Over Jos Hermans, Kunstenaar
Met medewerking van: Jos HermansJos Hermans (* 22 september 1930) is een beeldend kunstenaar uit Nuth. Vele gebouwen en pleinen (onder andere Plein 1992) worden gesierd met zijn werk. Tientallen beelden, fonteinen en monumentale kunstvormen in allerlei materialen staan op zijn naam.
Jos Hermans is een achterneef van de bekende musicoloog en dorpsgenoot Henri Hermans. De kunst trok hem echter meer dan de muziek. Tussen 1948 en 1952 studeerde hij aan de Kunstnijverheidsschool van Maastricht monumentale vormgeving. Van Charles Vos leerde hij er het denken en bouwen in volumes. Jef Scheffers leerde hem niet alleen het schilderen maar bracht hem ook het besef bij dat een kunstenaar - om te kunnen bestaan - zich breed moet ontwikkelen. Van 1952 tot '54 volgde Hermans aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen de lessen beeldhouwkunst, steenbewerking en samenwerken met medestudenten en opdrachtgevers.
Na zijn studie bouwde Jos Hermans in 1954 achter het woonhuis van zijn vader in Nuth een atelier uit de sloopmaterialen van een oud kerkje en vestigde hij zich als zelfstandig beeldhouwer en glazenier. Dankzij de genoten opleidingen was hij in staat om zich op een breed terrein te manifesteren: muurschilderingen, mozaïeken, glasemail, glas-in-lood, glas-in-beton, geëtst glas en beelden in steen, koper, brons, beton en kunststof. Vooral op het gebied van de monumentale kunst was er destijds volop werk dankzij de zogenaamde percentageregeling die bepaalde dat een deel van de bouwsom aan kunst moest worden besteed. De monumentale of architectonisch gebonden kunst nam daardoor tijdens de wederopbouw in de jaren 1945-'65 een grote vlucht. Het betrof tweedimensionale wand- en raam- of glazenierskunst en twee- en driedimensionale reliëf - of beeldhouwkunst in of aan gebouwen; kunst die sterk verweven is met architectuur, maar zelf geen architectuur is. Op dit terrein voelde Jos Hermans zich in zijn element.
Zijn eerste serieuze opdracht ontving hij in 1953 en kwam van het kerkbestuur van Schaesberg-Kakert. Jos studeerde toen nog in Antwerpen. Een jaar later won hij de tweede prijs bij gelegenheid van de in het kader van Honderd Jaar Kromstaf uitgeschreven prijsvraag; het betrof een corpus, uitgevoerd in experessionistische stijl. In 1958 werd zijn talent door de wereldlijke overheid bevestigd toen de Rijksadviescommissie Beeldhouwkunst een gipsen Phoenix aankocht, door hem ingestuurd naar de beeldenshow van de Keukenhof in Lisse. Het Limburgs Dagblad van 17 juli 1958 omschreef de toen 28-jarige Hermans als de coming man onder de Limburgse kunstenaars. Paul Haimon lijfde hem al snel in bij 'de echte Limburgse kunstenaars' en zag in Hermans een waardige opvolger van de grote generatie Limburgers van het interbellum (de zogenaamde Limburgse School, met onder andere Jonas, Nicolas, Eyck en Vos).
In de jaren rond Hermans' start als monumentaal kunstenaar maakte de religieuze markt haar laatste hausse mee. Er was sinds het midden van de jaren '50 wel sprake van een versobering van de kerkinterieurs, ook in Limburg, maar daar stond tegenover dat er nog elk jaar vele nieuwe kerken gebouwd werden vanwege de snel groeiende bevolking. Op het moment van zijn entree op de kunstmarkt, in 1953, werden er in Limburg zelfs meer kerken dan ooit tevoren gebouwd. Jos Hermans wist zich door zijn brede achtergrond, pragmatische instelling en kennis van experimentele technieken, zoals glasemail, glas-in-beton- en geëtst glas, relatief eenvoudig een plaats te verwerven op de weldra krimpende maar tegelijkertijd artistiek vernieuwende markt van Limburgse, kerkelijke kunst. Hij had voordeel van het geleidelijk wegvallen van grote Limburgers als Nicolas, Eyck en Vos en het wegtrekken van jonge talenten naar de randstad.
Hermans voerde tussen 1953 en 1970 in en buiten Limburg enkele tientallen kerkelijke opdrachten uit. In veel opzichten zou men hem een erfgenaam van Charles Eyck kunnen noemen.
Door de inmiddels brede afkeer van de 'roomse prentjeskunst' waren de vooruitzichten voor kerkelijke kunst echter ongunstig. Voor kunstenaars met grote ambitie viel er bovendien nog maar weinig eer te behalen op dit terrein. Kerkelijke kunst wekte nauwelijks nog belangstelling bij kunstcritici en journalisten, zeker in de randstad. Tot 1967, toen de religieuze opdrachtkunst snel inzakte, bleef de kerk zijn belangrijkste werkgever.
De wijze waarop Hermans de traditionele kerkelijke voorstellingen verbeeldde, zou typerend worden voor zijn hele carrière: innovatief, modern, levendig en met grote aandacht voor transparante en gesloten vormen. Zijn deformatie van de katholieke heiligen wekte aanvankelijk bij de censors van het bisdom wel behoorlijk weerstand en leidde tot enkele afkeuringen van zijn ontwerpen. Hermans introduceerde in de jaren vijftig nieuwe, experimentele technieken en een voor de kerkelijke kunst van dat moment gedurfde vormentaal. In het voetspoor van het Tweede Vaticaans Concilie ebde de kritiek van de zijde van het bisdom echter snel weg en werd Hermans een probleemloze kunstenaar, die goed aansloot bij de moderne mentaliteit die in die jaren in het bisdom Roermond heerste. Hermans werd een typische exponent van de expressionistische, kerkelijke kunst van de jaren zestig.
Terug naar het verhalenoverzicht