Vrijdag 18 augustus 1944; Een zomerse dag aan de Maas die dramatisch eindigde

Auteur(s): De heer F. Bastiaans

Het was nog oorlog, maar die zou, zo hoopte men, niet meer zo heel lang duren. De illegale luisteraars van de Engelse radio wisten te vertellen dat Parijs op 1 augustus 1944 weer in geallieerde handen was gekomen. België en Nederland hoopten op een spoedige bevrijding.De Duitse bezetting was men nu ook in Maastricht steeds meer moe. Op vrijdag 10 mei 1940 had men de Duitsers in Maastricht zien aankomen. Bij café 't Pruuske in de Hoogbrugstraat herinnert de tekst op een tegel in de gevel aan het gevecht dat toen in de ochtend plaatsvond. Toen de Maasbruggen waren opgeblazen verschenen kort daarna Duitse militairen op dezelfde plaats waar op 18 augustus 1944 bommen zouden vallen van Amerikaanse vliegtuigen.Vooral in Wyck had men in de jaren tussen 1940 en 1944 veel Duitsers gezien. Via Maastricht reden regelmatig Duitse Sonderfahrt-treinen van en naar het front. De militairen konden dan enkele uren in Maastricht passagieren, vooral in de Stationsstraat en Wycker Brugstraat, om goederen te kopen. Daarvan werd vaak gebruik gemaakt.Meer last en afkeer had men van de Sicherheitspolizei die in gebouwen zat in de Wilhelminasingel en in het Witte Huis, het latere Belastingkantoor, in het Villapark. Gevangengenomen verzetsmensen is daar veel leed aangedaan.De stemming tegen alles wat Duits was was zeer vijandig.Het fraaie zomerweer op vrijdag 18 augustus 1944 verdrong deze sentimenten enigszins. Vissers zaten met hun hengel aan de Maas en kinderen benutten het warme water om er in te zwemmen. De winkels in de stad waren geopend.Het bestaande voedseldistributiesysteem had in Nederland bereikt dat hongersnood niet voorkwam, al was de omvang van het voedselkwantum bescheiden.Terwijl die vrijdag zonnig verliep zou tegen 18.00 uur in het Quartier Amélie, het Krejje Dörrep, en aan de overzijde Roed Dörrep, rond de Franciscus Romanusweg, een dramatische gebeurtenis plaatsvinden…..Omstreeks een minuut vóór het tijdsein van zes uur verscheen plotseling een eskader jachtvliegtuigen uit de richting van Borgharen en Itteren. Het waren Amerikaanse B17-bommenwerpers, ook wel Vliegende Forten genoemd. Ze waren opgestegen in Luik en hun missie was het vernietigen van de spoorbrug in Maastricht. Ooggetuigen vertelden dat het om meerdere formaties ging en, omdat ze zo laag vlogen, waren ze duidelijk zichtbaar voor het blote oog. Kleine stippen verlieten de vliegtuigen - een huilende bommenlast maakte zich zelfstandig. Een oorverdovend geknetter, steekvlammen en zeer zware explosies volgden. De aarde beefde en sidderde. Stukken glas uit ruiten werden zèlf dodelijke projectielen, deuren werden uit hun hengsels geslingerd, mensen gilden, een paard en wagen werden gelanceerd; het arme dier verbrandde levend in zijn tuig. Reusachtige rook- en stofwolken waren het gevolg.
Er was geen luchtalarm gegeven. Weigerden de sirenes of hadden de waarnemers in de toren van het station ze niet zien aankomen? Inderdaad werd er pas alarm gegeven nadat de vliegtuigen een eerste en daarna een tweede bommenlast, van nóg grotere omvang, hadden afgeworpen.De gevolgen waren verschrikkelijk. De spoorbrug werd getroffen, maar niet onherstelbaar beschadigd. Wèl werden de Zinkwit en de ernaast gelegen vloertegelfabriek Rama verwoest. De bommen richtten dood en verderf aan in het Roed Dörrep naast de Zinkwit. Aan de andere kant van de Maas werd het Krejje Dörrep vernield. Hier vielen verreweg de meeste slachtoffers - 65. In Roed Dörrep waren ongeveer 27 mensenlevens te betreuren.Frans Bastiaans, drie dagen eerder 12 jaar geworden, vertelt over zijn ervaringen vanaf het begin van de oorlog:"Wij woonden aan de Fransensingel 38, de tweede straat in het Krejje Dörrep. Ik was bijna acht jaar oud toen de oorlog uitbrak. Sjeng, mijn vader, droeg mij op zijn arm en liet mij de vliegmachientjes zien die aan de Maaskant aan het vechten waren. Duitsers tegen Engelsen. De Duitsers hadden de overhand en daarmee begon de ellende. Al vrij gauw vertrok mijn vader naar Duitsland om daar als dwangarbeider te werken. Dan loop je maar met Mam (Leen) aan een handje overal naar toe. Na een half jaar mocht mijn vader op verlof  komen. Dat zal in 1941 zijn geweest. Hij keerde niet terug naar Duitsland, maar dook onder zoals dat heet. Wij, mijn broer Harie en ik, wisten niet waar hij was. Pa was bij een tante in de buurt ondergedoken, maar dat hoorden wij pas veel later. Wij wisten niet anders dan dat hij in Baden-Baden was. Daarvóór had hij altijd bij de Sphinx in de fabriek gewerkt. Die man heeft altijd gezorgd dat er bij ons geld binnenkwam. Dat had hij natuurlijk al zijn hele leven gedaan, maar óók terwijl hij ondergedoken was werkte hij in een zwarthandelcafé in de Hoenderstraat als kelner. Hij verdiende er behoorlijk goed. Er waren daar Duitsers, handelaren, allerlei soorten mensen. Ondanks het gevaar is hij er elke avond heengegaan. Niemand viel hem lastig. Ik had hem al een half jaar niet meer gezien. In dat café was een klant, Henzels, een dikke 'Hollander'. Die had een aannemersbedrijf en werkte voor de Duitsers in Valkenburg. Henzels zorgde ervoor dat mijn vader niet meer terug hoefde te gaan naar Duitsland. In de tijd dat mijn vader ondergedoken was, werd er elke nacht bij ons op de deur gebonkt. Dan kwam er een gewapende Duitser in gezelschap van een NSBer van een familie die ik heel goed ken. Mijn moeder, broer en ik kregen dan altijd een pak slaag. De vraag "Waar is jullie vader?" konden we niet beantwoorden, want we wisten het niet. Dat was ons geluk. De rest van de oorlog is die situatie zo gebleven. In augustus 1944 werkte Pa dus voor die dikke Hollander in Valkenburg; hij ging dan elke dag met de stoptrein heen en weer en 's vrijdags was hij eerder klaar met werken. Dan was hij om half zes thuis en ging zich omkleden. Hij droeg altijd zwart/witte kleding. Zo ook op die bewuste vrijdag. Ik kon toen nèt zwemmen en van de bolders bij het Voedingskanaal afspringen vond ik geweldig. Tegen de avond ben ik toen terug naar Krejje Dörrep gelopen omdat er nogal wat vliegtuigen in de lucht waren. Dat gebeurde wel vaker, maar ik kan me niet herinneren of ik toen een ingeving had gekregen dat het deze keer anders zou lopen. Ik heb me aangekleed en ben in ieder geval terug naar huis gegaan. In het midden van de zijstraten waren schuilkelders aangebracht. Elke huizenrij had zijn eigen kelder en iedereen had daar ook zijn eigen plek. Mijn ouders zijn in die kelder geweest. Mijn vader had die avond 90.000 gulden thuis in een kalbas, een tas. Door al dat extra werken, met name in dat café, de Trocadero, had hij dat enorme bedrag kunnen opbouwen. Een dröpke kostte toen drie gulden vijftig. Als hij iets mocht drinken op kosten van de klanten, zei hij "Geef maar een dröpke!", maar dan nam hij water. Hij had zijn eigen fles... Toen die vliegtuigen verschenen was hij net terug uit Valkenburg. Bij de schuilkelder rende hij terug naar huis om mijn broer te halen en ook die blauwe, geribbelde kalbas met geld. Hij wou uitgerekend die avond de Trocadero kopen. Ik was er op dat moment dus niet bij, want ik liep aan de andere kant van het Krejje Dörrep langs de Maas na mijn zwempartij bij het Voedingskanaal. Er was wel luchtalarm gegeven, maar te laat…. Mijn vader rende vervolgens met mijn broer èn de geldtas terug naar de kelder. Bij het zien van die vliegtuigen ging ik de schuilkelder aan de noordzijde binnen, dus niet via de ons toegewezen ingang aan de zuidzijde. Mijn tante Lies, die twee straten verderop een kruidenierswinkel had, stond bij haar voordeur met een kalbas in haar hand en zei tegen mij "Ga maar gauw naar binnen, jong, want hier breekt zometeen de hel los!" Ze wees op die naderende vliegtuigen. Tante Lies heeft het niet overleefd….  Nadat ik de kelder was ingegaan,  klauterde ik over een bok, een scheiding in het midden van de trap, zag nog net een vliegtuig een duikvlucht maken en kwam op mijn plek bij mijn moeder terecht. Er was geen verlichting meer, dus de bommen waren al aan het vallen…. Ik zat bij Mam. Toen we even later de schuilkelder verlieten, zagen we de verwoesting om ons heen. Mijn vader was er niet bij; mijn broer Harie ook niet. We zijn toen allemaal langs de Maas naar de schuilkelder van de KNP, de papierfabriek, gelopen. Dáár waren we vaker geweest. Daarna kwamen die verhalen: "Ja, ik heb Sjeng gezien! Die was aan het helpen!" Een ander zei "Ik heb hem opgeraapt!" en weet ik wat niet allemaal. Mijn vader heeft het niet overleefd. Hij en mijn broer hebben het huis nog kunnen verlaten en toen ze bij de zuidelijke ingang van de schuilkelder waren aangekomen, begonnen die bombardementen. Dat weet ik van mijn broer; die kon het wèl navertellen. Harie had een baksteen op zijn rug gekregen die naar beneden was gevallen. Mijn vader was nergens te vinden. Hij bleek achteraf naar de Dominicanerkerk te zijn gebracht. Hij moet zeer zware verwondingen aan borst en buik hebben opgelopen en op slag dood zijn geweest. Dat heb ik weer van zijn broer en zussen gehoord.Toen ik later op weg naar de Dominicanerkerk was, besloot ik terug te keren. Ik wou hem niet meer zien. Enkele spullen van hem die nog gevonden waren lagen inmiddels bij een tante in de buurt.Mijn oma Wagenaar had het bombardement evenmin overleefd.Ik had ook een hond. Die leefde nog en we hebben haar ook naar Tante gebracht, allemaal binnen één uur na het bombardement. De puppies van de hond hebben het niet gehaald. De hond haalde ik zelf uit de puinhopen van ons huis. Daar was niets meer van over. Die vrijdagavond had Pa dus dat café willen kopen in de binnenstad. Mèt dat geld. Zo begon voor ons de ellende. Zes weken later kregen we bericht van de politie dat we die tas konden ophalen. Dát was een feest! Er zaten nog tweehonderd gulden en de twee persoonsbewijzen in  van mijn vader en moeder, al dat nog over was. Dáár ging onze wereld. Niet alleen was mijn vader dood, maar al dat geld dat een andere bestemming had was weg. Nog steeds als ik langs dat café in de Hoenderstraat loop, denk ik "Verdomme nog aan toe. Dat hebben ze van ons gepikt!" Pa werkte in en kort vóór de oorlog in café De Oude Snik, ook in de Hoenderstraat. Die man heeft dat aangedurfd, maar wij hadden wèl elke nacht een Duitser en een NSBer aan de deur - landverraders en we kregen daar dus ook nog slaag van. Op het laatst lieten we zelfs de voordeur open, zodat ze niet meer op de deur hoefden te bonken vanwege de buren. Wij woonden weliswaar in het laatste huis van de straat, maar toch….In de jaren '70 ging ik bij de Amstelbrouwerij in een café werken in de bediening. De uitbater vroeg mij wie ik was. "Ik ben Bastiaans, zoon van Sjeng Bastiaans." "O ja? Die heb ik opgeraapt!" Die man woonde in de buurt want ik kende hem. Hoe hij hier terechtkwam weet ik niet, maar hij heeft mijn vader dus opgeraapt. Die man heeft nooit een baas gehad, maar hij opende wèl een café. Dat was een harde klap. Vermoedelijk was dit de persoon die zich over de inhoud van de kalbas ontfermde…. Na de bevrijding gingen we bij de Sphinx in de schuilkelders slapen. In die tijd kon dat nog. Daarna kregen we een woning aan de Herbenusstraat 111 in Maastricht aangeboden, Mam, mijn broer en ik. Beckers, een Maastrichtenaar wiens ouders aan de Statensingel, achter ons, woonden, wou per sé in het Duitse leger gaan, tot groot ongenoegen van zijn vader en moeder. Hierover was hooglopende ruzie ontstaan. Zeer tegen hun wens in werd hij daar dan tóch piloot. Dat heb ik allemaal van horen zeggen….Ook ná de bevrijding werd er nog iedere avond geschoten boven de straten van Maastricht. Wij liepen dan snel naar de Sphinx.Beckers Junior had inmiddels besloten zijn vader en moeder te vermoorden door eigenhandig een bom op het ouderlijk huis te gooien. Tegenover ons woonde de familie God.We woonden nog maar nèt op ons nieuwe adres. De vorige bewoners waren NSBers geweest. Die hadden ze opgepakt en vastgezet. Twee zoons en een dochter werden toen niet gearresteerd. Een zoon huurde nog de etage boven ons. Wij, als getroffenen, hadden het grootste gedeelte van de woning toegewezen gekregen.Beckers, één straat verderop, liet in de nieuwjaarsnacht van 1944 op '45 vanuit zijn vliegtuig een bom vallen. Het projectiel miste de ouderlijke woning echter, maar de familie God aan de overkant, vijf personen, werd vrijwel geheel weggevaagd….. Enkel Maria God heeft een graf aan de Tongerseweg.De voorgevel van ons huis was door de achtergevel geslagen. Alles was weg. Op dat moment was ik met grampeer (opa) Wagenaar in de schuilkelder van de Sphinx. Omdat het oudejaarsavond was, was mijn broer thuisgebleven met Mam. Die ging iets verzorgen voor het nieuwe jaar. De zoon van de NSBers die er nog woonde deed mee voor de gezelligheid. Bij luchtalarm gingen wij altijd de kelder in. Ik liep dan voorop, daarna kwam mijn broer, dan Mam. Ik was in de nieuwjaarsnacht dus niet thuis. Was dat wèl zo geweest, dan was ik nèt bij de voordeur gekomen en had ik pech gehad. Dan had ik dit niet meer kunnen vertellen. Na middernacht kwamen mensen bij de Sphinx aan de Boschstraat roepen "Familie Wagenaar, familie Wagenaar…..!"Zo heette mijn opa….    Mam van mij was zwaargewond geraakt. Mijn broer was ongedeerd gebleven, maar die is heen en weer gerend en heeft geschreeuwd. Er liepen mensen van de luchtbescherming die riepen dat ze geen hulp konden verlenen omdat ze hun geweren niet mochten neerleggen. Mijn broer is toen naar een school in de Herbenussstraat gesneld, waar de Amerikanen waren ingekwartierd. Dáár was een dokter en die is met hem meegekomen om naar Mam te kijken. Dat heb ik natuurlijk allemaal niet meegekregen omdat ik op dat moment nog in de Sphinx was. Ze hebben haar naar het oude ziekenhuis in de Abtstraat gebracht en een negerdokter heeft haar verzorgd. Toen ik daar later heenging, lagen daar de gewonden in de gangen. Mam was er ook bij. We hebben toen echt gebeden dat ze zou sterven, zó vreselijk zag ze eruit. Ze heeft het uiteindelijk overleefd, maar had op zoveel plaatsen open wonden. Eén been was weg, het andere was danig verminkt. In het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen verbleef ze twee jaar. De chirurgen hebben dat been weer enigszins aan elkaar gekregen met zilveren platen zoals die toen heetten. Ook hebben ze er een stuk uit moeten halen, waardoor Mam tien centimeter kleiner geworden was. Zij kreeg bovendien een nieuw scheenbeen.Daarna kreeg je die jarenlange toestanden van ziekenhuis in en uit. Ondanks haar handicap heeft ze het ons niet nóg moeilijker willen maken. In die twee jaar mocht ik maar één keer met een oom mee naar Nijmegen. Later gingen we terug naar het Krejje Dörrep. Elf woningen waren inmiddels gerestaureerd en we kregen er één van. Naderhand gingen we in de stad wonen. Uiteindelijk is Mam van ouderdom gestorven. Ze werd  84. Ten tijde van het bombardement was ze 34. Mijn vader was 36 toen hij stierf.Beckers, de NSBer die de bom liet vallen, is ergens boven Caberg neergehaald. Een Amerikaanse militair heeft zijn mitrailleur op diens toestel leeggeschoten die nacht. Die vent heeft het dus niet meer kunnen navertellen. Zijn ouders waren er zonder kleerscheuren vanaf gekomen.Ik heb het allemaal van horen zeggen….."


Terug naar het verhalenoverzicht