'Verliefd worden, dat deed je niet'

Auteur(s): Marl Pluijmen
Met medewerking van: Mevrouw Minis-van de Geijn

Dr. W.A.E. (Mien) Minis-van de Geijn

Een b├Ętavrouw die promoveerde was in 1937 een zeldzaamheid. 'Verliefd worden evenzeer. Dat deed je gewoon niet. Dat mocht pas als je afgestudeerd was.' Mien Minis-van de Geijn promoveerde als een van de eerste vrouwen in de paleontologie. Ze blikt terug op haar Leidse studententijd.

Potje

In het gezin van de Geijn was het gebruikelijk om te studeren, ook voor de meisjes. 'Ik had het meisjesgymnasium in Venray bezocht', zegt de 97-jarige doctor. 'Net als mijn zus wilde ik daarna studeren, maar het collegegeld en de kamerhuur waren hoog. Gelukkig had de rectrix van het gymnasium een potje. Daarvan kon ik het eerste jaar een deel van het collegegeld betalen.'

Zeppelin

Als eerstejaars woonde ze in een meisjestehuis in de Pieterskerkchoorsteeg. 'Ik had geluk dat ik de goedkoopste kamer had, helemaal bovenin in het huis. Omdat ik zo hoog zat, kon ik als enige vanuit mijn raam de zeppelin zien die overvloog.' In datzelfde huis kreeg ze ook een bijbaantje. 'Beneden zat een kantoortje, een soort kamerbemiddelingsbureau dat van negen tot vijf open was. Maar veel mensen belden tussen zes en acht uur. Mijn taak was om 's avonds de telefoon op te nemen en te zeggen dat ze de volgende ochtend konden terugbellen.' En dan lachend: 'Ik was een soort van antwoordapparaat.'

Kamernood

'Ik ben heel vaak verhuisd in die tijd. Het collegejaar begon op 3 oktober en eindigde in mei. Het was veel te duur om in de vakantie mijn kamer aan te houden. Daarom zegde ik die in mei op en ging ik weer bij mijn ouders wonen. In oktober vond ik dan weer een nieuwe kamer. Dat was nooit een probleem, kamernood had je toen nog niet. Ik heb op wel acht verschillende plaatsen gewoond.

Boterhammen

Van tijd tot tijd was er weinig geld. Vooral het organiseren van avondeten was dan een probleem. Omdat er op kamers niet gekookt mocht worden en uiteten veel te duur was, kwam het aan op haar eigen vindingrijkheid en de gastvrijheid van anderen. 'Ik raakte bevriend met meisjes uit Den Haag, die in Leiden studeerden', zegt mevrouw Minis. 'Ze wisten niet waar ze hun boterhammen tussen de middag moesten opeten. Dat kon alleen in de stationsrestauratie, maar daar zaten alleen maar kerels. Toen heb ik gezegd dat ze hun boterhammen door de week wel op mijn kamer konden opeten. Hun moeders waren zo blij dat hun dochters tussen de middag 'veilig' waren, dat ik in de weekenden bij hen in Den Haag mocht dineren.'

Tomatensoep

Maar er waren ook andere manieren. Arme mensen kregen destijds voedsel op de bon, waaronder tomatensoep in van die grote literflessen. Die flessen bleven altijd over, omdat niemand er mee over straat durfde, uit schaamte. De arme studenten hadden daar minder moeite mee. 'Voor een prikje konden we die flessen kopen. Ik heb toen heel wat tomatensoep gegeten!'

Juliana

De toenmalige prinses Juliana was destijds ook in de Leidse universiteit te vinden. 'Als je haar op de gang tegenkwam, was ze altijd omringd met veel vriendinnen. Bodyguards waren niet nodig.' Mevrouw Minis had geen moeite met al die jongens. In haar jaar zaten ook altijd wel een paar meisjes. 'Het was anders in die tijd. Verliefd worden, dat deed je gewoon niet. Dat mocht pas als je afgestudeerd was. Je wilde nooit de uitzondering zijn.'

Augustinus

In het derde jaar werd ze practicumassistent. 'Ik kwam altijd pas laat thuis, na zessen. Ik heb het idee dat we veel langere dagen maakten dan studenten nu. Niet een uurtje hier en dan weer een uurtje daar. Wij gingen de hele dag door. Maar misschien leren de studenten nu wel met veel betere methodes, dat weet ik niet.' Ook al maakte ze lange dagen, vrije tijd was er toch. Mevrouw Minis was lid van Augustinus, toen al een gemengde vereniging. Later ging ze ook nog bij de Vereeniging voor Vrouwelijke Studenten in Leiden (VVSL), die later zou opgaan in Minerva.

Haaientanden

Haar promotieonderzoek ging over het tertiair in Nederland, een geologisch tijdperk miljoenen jaren geleden. Bij de uitgraving van het Julianakanaal in Limburg, waren in de jaren twintig talloze haaientanden gevonden. Aan de hand van die haaientanden beschreef ze de verschillende bodemlagen die Nederland miljoenen jaren geleden had gekend. Een zeer specialistisch onderwerp. Op haar zevenentwintigste promoveerde ze. 'Mijn moeder had een japon aan tot aan de tenen. Apentrots was ze.'

Museum

Ze verliet het westen toen ze directeur werd van het Natuurhistorisch museum in Maastricht. Ze trouwde ze met een Maastrichtenaar, en is altijd in Limburg blijven wonen. Nu ze 97 is, woont ze nog steeds zelfstandig, in een prachtig zeventiende-eeuws huisje op een steenworp afstand van haar geliefde museum. Of het bijzondere jubileum nog gevierd gaat worden? 'Jazeker, we gaan lekker uit eten met de hele familie.'

27 november 2007, Marl Pluijmen

Terug naar het verhalenoverzicht