Het verhaal van Drie Koningen
Auteur(s): W PietersRedactie: Rob Kamps
Een bank op het Wèlke vlak bij de oude Maasbrug was destijds de hangplek van de stadstypes de Drei Sjoenste; Pie de Bökkem, Ensinck de Kletskop en Flup de Koojstart. Over de drie is vrij weinig bekend. Flup de Koojstart was veedrijver bij het slachthuis. Hij had de gewoonte om aan de staart van koeien te draaien die niet wilden lopen. Ensinck de Kletskop is ongetwijfeld kaal geweest. Pie de Bökkem was een vrij grote man. Hij shockeerde voorbijgangers door zich af en toe bij heet weer in het kanaal te laten vallen. Hij zwom vervolgens rustig naar de kant waar hij, inmiddels lekker afgekoeld, zijn hemd droogde over de balustrade. Vandaar misschien de bijnaam; de haring. Of hij die te danken had aan zijn zwemkunsten of aan zijn lichaamsgeur is evenmin bekend.
"Het was op een koude derde Kerstdag dat Flup de Koojstart, op weg naar de Markt, Pie de Bökkem ontmoette die net als hij eens ging kijken of daar niets te verdienen viel. Ze hadden elkaar nauwelijks geschoten of ze begonnen zich al te vreigelen. "Ha Pie, een goed weertje om je een bokking te geven* , hè!" "Ja, beter dan een koeiestaart die…", maar verder kwam hij niet want ineens had hij Ensinck de Kletskop geschoten die uit een zijstraat kwam en al van verre riep "Die er nu een had, hè! "Schei uit!", zei Flup, "Al was het maar een klein bakje!" En zo trokken drie zielen met één gedachte naar de Markt om te proberen of ze geen gave bak koffie konden verdienen. Dat zou hen vandaag wel lukken, want na twee zondagen viel aan de burgerlijke stand altijd wel wat extra's te verdienen met het aangeven van kindjes.
In het begin van de vorige eeuw had men bij de aangifte van een geboorte twee getuigen nodig die dan het register méé ondertekenden. Niet iedereen had echter altijd twee getuigen bij de hand, temeer daar de burgerlijke stand alleen maar open was terwijl de meeste mensen aan het werk waren. Geen nood, men toog gewoon naar de Markt en bij het hek van het stadhuis vond men altijd wel een paar mensen die tegen een vergoeding van een kop koffie of een eelske voor getuigen speelden. Aangezien de meesten van hen hun naam niet konden schrijven, zetten ze gewoon een kruisje. Het kon hen eigenlijk niet schelen.
Met de gedachte aan een bak koffie was het drietal ondanks de kou vroeg op weg naar de Markt om ook zo vroeg mogelijk met hun werk klaar te zijn. Nauwelijks was de klok van negen koud, of ze stonden bij de ingang van de burgerlijke stand. Ze hadden geluk; het was ongelofelijk hoeveel kerstkindjes er dat jaar geboren waren. Voordat het twaalf uur was, hadden ze elk voor bijna een halve liter koffie bijeen.
Ze waren nèt van plan om naar de Witte te gaan om de bloemetjes eens buiten te zetten, toen Flup ineens Pie aanstootte en zei: "Kijk nou eens, wat komt daar voor een rare Chinees aangelopen? Het lijkt die Belg wel! Wat moet die nou hier? Zou hij zijn ezeltje soms…? Kom, laten we maken dat we wegkomen, want aan die vent is toch niets te verdienen!" Er was echter geen ontkomen meer aan, want het boertje kwam recht op het drietal af en vroeg of ze mee wilden gaan om zijn zoontje aan tegeven.
Op de vraag hoe hij daaraan kwam, begon het boertje, die men normaal gesproken de woorden uit de mond moest trekken, te vertellen hoe hij een extra grote hoeveelheid eikels, dennengroen en huls bijeengezocht had met het oog op Kerstmis en daarmee met zijn vrouw naar de Markt in Maastricht gekomen was. Ze had zich al niet lekker gevoeld, maar het ging nou eenmaal niet anders, want niet gaan dat ging niet. Ze hadden het geld hard nodig en hijzelf kon totaal niet rekenen, dus waren beide op de kar gaan zitten en naar Maastricht gekomen. Alles was goed gegaan, al moest zij, eenmaal op de Markt, een paar keer gaan zitten. Totdat ze naar huis gingen.
Bij Boschpoort aangekomen, konden ze niet verder en was hij met zijn ezeltje de kazematten ingereden. Ze hadden daar wel vaker geslapen, en daar was nu hun zoon geboren. Of nu twee van de drie wilden getuigen bij de aangifte. Er ging iets eigenaardigs uit van het boertje, alleen al het feit dat hij in vijf minuten tijd méér verteld had dan in de tien jaar sinds ze hem kenden. Uiteindelijk gingen ze alledrie met hem mee.
Wat hen eigenlijk ineens overkwam wisten ze zelf niet. Feit was dat een ceremonie die ze al duizend keer hadden meegemaakt, hen nu totaal anders in oren klonk en dat ze in andere gevallen na afloop over niets anders dachten dan 'zou het een halve of een hele bak koffie worden?' Nu, met het geld op zak voor wel een halve liter, was hun enige wens het kindje eens te zien. Alsof het boertje hun gedachten kon lezen, ging hij zonder iets te zeggen met hen de Boschstraat af, richting kazematten, zoals ze wel vaker hadden gedaan.
Ze waren zo mak als lammetjes, zij die het nog nooit tegen een marktwijf hadden afgelegd, hadden nu niks meer te missen. Ja, zelfs met hun handen wisten ze zich geen raad, totdat Flup opeens in zijn broekzak graaide en het moedertje iets in haar hand stopte voor het kindje. Ook Ensinck en Pie graaiden eens goed in hun binnenzak. Zoiets aandoenlijks kon men toch zó niet achterlaten. Stilletjes zijn ze toen huiswaarts gegaan. En in hun binnenste brandde iets. Het was daar zo lekker warm, alsof ze de lekkerste jonge klare hadden gekregen die ze van hun leven hadden geproefd." * Iemand een scherp verwijt maken
Terug naar het verhalenoverzicht