Het Verhaal van Zwarte Vrijdag

Auteur(s): Mevrouw Willems-Timmermans

Mevrouw Willems-Timmermans (* 28 juli 1930) vertelt over die zwarte vrijdag 18 augustus 1944 toen op haar woonwijk Krèjjedörrep bij de KNP de bommen vielen. Zij verloor daarbij haar nichtje Truus. 

"Ik werd geboren in de Boschstraat in juli 1930. Later ben ik met mijn ouders naar het Krèjjedörrep verhuisd. Opa en oma woonden bij ons in. Opa werkte bij de Sphinx. Die fabriek had ook de huizen in het Krèjjedörrep gebouwd voor het eigen personeel. Later bouwde de KNP er nog eens acht of tien bij aan de Fransensingel. Ik weet het nog goed… wij woonden op nummer 19, de eerste straat bij de brug. De huizen werden verwoest bij het bombardement, ook dat van ons. De papierfabriek bouwde na de oorlog weer tien nieuwe woningen. Wij waren intussen tijdelijk naar Blauw Dorp verhuisd - hebben eigenlijk overal zo'n beetje rondgezworven voordat we een geschikte woning vonden. Een gezin uit Krèjjedörrep dat ik nog kende van vroeger wou daar weg en wij hebben toen van woning geruild. In 1944 werden alle woningen vernield, maar de KNP-gebouwen bleven overeind…. In dat jaar werd ook mijn broer geboren.

De KNP stelde in die tijd niet veel voor. Het was een klein bedrijf. Toen men in de jaren '50 ging uitbreiden hebben ze al die recente woningen weer afgebroken. 

Truus Gaemers was mijn nichtje. Ik was toen 14 en zij was een paar jaar ouder. Ze was buiten toen de bommen vielen, diep onder de indruk van het geweld dat zich voor haar ogen afspeelde. Ze riep op de buurvrouw 'K om es kieke, wie sjoen!' Die riep terug 'Kom naor binne!' Ze werd door de luchtverplaatsing vervolgens de Maas ingeslingerd en niet meer teruggevonden.

We hadden wel vaker een luchtalarm meegemaakt. Dan renden we naar de schuilkelder op het KNP-terrein. De portier liet ons niet binnen. Wij moesten dan een stuk over de weg lopen naar de papierfabriek om bij de kelder te komen. Als we maar lang genoeg klopten deed ie de deur wél open.

Wij konden van bij ons uit 's avonds het station zien. In de toren brandde een lampje. Als dat uitging kwam er een luchtalarm en gingen we naar de schuilkelder. We moesten heel vaak het huis verlaten wanneer schepen op de Maas gebombardeerd werden en door de luchtdruk dan dit, dan dat weer ontzet was. Dat werd dan opgeknapt en konden we terug. Ze hebben de spoorbrug nooit goed kunnen raken…..

Het leven in Krèjjedörrep was fantastisch. Het telde 65 woningen. Er waren ook 65 doden en vermisten. Dat wil niet zeggen dat er in elk huis een dode was gevallen. Complete gezinnen werden vermist en ook nooit meer teruggevonden. De zwaar verminkte lichamen en lichaamsdelen lagen her en der verspreid en werden nadien met kar en paard opgehaald. De lucht van ontbinding was niet te harden.

Er was wel eens ruzie in het dorp maar toch hielp iedereen elkaar. Dan is zo'n gebeurtenis intens triest. Mijn vader was van de socialisten, maar in de wijk woonde van alles samen. Hij was ook altijd een heel sociaal mens. Ik weet dat hij op de dag van het bombardement aan de overkant van de brug lag. Hij fietste regelmatig naar een boer in Eijsden om daar appels te halen die hij later in het dorp verdeelde."

Terug naar het verhalenoverzicht