Kantje Boord


Mevrouw die anoniem wil blijven, woonde in augustus 1944 in het Roeddörrep. Zij en haar familieleden overleefden het bombardement ternauwernood.

"Ik heb op de Franciscus Romanusweg nummer 20 gewoond. Bij de buren op de nummers 18 en 21 zijn helaas doden gevallen. Het begon allemaal rond half zes. Ik had nèt bladmuziek gekregen en was piano aan het spelen. Mijn broertje, 15 jaar jonger dan ik, was erbij en vermaakte zich met van alles en nog wat. Ineens begon hij te janken als een hond. Mijn moeder kwam de kamer binnen en zei "Dat keend deit raar; iech vertrow dat neet!" Even later riep ze "Gaw, gaw, gaw. Eederein d'roet! D'r kaome vleegmesjienes euver! Naor de sjuilkelders!"

Dat deden we dus. Mijn bomma (oma) was op dat moment bij ons thuis; ze had haar been gebroken, kon dus niet alleen zijn en woonde boven. Ze kon echter niet mee de kelder in. Mijn vader zei dat hij dan wel bij haar zou blijven, dus wij - mijn moeder, zusje, broertje en ik - zouden naar de schuilkelder gaan. Wij waren echter nog niet eens beneden toen het geweld begon. Door de luchtverplaatsing werden we de trap afgeblazen. Eenmaal beneden bleven we ineengedoken zitten; mensen van in de straat kwamen bij ons binnen, onder andere de familie Jelinger, de kunstschilder en zijn vrouw die daar ook woonden. Het luchtalarm ging pas af nadat alles al gebeurd was. Van te voren was er géén sirene geweest.

Toen we buiten kwamen, zag ik een dood paard liggen. Alles wat van de huizen afgevallen was, pannen, glas, en zo, lag op straat. Aan de Franciscus Romanusweg viel de schade nogal mee, maar de Antoon Bieleveltstraat en alles daarachter lag volledig in puin. Het was vreselijk. We ginfen maar weer terug naar huis. "Veer leve nog, veer leve nog!", riep mijn  vader ons tegemoet. De binnenmuren van ons huis waren ontzet of lagen om. We mochten echter niet meer terug naar binnen. Waarom wisten we niet; mogelijk was er gevaar voor instortingen, maar zo erg beschadigd was het niet want naderhand namen de Amerikanen hun intrek in die leegstaande woningen. Tja, en vind dan maar iemand die je komt helpen om de rotzooi eruit te halen! We zijn niet naar de begrafenis geweest omdat we echt zoekende waren. Waar naartoe in godsnaam? We zijn uiteindelijk bij een tante gegaan die één kamer had en hebben daar een tijdje gezeten. Dat was heel aardig van haar, omdat ze er zelf ook al met hun hun zessen woonden. Ik heb later wel gehoord dat die begrafenis zo vreselijk moet zijn geweest, want de stank van ontbinding was niet te harden, óók het Vrijthof waar die kisten stonden.

Uiteindelijk kregen we een huis in de Lantaarnstraat aangeboden dat van weggelopen NSBers was geweest; daar hebben we een tijd gewoond totdat die man, een brood-NSBer zal ik het maar noemen, terugkeerde en zijn oude woning opeiste. Daar werd niets tegen ondernomen. Die man waren we vroeger wel eens tegengekomen. We moesten dus alwéér iets anders gaan zoeken; de gemeente deed niets voor je. Het huis aan de Franciscus Romanusweg werd  uiteindelijk herbouwd, maar we wilden er niet terug. Mijn zus hield nachtmerries over aan die gebeurtenissen. Het was een vreselijke tijd; er was geen begeleiding of iets van dien aard. De  bevrijding hebben we nauwelijks meegemaakt. We waren al blij dat iemand je met verhuizen hielp. Ongelukkigerwijze werd ons meubiliair en dat van andere mensen opgeslagen in de Hoofdwacht. Dáár zat in de oorlog ook de Jeugdstorm; de naam stond nog op het gebouw. Die mensen waren al vertrokken, maar hebben wèl het een en ander van onze spullen gestolen. Onze piano stond midden op het Vrijthof; daar zat Math Niël op te spelen! Op een bepaald moment heeft een kennis van ons die óók uit zijn woning was gebombardeerd - hij had op nummer 33 een nieuw huis gekregen - het een en ander voor ons een beetje geregeld. "Dat is vaan gebombarderde luij! Trök demet!" Maar ja, er waren toch veel dingen weg.

Het was een beroerde tijd….."

Terug naar het verhalenoverzicht