Oorlog! Het relaas van mevrouw Koenen over haar heugd in de oorlog.

Auteur(s): Mel Koenen
Redactie: Rob Kamps

Op een nacht werden wij gewekt door een zwaar en ononderbroken gebrom. We zagen een lucht vol vliegtuigen; als we er voorheen één hoorden, vlogen we al naar buiten om het wondermachien te volgen.

Een buurman riep: "Ja hoor, mevrouw Koenen, we hebben oorlog!" Even later hoorden we ook luchtgevechten. Dat gaf paniek bij een buurvrouw wier man was gemobiliseerd. De vrouwen en vijf kinderen verstopten ons in paniek op de WC. Wegens plaatsgebrek moesten de huilende kleinste kinderen op de bril staan. Om die reden werd besloten naar de schuilkelder van de buurman te rennen. Een Duitse soldaat die bij de voordeur stond en aan zijn hoofd gewond was, riep: "Biennen bleiben, biennen bleiben [sic]"

Er heerste totale paniek. Een dag of vier, vijf later zagen wij pas de enorme rij tanks en auto's vanaf de Tongerseweg richting stad rijden. Tegelijkertijd kwam een eindeloze rij Belgen met karren en soms met oma op de kruiwagen, vanaf de Cannerweg.

De volgende ochtend vroeg gingen wij naar de schuilkelder van de buren. Op 12 mei was mijn broer jarig, maar dat was iedereen vergeten. 's Nachts lagen wij, drie kinderen, op de divan met mijn moeder als bewaker ervóór op een stoel. Mijn vader was in 's Gravesande gestationeerd en mijn moeder besloot er met ons per taxi heen te gaan. Hij bleek echter al geïnterneerd. We hebben toen enkele weken bij familie in Amsterdam gewoond en gingen daar ook naar school.

Het Brandenburgerplein moest tijdens de bezetting door de bewoners zèlf worden onderhouden. Verplicht wieden, schoffelen en harken, ook voor onze tandarts. Mijn werkende leraar was te oud om nog mee te helpen. Hij was een liefhebber van klassieke muziek; óók tijdens onze lessen sprak hij graag daarover. Tijdens de werkzaamheden deed hij het raam wijd open en trakteerde zijn werkende buren op klassiek pianospel zolang als ze bezig waren. Hij heette ook nog Edelhart!

Ik hoorde van een Duitse soldaat die van zijn meerdere bij een boerderij een varken moest confisqueren om de manschappen een maaltijd te bezorgen. De soldaat kwam met lege handen terug met de mededeling dat het een arme, oude boerin betrof die niets anders meer had. Hij werd niet gefusilleerd, maar kreeg de opdracht de lijken van zijn kameraden te begraven nadat hij ze eerst moest identificeren; een gruwelijk baantje! Na de oorlog werd hij niet gerehabiliteerd, ontving geen pensioen, nee, hij kreeg helemáál geen geld en is in armoede gestorven. Soms is heldhaftigheid, of standvastigheid, ook een zekere weg naar gevangenschap en de dood.

Mensen, in dit geval Nederlanders, die principieel tegen het Hitlerregime waren, werden gevangengezet en later vermoord, vaak voor het vuurpeloton. Dat was volstrekt zinloos geweld waarbij niemand baat had, behalve dan de Duitsers zelf die zich groots in de courant lieten portretteren als afschrikwekkend voorbeeld.

Na de capitulatie werd het beeld van Duitse soldaten op straat een gewoon iets. Ook aan de sirenes die overdag en 's nachts waarschuwden dat we naar de kelder moesten totdat het sein veilig was, raakten we gewend. Het werd zelfs leuk als ze tijdens het algebra afgingen!

Er werden ook veel verordeningen aangeplakt en zelfs spandoeken over de straat gehangen. Aangezien veel mensen stiekem hun V-teken toonden met twee vingers namen de Moffen dat slim over. Ik herinner mij dat op een spandoek stond 'V is Victorie want Duitsland wint voor Europa op alle fronten'. Verder liepen er mensen met een jodenster op hun borst. Die moest op jas of zomerkleding zichtbaar zijn. Een formatie Duitsers marcheerde meestal zingend 'Rosa, Rosa, Rosela, Marie, Marie', etc.

Het zingen van de Russische krijgsgevangenen in de Tapijnkazerne was bij ons op de Jekerweg te horen. Ik kan me niet meer herinneren of de groepen marcherende NSB-ers ook zongen. Wèl weet ik zeker dat ik de kleurencombinatie rood-zwart nooit meer heb gemogen. Veel mensen liepen op dezelfde schoenen als wij. Ze waren voorzien van houten, door mijn vader gemaakte en door mijn moeder geborduurde jute of linnen bovenstukken die er op genageld waren.

In de winter droegen wij kleding van de overgordijnen, in de zomer van lakens. Mijn gehandicapte broertje kon niet op die klompen vooruit. Mijn moeder stond dan huilend voor het raam. De 18de augustus is de verjaardag van mijn zus. Mijn moeder kon behalve koken niet onverdienstelijk bakken en ijs maken. Ze beloofde de dominee, die dat gehoord had, wat ijs te laten brengen. Dat wilde toen nèt niet lukken. Wij waren natuurlijk teleurgesteld, onze schoolvriendinnen ook, mijn moeder nóg meer omdat ze een belofte niet kon waarmaken. Het gevolg was dat mijn zusje die middag in 1944 niet naar het Krèjjedörrep hoefde om het ijs bij de dominee te bezorgen.

Tegen de avond kwamen daar tientallen mensen om het leven bij dat vreselijke vergissingsbombardement. Frappant… Er moest die vijf jaar ook zorgvuldig verduisterd worden. Iedere avond werden met zwart verduisteringspapier alle ramen zorgvuldig dichtgeplakt. Twee of méér buren gingen, of moesten, dan controleren. Vrijwillig of verordonneerd, dat weet ik niet meer.

Het was de bedoeling om de Engelse en Amerikaanse vliegtuigen geen enkel herkenningspunt te geven. Gedurende het eerste oorlogsjaar, ik was toen tien, speelden wij weer in het park tegenover ons huis. Er zaten op het bankje twee Duitse soldaten. Ze spraken ons aan en vroegen hoe we heetten. 'Nel!' 'Ist das ein deutscher Name?' Verder wilden ze weten wat we leuk vonden op school en wat niet. We waren volkomen verbouwereerd. Duitsers, dat waren toch nare en slechte mannen?

Mijn vader was tijdens de oorlog adjudant bij de Marechaussee. Die moest de Duitsers helpen met het zoeken naar een Amerikaanse piloot die met een parachute uit zijn getroffen vliegtuig was gesprongen. Ergens in een korenveld, waar in rijen dwars naar voren gelopen werd, zag mijn vader wat beweging en negeerde het. Hij vertelde dat verhaal thuis. O wee, o wee. Ik vond het zo geweldig dat ik het doorfluisterde naar mijn klasgenootje in dezelfde schoolbank! Een drama zit soms in een klein hoekje! Het vriendinnetje eiste later een mooie vlakgom van mij op straffe van het rondvertellen… Ik weet niet of ze het gedaan zou hebben, maar ik werd toen een stuk wijzer! Onze buurman was NSB-er. Hij stelde één keer voor om een opening te maken in de kelder in het geval een van ons door mogelijk puin daar niet meer naar boven kon.

Nu hadden wij een radio in de kelder waarvoor we naar Radio Oranje konden luisteren. De radio had ingeleverd moeten zijn, maar hij was verstopt in de kelder. De buren moeten dat gehoord hebben, maar ze hebben ons nooit verraden. Na de bevrijding heeft de buurman ongeveer een jaar in de gevangenis gezeten. Waarom hebben wij zijn zwijgen niet tegen de autoriteiten verteld? Hij was immers een 'goeie' NSB-er? Na de bevrijding kregen wij Amerikanen op bezoek. Ze bleven lang en konden na een bepaalde tijd niet meer naar binnen. Ze mochten dus blijven slapen.

Er kwamen ook Nederlandse dwangarbeiders terug uit Duitsland. Die konden niet naar huis omdat 'boven de rivieren' nog bezet gebied was. Ze sliepen dus ook bij ons. Mijn moeder had een groot mededogen. Het gevolg was wèl dat mijn zus en ik soms op een luchtbed in de salon moesten slapen. De gasten hadden geen idee van onze schaarste. We moesten met lede ogen toezien dat de kaas, jam, enzovoort, alles nog op rantsoen, op die manier heel snel verdwenen. De Amerikaanse soldaten belegden hun boterhammen zelfs met vlees en kaas tegelijk…."

Terug naar het verhalenoverzicht