Water en Waterwegen: Spil van onze Stadsgeschiedenis

Auteur(s): Jac van den Boogard
Redactie: Jac van den Boogard

Maastricht, stad aan Maas en Jeker, is een waterstad bij uitstek. Je ziet het direct als je de stad binnenvaart. Heel bijzonder is bijvoorbeeld de dubbele oeverbebouwing links en rechts op de oevers van de Maas.

Het ontstaan van de stad is te danken aan het water van de Maas, ja zelfs de naam van de stad in de taal van de Romeinen, het Latijn,- Trajectum ad Mosam of Mosae Trajectum - is te danken aan de rivier de Maas en betekent oversteekplaats over de Maas. De Romeinen hebben de enige goed doorwaadbare plaats door de rivier de Maas benut in het traject van hun heerbaan die vanaf het Noord-Franse Bavai loopt tot de stad Keulen, Colonia Agrippina.

Het was een ideale plaats om een brug te bouwen. Aan de westzijde van de brug ontstond een kleine nederzetting die uitgroeide tot de stad Maastricht. Aan de oostzijde van de brug ontstond een bescheiden bruggenhoofd en daar groeide een kleine handelsnederzetting. In het latijn is dat vicus en zo luidt de naam van dat stadsdeel nog steeds: Wyck.

Maastricht, deze mooie plek aan de oever van de rivier, is vanaf de Romeinse stichting van de stad continu bewoond geweest dankzij de vaste oeververbinding over de Maas, overigens tot in de 19e eeuw de enige vaste oeververbinding over de Maas vanaf het punt war die rivier ons land instroomt tot aan Rotterdam. Daarnaast werd het leven en aanzien van Maastricht ook nog bepaald door de aanwezigheid van een tweede rivier: de Jeker. Het grondgebied van de stad werd namelijk letterlijk doorstroomd door drie takken van dit grillige snelstromende riviertje. De Keltische naam Jeker betekent: helder water. De stroom ontspringt als een zijrivier van de Maas nabij Tongeren.

In de biografie van Maastricht zijn vier stadskenmerken of identiteiten te onderscheiden: Romeins archeologisch Maastricht, Maastricht als religieuze en pelgrimstad, de vesting- en garnizoensstad Maastricht en Maastricht als vroege industriestad. In alle vier deze episoden van de stadsgeschiedenis spelen water en waterwegen een belangrijke rol.

Romeinse tijd
De brug over de Maas is de spil van de geschiedenis van Maastricht vanaf de Romeinse tijd. De Romeinse brug lag niet op de plek waar de huidige Maasbrug - overigens pas sedert de jaren 1930 Sint-Servaasbrug genoemd - ligt, maar een klein eindje stroomopwaarts. Op beide Maasoevers is een markering aangebracht waar de aanlanding van de Romeinse brug geweest is. Op de Maastrichtse oever is een monument geplaatst bij een kleine borstwering in de kade; het is een kopie van een archeologische vondst en stelt een leeuw voor. Dit stenen relict was een decoratief onderdeel van de in hout op stenen pijlers gebouwde Romeinse brug. Op de Wycker oever is een gedenksteen in het plaveisel aangebracht die de plek van de aanlanding van de brug markeert.


Ook de Romeinen in Mosae Trajectum hadden een hoogstaande watercultuur. In het Bonnefantenmuseum wordt een fraai bronzen kraantje bewaard in de vorm van een dolfijntje. Tijdens opgravingen achter de Stokstraat in het hart van de Romeinse nederzetting zijn de restanten teruggevonden van een Romeins badgebouw, de thermen. Het pleintje 'Op de Thermen' herinnert aan deze vondst. In het plaveisel zijn de contouren zichtbaar gebleven van het thermengebouwtje. Het water, waarschijnlijk dat van de Jeker, immers helder en snelstromend, liep door een stelsel van goten en loden of houten buizen naar de thermen. Het water voor het warmwaterbad werd verwarmd door middel van een hypocaustum, een Romeinse vorm van vloerverwarming. De drinkwatervoorziening in de Romeinse tijd werd verzorg door middel van putten. Een Romeinse waterput, ontdekt bij de opgravingen onder het Hotel Derlon, is thans nog te zien in de museumkelder Derlon.

Pelgrimsstad-religieuze stad
In de middeleeuwen groeide Maastricht uit tot een belangrijke pelgrimsplaats rond het graf van Sint Servaas aan het Maastrichtse Vrijthof. Volgens de legende heeft de vrome stadspatroon even buiten de stadsgrenzen in Biesland op wonderbaarlijke wijze een bron doen ontstaan. Er ontstond een intensieve pelgrimage naar de Sint Servaasbron. Dat was de aanleiding om het water van de bron via een waterleiding van dunne geboorde buizen van elzenhout naar het Vrijthof tot voor de kerk van Sint-Servaas te brengen naar de Servaasfontein. Waar zou het sacrale water meer effect hebben dan juist op die plek? Helaas heeft het waterleidingsysteem nooit goed gefunctioneerd. Maar Servatius, althans de kanunniken van zijn kerk, waakte wel over het water van de Maas. Dat wil zeggen: zij hadden vanaf 1139 het recht tol te heffen van alle passanten van de brug, maar ze moesten ook voor het onderhoud van de brug zorgen.

Middeleeuws Maastricht was tot het begin van de 15e eeuw bekend om zijn lakennijverheid. Die was geconcentreerd op de oever van de Maas in de noordoostelijke hoek van de stad. De huidige straatnamen herinneren nog aan die oude nijverheid: Lakenweversplein, Raamstraat, het Lakenlood. Ook het Maastrichtse leer had een goede naam en werd geproduceerd voor de export. De leerlooiers werkplaatsen lagen in zuidwestelijke hoek van de stad langs de Jeker in de Grote en de Kleine Looiersstraat.


De Jeker voorzag de ambachtslieden van water voor het looien en drijfkracht voor de looiersmolen. Leerlooien was vies en vervuilend werk dat veel stankoverlast veroorzaakte. Daarom waren de leerlooiers bedrijfjes naar de rand van de stad verbannen. Daar lag ook de looiersmolen. Hoe zeer de stad economisch afhankelijk was van het water van beide rivieren blijkt: Maastricht kende helemaal geen windmolens. Maas en Jeker leverden voldoende drijfkracht voor talrijke watermolens zoals de monumentale Bisschopsmolen. De molen ligt op deze plek aan de Jeker al sinds de elfde eeuw. De Maastrichtse bierbrouwers lieten er hun mout malen.

De Maastrichtse producten werden door Maasschippers zelfs tot in Scandinavi├ź vervoerd. Het Zweedse eiland Schonen was het eindputn van hun route. Daarom werden ze ook de 'Scoense Verderen' genoemd ofwel de 'vaarders op Schonen'.

Vestingstad-garnizoensstad
In de stad lagen tot in de 18e eeuw op diverse plaatsen grote poelen water voor de watervoorziening bij brandbestrijding of voor het drenken van het vee of voor huishoudelijk gebruik bijvoorbeeld op de Maagdendries of de Kommel. In de periode dat Maastricht vestingstad was leefde de stad goeddeels van het garnizoen. De Maas bleef een belangrijke verkeersader. De brug versterkte de betekenis van de stad als verkeersknooppunt terwijl de rivier na de sluiting van de Schelde in 1595 de verbinding bij uitstek vormde tussen de noordelijke provincies en de Zuidelijke-Nederlanden en Oost-Frankrijk. De eilanden in de Maas deden dienst als blekerij en lazaret als er weer eens een epidemie uitbrak.

Overigens was het geen ideale verbinding want de Maas is een regenrivier en heeft daardoor een zeer onregelmatige watertoevoer. In de zomer was de rivier te droog om te bevaren en in de winter stond het water al snel te hoog.

Het water van Maas en Jeker speelde een rol bij de verdediging van de stad Maastricht. Maaswater en Jekerwater werd gebruikt voor de voeding van de grachten rond de stad. Ten zuiden van de vesting werden voor het eerst in 1674 inundatiekommen gegraven, diepe kommen die men bij nadering van de vijand onder water kon laten lopen. Dat terrein liep tot aan de voet van de Sint-Pietersberg. Na de ontmanteling van de stad werd het gebied bestemd tot bouwterrein en werd er onder meer de Tapijnkazerne gebouwd. De sportterreinen tussen de Hubertuslaan, Villapark en Jekerdal zijn de schamele restanten van de oorspronkelijke 'koompen' zoals het inundatiegebied in het Maastrichts dialect werd genoemd.

De Maas werd trouwens in tijd van oorlog afgesloten met kettingen en bewakingsschepen en bij de Maasbrug werden voorzieningen getroffen om die in geval van nood op te blazen.

Vroege industriestad
Tot na de Franse Tijd (1814) bleven Maas en Jeker de enige verbindingswegen over water. In de jaren 1820-1840 veranderde het aanzien van de stad van garnizoensstad in vroeg-geïndustrialiseerde stad. Maastricht werd de eerste industriestad van ons land.

Door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, de binnenhaven het Bassin en het kanaal van Luik naar Maastricht in de19e eeuw en in de 20e eeuw de aanleg van het Albertkanaal, het Juliana-kanaal en de Maaskanalisatie werd het verkeer te water verbeterd.

Onder koning Willem I moest een netwerk van waterwegen en landwegen de nationale en economische eenwording van ons land bevorderen. De Zuid-Willemsvaart was he langst en kostbaarste onderdeel ervan; het kanaal liep van Den Bosch naar Maastricht en werd aangelegd van 1822 tot 1826. Het was een groot succes, wat blijkt uit de vele schepen die het bevoeren en de enorme sommen aan sluisgelden die erop werden geheven. Tijden de Belgische Opstand van 1830 tot1838 werd het gesloten maar in 1838 werd het weer heropend. Na 1845 herstelde het scheepvaartverkeer zich op de Zuid-Willemsvaart. Een jaar later werd de Zudi Willemdvaart via het Kemperkanaal verbonden met de haven van Antwerpen.

Het Bassin werd aangelegd in 1826, althans toen werd het geopend. In die tidj waren de vestingwerken er nog en was Maastricht nog een strategisch belangrijk bolwerk. Dus brede grote kanalen door die vestingwerken om het Bassin te laten aansluiten op de Zuid-Willemsvaart, dat was strategisch onverantwoord en daarom werd een smalle tunnel gemaakt ten noorden van het Bassin met krappe scherpe bochten. Daaronder door moest je varen om bij Sluis 19 te geraken die de verbinding vormde tussen het Bassin en de Zuid-Willemsvaart. De binnenhaven Bassin was een succes en die was binnen drie jaar te klein; daarom werd een nieuw tweede bassin aangelegd, een havenkom, nu direct achter de aanlanding van de Noorderbrug in 1829.

De werfkelders langs het Bassin zijn in 1859 aangelegd. Rond het Bassin vond heel wat economische bedrijvigheid plaats. In 1910 werden maar liefst jaarlijks een miljoen ton goederen in het Bassin verwerkt. Het topjaar voor de binnenhaven was 1934, daarna was het gedaan door de aanleg van het Juliana kanaal dat geraad was in 1936 en door de toename van de capaciteit van vrachtschepen. Het Bassin slibde langzaam dicht met als het begin van de historische vaarroute van de Zuid-Willemsvaart. Toen het kanaal naar Luik werd gedempt gingen er stemmen op om ook het Bassin te dempen, maar dat leverde zoveel protesten op in de Maastrichtse gemeenschap dat de gemeente afzag van dat plan en het Bassin werd opgenomen in het herstructureringsplan van het Boschstraatgebied.

Sluis 19 was de toegang vanuit het Bassin tot de Zuid-Willemsvaart. De sluis lag eerst iets noordelijker, maar werd in 1867 op deze plek aangelegd. Als zodanig heeft ze gefunctioneerd tot 1960 en raakte daarna volledig in onbruik. Over de daarvoor liggende ophaalbrug loopt de Fort Willemweg en daarachter zie je Sluis 19 en de toegang tot de Zuid-Willemsvaart. Dat hele traject was dichtgeslibd en erg verontreinigd. Twee jaar geleden is de sluis gerestaureerd en daarmee is ook de historische vaarroute via de Zuid-Willemsvaart van Maastricht naar Vlaanderen in ere hersteld. Deze restauratie was een voorbeeldproject op gebied van stedelijke vernieuwing.

Het kanaal van Luik naar Maastricht werd aangelegd tussen 1847 en 1850. De Belgen wilden na 1839 een kanaal van Luik naar Antwerpen. Dat kon niet anders dan over Maastricht lopen en aansluiten op de Zuid-Willemvaart. Het kanaal werd in 1968 gedempt en liep over het tracee waar nu de Maasboulevard loopt.





Omdat de Belgen dikwijls water aftapten van de Zuid-Willemsvaart om hun kanalen in de Kempen te bevoorraden, werd er een Voedingskanaal aangelegd (dwars door het Bosscherveld) om water vanuit de Maas naar de Zuid Willemsvaart te kunnen brengen. Dat kanaal was dus niet bestemd om erover te varen.



Terug naar het verhalenoverzicht