Het Verhaal van Franciscus Nelissen
Met medewerking van: Franciscus NelissenFrans Nelissen (* 17 april 1933) woonde in zijn jeugd aan de Tweebergerpoort. Ten tijde van het bombardement op het Krèjje- en het Roeddörrep van 18 augustus 1944 trok hij met zijn vriendjes naar het Sportfondsenbad.
"Het was in augustus en het was die dag snikheet. Ik woonde met mijn ouwelui aan de Tweebergerpoort boven het café De Poort van Jantje Drugman. Ik zal nooit vergeten dat Pap met zijn zwager ging vissen bij [de speeltuin] Köbbes. Mijn vader kon niet goed horen. Mam bleef thuis en ik ging naar het Sportfondsenbad met mijn vrienden. Ze drukte mij op het hart om daar vooral mijn nek goed te wassen, anders zou ik e krenske [een kraag] krijgen! Eenmaal in het Sportfondsenbad ging op een gegeven ogenblik het luchtalarm en ik zag boven mijn hoofd vliegmachines naderen; ze schitterden in de zon en waren aanvankelijk niet groter dan een bril. Toen riep de witte Stablinski, de badmeester, dat iedereen de kelder in moest. Die man heb ik jaren later nog eens in het zwembad op de Dousberg gezien. Hij is inmiddels overleden.
Daar zaten we dan allemaal tussen die waterpijpen in. Voor hetzelfde geld waren die gesprongen en waren we daar allemaal verdronken, maar dat gebeurde niet. Ik heb wèl nog de stukken pleisterkalk in het zwembad zien vallen; er kwam van alles naar beneden. We hebben een dik uur in die kelder gezeten.
Jongens en meisjes zwommen nog gescheiden. Zo ging dat toen. Iedereen in het binnen- en buitenbad moest naar beneden. En wie kwam daar binnen met een gescheurde bloes? Mien mam! Die ging voor niemand opzij, ook niet voor Duitsers. Zij was een echte Maastrichtse. Ze moest en zou haar zoon zien! Daar stond ze dan. Haar kind was veilig. Wat er daarna gebeurde weet ik niet. Ik weet nog wel dat er een hoop gedoe was. De kwellende vraag was 'Waar blijft Pap?'
Intussen was de Dominicanerkerk al ingericht voor het opvangen van de doden. We gingen erheen. Het stonk er dat het hartstikke dood viel! De hele buurt stonk en dat was nóg erger geworden toen die mensen een paar dagen later begraven werden. De frisdrankenleverancier Beiten had zijn karren met paarden uitgeleend voor het transport van de kisten naar de Tongerseweg. Mijn moeder en ik stonden bij de poort van het voormalige Jezuïtenklooster tegenover de Abtstraat te kijken. De kisten lagen op de karren gestapeld….
En Pap? Menier kwam 's avonds om acht uur thuis. Hij had niets gezien en door zijn doofheid ook niets gehoord. Geen vliegtuigen, geen commotie, niets! Hij kwam met 'n poorsie paolinge en rutse naar huis, want daar aten we allemaal van.
Bij mij in de klas aan de Rijks Lagere School aan de Grote Gracht zat ene Pietje van de Berg. Zijn vader was 'nne Hollender en werkte daar als concièrge. Die Pietje was een echte Bell.
Toen de Amerikanen binnenkwamen vroeg Pap of ik bij hen een sigaret wou vragen. Ik was niet zo iemand die bedelde, maar enfin, ik kreeg toch een sigaret voor hem. Pietje was een echte smeerlap. Als de school uitliep gingen we met de meisjes van Beiten en de kolenboer Gerritsen de Werken in. En waarom niet? De vaders van die meiden hebben ons vaak genoeg achterna gezeten!
In de Aloysiusschool had je de klassen één tot en met vier; op Hoogfrankrijk de klassen vijf en zes. Om daar de te komen moest je door de Beyart lopen. Tegenover de Aloysiusschool was een winkeltje; je kon er altijd rollen film kopen over de Dikke en de Dunne, Rintintin en zo meer. We kochten een stuk film en weg waren we! Pietje had zwegele bij zich. Op een gegeven moment kwam de kolenboer Gerritsen zijn dochter zoeken en zat ons achterna.
Pietje stak die film in brand en wij ervandoor! Hij had ook wel eens een doos nevelpoeder bij zich die hij van de Amerikanen pikte. Hij gooide de inhoud op de brandende film en dan zagen we geen hand meer voor ogen. Dat soort dingen deden we vroeger!
Toen de Amerikanen met hun grote opleggers de stad binnenreden, zagen we de eerste zwarte mensen. Ze stonden in hun jeeps onderaan de Kommel. De Limburger Koerier meende toen een leuk idee te hebben bedacht om die jongens te verwelkomen en schreef 'Goodbye, guys!' in plaats van 'Hello boys!' We stonden dus de hele dag 'Goodbye Boys!' te roepen, waardoor wij wellicht bij hen de indruk wekten dat we vonden dat ze moesten opsodemieteren!
In 1940 heb ik de Duitsers zien binnenkomen; ze stonden bij het postkantoor aan het Vrijthof en ik zag ze ook teruggaan. Wij stonden onder in de bierkelder. Ze kwamen te voet door de Tweebergerpoort, voorafgegaan door een groot Belgisch paard met een enorme kont en gevolgd door een kinderwagen. Een Duits soldaat liep op een vrouw af en vroeg of ze Kartoffeln had. Ik zal het niet vergeten! Er viel niets te kartoffelen want we hadden zelf niets! Hij had een gitaar bij zich en legde die neer. Wel tien natuurkundeboeken haalde hij tevoorschijn en bood die aan in ruil voor aardappelen.
Een levensgrote Tiger-tank reed vanaf de Brusselsestraat de Grote Gracht af tegen het verkeer in. Alles wat bewoog raakte in de knoop. Er was een hoop geschreeuw en wij baden het Onze Vader….
Na de bevrijding ging nog regelmatig het luchtalarm toen Aken werd gebombardeerd. Wij doken dan bij Bertha van Haarlem de kelder in. Zij miste een borst. Wat ze in die tijd voor prothesen gebruikte weet ik niet, maar wèl dat Pap er ooit eens over uitgegleden is. Hij vroeg toen wat daar op de trap lag en Bertha antwoordde 'dat is van mij!'
Een jonge bruinhemd heeft me ooit ook nog een riem proberen af te nemen. Mijn moeder stond aan het raam en zag het gebeuren. Nou, dat menneke heeft het geweten! Ze was gelijk klaar met hem. Ze vroeg er niet naar. Het was een goed mens maar je moest geen ruzie met haar krijgen!
We hebben nog wel na het bombardement in het Roeddörrep naar kolen gezocht, maar werden er weggejaagd. Met Mam ging ik vaak de boer op om eten te halen in de winter. De weggetjes waren toen één grote modderbrij. Pap ging altijd vissen. Hoe hij dat deed weet ik niet, maar hij kwam altijd wel met een vis naar huis."
Terug naar het verhalenoverzicht