gouvernement geboren, op 29 augustus 1946. Hij heet John Wolfs'.

'Mijn man kan zich nog veel herinneren uit die tijd. Zo weet hij nog hoe het er toen in het Spaans Gouvernement uitzag. Beneden was de wachtkamer en daar bevond zich ook de keuken van de conciërge, mijn schoonvader dus. Boven was de kamer van de directeur, ik geloof dat hij Delnooz heette en er werkten ook nog een zekere meneer Bruynzeels en een meneer Limpens. Op diezelfde verdieping hadden mijn schoonouders een zitkamer met een doorgang naar hun naastgelegen slaapkamer. Mijn echtgenoot sliep daar toen ook. De rest lag op zolder. Daar hoor ik nog wel eens verhalen over als we bij elkaar zijn op een of ander feestje'.

'Mijn man vertelt wel eens over een put achter in de tuin, waar zijn vader soms een brandende krant in gooide. Dan konden hij en zijn broertjes zien hoe diep die put was. Het duurde namelijk een eeuwigheid voor die krant de bodem bereikte. Ook kan hij zich de entree van het gebouw nog goed herinneren. In het begin van de jaren vijftig heeft een kunstenaar, ik meen Henri Schoonbrood, hier enkele grote muurschilderingen aangebracht. We zijn er later nog wel eens gaan kijken, maar die schilderingen zijn er niet meer'.

'In 1954 kwam de familie Wolfs bij ons naast wonen, aan de Bloemenweg 40. Ze moesten toen weg uit het Spaans Gouvernement en de huisvesting verhuisde naar de Sint Jacobsstraat. Mijn schoonmoeder heeft daarna ontzettend veel heimwee gehad naar de binnenstad. Nog steeds komen ze allemaal niet uitgepraat over het Spaans Gouvernement, en over hoe leuk die tijd aan het Vrijthof wel niet was'.

Terug naar het verhalenoverzicht