Schuilen achter zware deuren

Auteur(s): Miets Caberg en Mia Paulissen-Huijnen

Miets Caberg (* 9 januari 1926) en Mia Paulissen-Huijnen (* 18 juli 1926) waren op 18 augustus 1944 werkzaam in de Boschstraat. Ze hoorden de vliegtuigen aankomen en schuilden in de Sint Matthiaskerk.

Miets: "Wij werkten op het kantoor van de Radiodistributie in de Boschstraat. Daar kregen we regelmatig berichten door wanneer er vliegtuigen onderweg waren naar Maastricht. Het zal tussen vijf en half zes zijn geweest op die bewuste 18de augustus 1944 toen de directeur tegen ons zei 'ga maar naar huis, want er komen vijandelijke vliegtuigen onze kant uit!' We waren halverwege de Boschstraat toen het luchtalarm afging en zijn toen met zijn tweeën achter de deuren van de Sint Matthijs ingedoken. Het kan ook zo zijn dat wij gelijk vliegtuigen hebben gehoord en daarheen zijn gevlucht. Dat weet ik niet meer exact. We dachten dat ons achter zulke zware deuren niets kon gebeuren. We hebben er een hele tijd staan wachten. We wisten dat het Amerikaanse toestellen waren. Er was namelijk sprake van vijandelijke bommenwerpers en aangezien we nog bezet waren door de Duitsers spraken die natuurlijk van vijandelijke vliegtuigen, al waren die voor ons van vrienden…

Onze directeur was van de verkeerde kant. Hij zat bij de NSB. We hadden nooit last van hem, maar naderhand hebben ze hem óók opgepakt. Mijn broer was met anderen aan het kanoën op de Maas. Ze maakten dat ze aan de kant kwamen en hebben zich daar platgedrukt in het gras.

Hortense Frederix, een meisje van ongeveer 25, woonde bij ons op de Papenweg. Ze had ook vakantie en was met haar verloofde gaan fietsen. Toen ze ter hoogte van de spoorbrug kwamen, vond hij de dood. Zij is nadien nooit meer een relatie aangegaan. Het verlies van die jongen moet haar heel diep hebben geraakt."

Mia: "Ik ging kijken toen de lijkstoet richting de Tongerseweg ging naar de begraafplaats en stond op de hoek met de Elisabeth Strouvenlaan. De stank was afschuwelijk. Dat is het enige dat ik me ervan kan herinneren, die afgrijselijke stank.

Het Hofmeiersplein in het Wittevrouwenveld werd tegelijkertijd met het Krèjje- en het Roetdörrep getroffen. Het broertje van Betsy, een meisje dat ik kende, werd daarbij gedood. Ik ken ook het verhaal van een jongen daar van een jaar of twaalf. Hij ging even terug naar huis om iets op te halen en werd door een scherf dodelijk getroffen. In totaal vielen er acht doden. Ik woonde toen in Heer.

Mijn tante woonde in Eckelrade. Als we naar haar toe gingen liepen we langs het Savelsbos door het veld. Zij had een zaak in koloniale waren en we kregen levensmiddelen van haar. Op de terugweg scheerde een vliegtuig over ons heen. Toen ik bij thuiskomst mijn tas opendeed,  zat er een scherf in. Ik heb geluk gehad….


Terug naar het verhalenoverzicht