Het spook in de Heksenhoek en andere herinneringen
Auteur(s): Verteller wenst anoniem te blijven
De opa van Ina woonde in een hoekhuis in het Heksenkwartier. Hij had er een meubelmakerij. Boven was de keuken met het woonhuis. Achter de winkel bevond zich de werkplaats, waar al het hout was opgeslagen. Als kind speelde zij altijd bij opa tussen de meubels-in-aanbouw. Bijna niemand had er een kelder vanwege het overstromingsgevaar van de Jeker, hoewel die inmiddels al zestig jaar uit de Looiersstraat verbannen was. Het pand waar het verhaal zich afspeelt, niet ver van de Bisschopsmolen, is ook verleden tijd. Om bij de molen te komen moest je onder het poortje door. Links was er een timmermanswoning en daarnaast lag het atelier van haar vader. In het aangrenzende klooster woonden de zusters. De familie woonde destijds in de Begijnenstraat, niet ver van de ingang van de Molenhof. Het was weliswaar een heel klein huisje, maar het was er heel gezellig. Men keek uit op de achterkant van het nonnenklooster. De ramen hadden er tralies…Ina werd in 1943 in het Heksenkwartier geboren. "Toen de 'aw brök' sprong, bevond mijn vader zich met mij op de arm niet ver daarvandaan. Ik was een paar maanden oud. Mijn moeder heb ik altijd horen zeggen dat toen een grote steen vlak bij ons neerkwam". Het gezin verhuisde nadien een jaartje naar het Wittevrouwenveld om vervolgens terug te keren naar het Heksenkwartier, de vertrouwde buurt. In 1958 werkte Ina als vijftienjarige in het kantoor van haar opa in de Sint Pieterstraat. Ze verdiende niet zoveel in die tijd - twaalf en een halve gulden per week. 's Avonds ging zij in het atelier van haar vader om wat hout te schuren. "Hij werkte daar tot vijf uur, we aten dan thuis eerst en daarna ging ik naar het atelier tot een uur of zeven. Ik was daar helemaal alleen in een grote ruimte en hoorde vaak voetstappen boven - het gekraak ervan. Het was een heel groot huis. Links had je een lange kamer. Daar was de houtopslag, werd het gezaagd, enzovoorts. Rechts had je óók een lang vertrek. Daar werd het hout tot in detail bewerkt. Een trap naar boven gaf toegang tot een grote zaal waar geschilderd werd omdat er veel daglicht binnenkwam. Liep je door naar achteren, dan kwam je op een binnenplaats, "unne groete steiweg". Hier werd het hout onder andere in de vernis gezet. Dat was allemaal handwerk vroeger"."Ik stond dan beneden te schuren en hoorde de planken boven kraken alsof ik voetstappen hoorde. Ik was vaak bang en mijn vader zei dan "Ach kind. Dat is niks!", weet je wel. Ik heb dat vaker gehoord. Hij kwam mij wel altijd ophalen, of kwam tussendoor eens kijken. Later, toen ik dat werk niet meer deed, heeft hij ons eens verteld dat het er spookte. Wij geloofden dat niet. "Jawel", zei hij dan, want de handwerkslieden die bij hem werkten hadden die geluiden zelf al vaker gehoord. Hijzelf natuurlijk ook. Op een avond hebben ze boven waar het kraakte met een ouderwetse zeef zaagsel gestrooid. 's Morgens gingen ze kijken en zagen dan allemaal voetstappen in dat zaagsel terwijl er niemand geweest was. Echt waar!
Als je de trap op kwam had je rechts een gang naar het schildersatelier en daar waren dus ook die voetstappen. Alleen daarboven. Het is echt vaker gebeurd! Niemand bleef er 's nachts om eens poolshoogte te nemen, want mijn vader werkte overdag van acht tot twaalf en van een tot vijf. Het was een hard bestaan. Die mensen vonden dat ook niet erg. 's Nachts was er dus niemand in het atelier. Het was een goed spook, werd er gezegd. Heel raar, maar wel waar. Je hoorde het kraken van de vloer, stap voor stap. Ik was er op een gegeven moment ook niet meer bang voor. Mijn vader zei "Het is een oud huis, dus die planken kraken!". Anders ging ik er natuurlijk niet meer naartoe". "De artiesten die er werkten kregen opdrachten uit heel Limburg om de heiligen in het hout vorm te geven. Zij ontwierpen ze, mijn vader werkte die beeltenissen verder uit en maakte ze op grootte. De diverse bewerkingen werden er tot in detail besproken. Mijn pa sneed het hout. "Materialen werden door mijn opa en mijn ooms met de handkar in Luik opgehaald. Bij mijn opa hadden ze dertien kinderen. De oudsten namen hun jongere broertjes en zusjes mee naar de Sint Pietersberg. De allerjongste van het stel, een baby nog, liet men dan in zijn kinderwagen naar beneden suizen, de strobalen in. Als mijn tante koffie zette, en de geur verspreidde zich, ook naar het atelier, kwam iedereen in de buurt erop af, inclusief de artiesten. In tien minunten tijd was de pot dan leeg. Er was ook een mijnheer Peters bij. Die was smoorverliefd op Evita Peron. Hij schreef haar zelfs brieven en kreeg nog antwoord ook. Die brieven declameerde hij dan bij ons". "Toen het klooster werd afgebroken en de Molenhof werd gebouwd, had Pa geen atelier meer. Hij heeft toen elders in de buurt een woning gekocht. Het werd bewoond door vijf of zes gezinnen bij wie het nieuws van de aankoop niet in goede aarde viel. Hij moest toen wachten met het betrekken van het pand totdat al die mensen verhuisd waren". "Nadien heeft hij het pand verbouwd. Het middengedeelte haalde hij weg, want het was niet origineel. Hij heeft toen beneden atelier gehad in de achterbouw. Boven woonden we". "Het was een gezellige tijd en iedereen liep bij iedereen binnen in de Heksenbuurt. Als mijn vader klaar was met werken, ging hij elke dag na vijven met ons de St Pietersberg op. Alle kinderen uit de buurt gingen dan mee. We reden richting Kanne tot aan de woonwagen van Ome Rik met al zijn kippen en geiten tegenover de Duivelsgrot. Pa vertelde altijd heel leuk met hem. Het staat mij nog wel bij dat het er enorm stonk. Pa wandelde daarna met ons door het bos, ademde diep in als het geregend had en maakte ons erop attent hoe zuiver die lucht wel was".Ina en haar twee zusjes - ze scheelden elkaar telkens vijftien maanden - waren lid van Treech. In de warme zomers van de jaren vijftig zwommen ze de Maas over, klommen op een passerende boot, voeren dan mee tot voorbij Randwyck, sprongen weer in het water en pikten vervolgens kersen van de fruitbomen langs de oever. Ze stopten die in hun badpak, zwommen weer terug de Maas over, sprongen in het kanaal, zwommen terug naar de watersportclub en aten intussen de kersen op. Gestoken in groene jekkers met een knalgele teddy van binnen liep het drietal 's winters vaak de dichtgevroren Maas over ter hoogte van de Blekerij richting Heugem. "Bij terugkomst kregen we dan een draai om de oren van onze moeder die ons wees op de lichte plekken in het ijs. Het had ook anders kunnen aflopen…….""Met mijn vriendinnetjes ging ik altijd bij de pater Castorius in de Plankstraat naar de films kijken van Roy Rogers en zijn paard Toby. Wij mochten daar niet komen en kregen dan thuis een uitbrander"."Ook gingen we dansen bij de kiosk in het Stadspark, maar agent Dempsey, die het vooral gemunt had op al te innig 'sjroevelende' stelletjes, gooide ons er altijd uit, want we waren pas veertien. Je mocht er niet komen onder de achttien. Wij vriendinnen spraken dan af bij de Sterre der Zee en dan gingen we dansen. 'De lang Lies' (een prostituée die plaatselijke faam genoot en vooral in het Stadspark actief was) liep dan op 't Welke langs het kanaal. Die daagden we dan uit, zodat ze achter ons aan kwam. Dat was geweldig!Café Sjiek ('ut Gezellig Heukske') op de hoek van de Begijnenstraat en de Sint Pieterstraat was ook een gezellig schipperscafé"."Het was zo mooi allemaal…..!", verzucht ze.Terug naar het verhalenoverzicht