Het Verhaal van Mevrouw Lisa Theunissen Morreau

Auteur(s): Lisa Theunissen-Morreau

Mevrouw Theunissen vertelt onder andere over het bombardement van november 1941 op Blauw Dorp. Zij woonde er als kind in de Begoniastraat 37.

"Mijn vader was bij de luchtbescherming en reed met de ambulance. Op de dag dat het Krèjjedörrep gebombardeerd werd, ben ik beschoten door een vliegtuig. Ik was 12 en stond in de rij bij de winkel van de twee Duitse zussen Winter in Blauw Dorp om er suiker te kopen. Wij hadden thuis kleine kinderen, dus suiker was heel erg belangrijk. Toen ging het luchtalarm en met mijn kinderlijke verstand dacht ik 'Al die mensen lopen weg; die gaan naar de schuilkelder. Ik blijf staan, dan ben ik de eerste!' En wat deden die Duitsers? Ze deden de luiken naar beneden… Ik sloeg op de deur en zei 'Laat me naar binnen! Laat me naar binnen!' Ik wou ook schuilen. Ze lieten me gewoon buiten staan! Ik ben toen naar huis gevlucht en ineens….ik draaide me om en zag iets zwarts… het Krèjjedörrep was gebombardeerd. Ik zette het op een lopen… een vliegtuig scheerde over de huizen en begon op mij te schieten! Ik weet nog steeds niet waarom. De piloot had toch moeten zien dat ik een kind was; ik was immers een bewegend object. De kogels vlogen langs me heen en sloegen in muren. Ik ben een huis binnengevlucht en dacht dat ik een kelder inging, maar het was een muurkast, een spin zoals ze die vroeger noemden. Ik sloeg met mijn hoofd tegen de muur en hield er een blauw oog aan over...

Mijn vader heeft in het Krèjjedörrep meegeholpen om de resten van lichamen bijeen te zoeken. Die man is op een bepaald moment door de knieën gegaan. Emotioneel waren die werkzaamheden natuurlijk een verschrikking. Het ging goed tot op het moment dat hij een kinderhandje vond, een heel klein handje met een zilveren ringetje en daarin een lieveheersbeestje. We hadden thuis ook een klein kind en dat droeg ook zo'n zilveren ringetje. De aanblik van het handje werd teveel voor mijn vader; hij ging eronder door omdat hij daarin zijn eigen kind zag. Dat is mij altijd bijgebleven. En dan de begrafenis van al die mensen… Ik ben in de Dominicanerkerk geweest waar ze waren opgebaard…Ik was erbij toen ze begraven werden en ook dat vond ik zeer emotioneel. Het was een moment in mijn leven dat ik nooit zal vergeten. Ik zie die rotzakken nog voorop rijden terwijl hen gevraagd was weg te blijven. Ze brachten ook nog de Hitlergroet. Ik weet nog dat wij allemaal een theedoek hadden voorgebonden. De stank van ontbinding was vreselijk, maar ik moest erheen, moest dat zien...

Nadat in 1941 die bom op de Gildenweg was gevallen stond ik te kijken hoe ze het puin ruimden. Ineens hoorden die mannen een baby huilen die onder een tafel vastzat. De hele familie van dat kind was misschien wel dood. Op het moment dat die bom viel zaten wij in de kazemat. Toen we bovenkwamen hing er niets meer aan de muren; alles was verbrand en naar beneden gevallen.

De bewondering die ik nu heb voor de Maastrichtenaren van toen kan ik moeilijk onder woorden brengen. Op het moment dat die rotzakken de Hitlergroet brachten zwegen ze en stonden daar fier als één man. Dat heb ik altijd grandioos gevonden, zo van 'we laten ons er door jullie niet onder krijgen!' De Duitsers moeten zoiets hebben gehad van 'jullie willen niet dat we komen maar wij doen het toch!'

Ik heb één keer een Duitse soldaat meegemaakt die zijn gevoelens liet blijken - iets dat mijzelf ook raakte. Hij zei dat hij acht kinderen had. In de oorlog hadden wij er zelf vijf. Die kregen dysenterie. Er werd een dokter bijgehaald. Die zei dat hij niets voor hen kon doen. Wat die kinderen nodig hadden was vers goed. We moesten appels zien te krijgen om er appelmoes van te maken, maar hoe kom je in de oorlog aan appels? Dat kon je je niet voorstellen. 's Avonds had je spertijd. Mam zei "weet je wat we doen? Daar en daar is een boerderij. Een kind wekt medelijden. Ik hou je in de gaten!" Ik kwam aan bij die boerderij, er kwam een soldaat naar buiten met geweer en bajonet voorop die hij op mij richtte. Kun je je  voorstellen? Wat had ik kunnen doen? Totaal niets. Hij vroeg wat ik kwam doen en of ik niet wist dat het spertijd was. Mijn moeder verscheen en heeft hem dat uitgelegd. Tot onze verbazing ging hij staan, toen weer zitten met zijn geweer in de hand en begon te huilen. Hij zei dat hij hier was omdat hij hier moest zijn, dat hij in Dresden vrouw en kinderen had van wie hij al zoveel jaar niets van had gehoord. Die stad was toen al platgebombardeerd….Hij liet zien dat hij een mens was. Ik kreeg mijn zak met appels en de kinderen hebben het gered! Ik weet verder niet wat er met die man gebeurd is. Hij was zo jong niet meer. Vermoedelijk werd hij later in de oorlog opgeroepen toen ook kinderen in het leger moesten. De geweren waren vaak langer dan zij zelf!Ik hoop dat ik dit nooit meer van mijn leven mag meemaken, want het wordt mij soms slecht. De luxe groeit de mensen nu boven het hoofd; ze zijn nooit tevreden. Waar is men tegenwoordig nog blij mee? Ze hebben alles, computers, auto's, fietsen, huizen en reizen de wereld rond. Kinderen van vijf vertellen je dat ze in Egypte zijn geweest. Ik was al blij toen ik op die leeftijd mee de Bemelerberg op mocht. We leven niet in een prettige tijd."


Terug naar het verhalenoverzicht