Jeugdherinneringen van Jean Frèrejean

De oorlogsjaren 1940 – 1945

Auteur(s): De heer Jean Frèrejean

In januari 1940, ik was toen 5, verhuisden we naar de Wycker Grachtstraat 35. Op dat adres hadden mijn ouders een frituur overgenomen.






















Veel plezier hebben ze er in de beginfase niet van gehad want vier maanden later, op 10 mei 1940, vielen de Duitsers ons land binnen en was het oorlog. Alle levensmiddelen werden voortaan gedistribueerd en gingen op de bon. De frituur moest dus al vroeg haar deuren sluiten. De toewijzing van frituurvet was zó gering dat er geen frieten gebakken en verkocht konden worden. De dag dat de Duitsers ons land binnenvielen kan ik mij nog goed herinneren. Op de Hoogbrugstraat, ongeveer ter hoogte van huisnummer 28, hadden Nederlandse militairen een barricade met zandzakken opgeworpen.

Ze schoten met geweren en mitrailleurs op de Duitsers in een poging die te beletten de spoorwegovergang over te steken. Ik spreek over de oude overweg, in die tijd gelegen op de plek waar nu de tunnel onder het spoor doorgaat. In de lucht gonsde het van de vliegtuigen. Niet veel later capituleerden de Nederlandse militairen en reden Duitse vrachtwagens met materialen en soldaten te paard door de Hoogbrugstraat via de Rechtstraat naar de St.Servaasbrug. Daar konden ze niet verder, want de brug was vernield door de Nederlanders. We waren van tevoren gewaarschuwd dat ze zou worden opgeblazen en moesten op onze hoede zijn voor wegspattend puin. Ons werd aangeraden naar de schuilkelder te gaan. Nadat de brug eenmaal was vernield en we uit de schuilkelder kwamen, was het één grote puinhoop in de frituur. Er was geen ruit meer heel in de zaak; de tafel waarop normaal de grote kommen met rolmopsen en bokalen met haringen en augurken stonden, lag tegen de andere kant van het eetlokaal. De vloer lag vol met rolmopsen, haringen, mayonaise en dergelijke. Er werden planken voor de ramen gespijkerd en de schoonmaak kon beginnen. Om ons beter te kunnen beschermen in geval van toekomstige bombardementen, werd in de kelder een muur weggebroken naar de buren op huisnummer 37 en zo ontstond een nieuwe vluchtweg. De eerste dagen van de oorlog waren we vaak bij mijn grootouders, de ouders van Moeder in de Edisonstraat in het Witte Vrouwenveld. Toen we aan de voordeur stonden te kijken naar een grote zeppelin die boven de kerk zweefde, zag ik dat een Duitse soldaat op een motor zichzelf voor de deur doodschoot. Het gebeurde per ongeluk; door het aantrappen van zijn motor ging zijn geweer af dat hij om zijn middel droeg. We zijn toen maar snel naar binnen gevlucht, bang dat we waren voor eventuele represailles van de Duitsers. Gelukkig is het zover nooit gekomen. In dat zelfde jaar moest ik ook naar school omdat ik leerplichtig was. In de Lage Barakkenstraat lagen twee katholieke broederscholen waar moeder diverse keren tevergeefs had geprobeerd mij te plaatsen. Er was voorlopig geen plek voor mij zei men haar steeds.Vader was het sturen van het kastje naar de muur beu en zei, "Ga naar de openbare school in de Pieter Willemsstraat. Daar is plaats genoeg en het is een prima school. Ik ben er zelf ook geweest!" Dus kwam ik op de openbare school terecht. Ik had er een fijne tijd. Het was een school waar alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd waren. Er zaten jongens en meisjes van 'het betere volk', maar ook van het woonwagenkamp dat indertijd gelegen was aan de Heerderweg.

Één keer heb ik geprobeerd te spijbelen, maar dat liep verkeerd af. Ik liep gebukt langs de muur van de school om niet gezien te worden van boven uit de ramen, toen een politieagent me in de kraag greep en terug naar school bracht. Ik heb daarna nooit meer geprobeerd te spijbelen!
 
Ik herinner me ook nog dat ik in de eerste klas les kreeg van juffrouw Schrijnemaekers en in de vierde en vijfde klas van de heer Bollen. Die kon prachtig tekenen. De heer  Bartholomeus was geen makkelijke leraar; hij was erg streng. Eens kreeg hij ruzie met een leerling die hem een inktpot, vanuit de schoolbank, naar zijn hoofd wierp!
 
Hoofd van de school was de heer Gemmeke van wie mijn vader ook nog les gehad had. Later, bij de bevrijding van Maastricht op 14 september 1944, zou hij nog voorop een Amerikaanse tank zitten toen het Maastrichtse volk de Amerikaanse bevrijders toejuichte. In 1943 moesten we vaak van schoolgebouw veranderen omdat de Duitsers zich steeds de gebouwen toeëigenden. De gebouwen waar we verder onderricht kregen en die we steeds weer moesten verlaten, lagen op de Hunnenweg (mijn vroegere kleuterschool), de Rechtstraat, een ruimte van Maussen, het grote winkelbedrijf in de Wijkerbrugstraat, en in een school aan de Spilstraat waar momenteel  de ingang ligt naar het winkelcentrum tussen die straat en Helmstraat, de voormalige Entre Deux. Tijdens de oorlog werden er distributiekaarten uitgereikt, bestaande uit allerlei soorten bonnen waarmee men op bepaalde dagen levensmiddelen, kleren, schoenen, enzovoort, kon kopen als die voorradig waren. Moeder ging daarom vaak naar Heugem of Gronsveld bij de boeren om groente en fruit te kopen omdat in de winkels vaak niet veel te krijgen was. Toen ik mijn eerste Heilige Communie deed, op 4 juni 1942, was mijn communiepakje gemaakt uit een oude jas, want nergens was er iets te vinden. Voor de wintermaanden moest ook gezorgd worden want ook kolen voor het stoken van het fornuis was op de bon. Daarom werd er met een vrachtwagen sjlaam (een overblijfsel van kolen na het wassen in de mijn) gebracht en op de stoep voor het keldergat gedeponeerd nadat deze eerst met spien, houtschaafsel, was afgedekt. Om met de feestdagen wat extra's te hebben werden er op het plat boven de veranda een paar konijnen vetgemest, maar als de tijd was aangebroken dat ze werden geslacht en gebraden wou niemand behalve mijn vader er iets van eten. In het algemeen hadden wij, in tegenstelling met veel andere gezinnen, goed te eten. Vader moest verplicht in Duitsland werken; hij was alleen in het weekend thuis, maar smokkelde etenswaar en andere spullen mee de grens over die bij ons niet te krijgen waren. Ook smokkelde hij waar vanuit Nederland naar Duitsland. Het was wel erg gevaarlijk want aan de grens in Vaals werd streng gecontroleerd. De grensarbeiders moesten in de rij gaan staan en dan werd er afgeteld wie er gecontroleerd zou worden, maar steeds weer heeft vader veel geluk gehad dat hij er niet bij zat. De ene keer ging hij met stoffen om zijn middel de grens over naar Duitsland en dan weer met Summois, Belgische tabak, om die te ruilen tegen andere waar.In juli of augustus 1944 is hij nog met een kennis (geen van beiden had een paspoort), naar La Louvière in België gereisd om zijn zieke broer Wilhelmus (mijn Noonk Wum) te bezoeken die in september van hetzelfde jaar stierf. Pa zat tussen de Duitse soldaten in de trein en is er wonderwel zonder kleerscheuren vanaf gekomen.
September 1944, na de bevrijdingVlak na de bevrijding lagen de Amerikaanse soldaten overal verspreid, ook in de Wilhelminasingel, waar toen twee rijwegen werden gescheiden door een middenstrook met veel bomen. Daartussen was hun tentenkamp opgeslagen. Ook het hotel Victoria op de hoek Wijker Brugstraat - Wijker Grachtstraat werd 'bezet' door de Amerikanen, nadat er voorheen de Duitsers hadden gehuisd. Een Amerikaanse soldaat liet er bij binnenkomst het leven toen deze de klep van de piano wilde openen en een bom ontplofte die de Duitsers er in verstopt hadden. In dat hotel ruilde ik dan zilveren muntstukjes van vóór de oorlog met de opdruk van koningin Wilhelmina voor echte Amerikaanse sigaretten. Die gaf ik aan mijn vader. Moeder deed toen voor twee Amerikaanse soldaten de was, in ruil voor stangen zeep en echt wittebrood. Vaak zat er ook een rantsoenpakket bij gevuld met kauwgom, chocolade, sigaretten, enzovoort.Ook mocht er weer carnaval worden gevierd. In de stad was het afgeladen vol; men kon over de hoofden lopen. Zelf wilde ik dit ook wel eens zien, maar ik moest op Breur, mijn broertje, passen. Daarom bond ik een touw om zijn middel en het andere eind om mijn eigen middel zodat ik hem niet kon verliezen. Zó zijn wij beiden de carnaval gaan bekijken. Of dit voorval bij mijn ouders in goede aarde is gevallen heb ik toen nooit goed begrepen omdat zij dit altijd goedlachs aan iedereen vertelden. Een reprimande hiervoor kan ik mij niet meer herinneren.


De verhalen:


Terug naar het verhalenoverzicht