Het Relaas van Karel L.E. Sondeijker

Met medewerking van: De heer Sondeijker

De heer Sondeijker (* 23 maart 1932)  woonde als 12-jarige met zijn familie aan het Sterreplein 19 met zijn ouders, broers en zussen. Als 15-jarige trad hij in dienst bij zijn vader. Die was loodgieter.

"Ik ben al vanaf 1965 weg uit Wyck en woon sindsdien aan de Cannerweg. In het begin ging ik er nog elke week terug. Een paar dagen vóór die afschuwelijke gebeurtenissen van augustus 1944 werden er pamfletten uitgestrooid. Dat deden die Amerikanen overigens vaker. Ik kan stellen dat er wel degelijk luchtalarm is geweest, ongeveer een half uur van te voren. Ik stond op dat moment buiten en zag meerdere squadrons aankomen, bestaande uit ongeveer tien tot twaalf toestellen. Wat ik direct zag - en dat weet ik pertinent zeker - is dat links van het veld de bommen het eerst vielen. De squadrons werden aangevoerd door Guy Gibson. In een boek* dat hij schreef maar niet heeft kunnen afmaken omdat hij een maand later om het leven kwam, memoreerde hij Maastricht nog. Het werd voltooid en postuum gepubliceerd door zijn vrienden. Ik weet niet of die in die andere toestellen zaten. Ik heb dat boek in mijn bezit gehad, maar leende het aan iemand uit en kreeg het niet terug. Ik kocht het juist vanwege de verwijzing daarin naar Maastricht.

Het bombardement vond plaats rond kwart voor zes die vrijdagavond. De fabrieken waren net uit. Bij de bevrijding van Maastricht op 13 september 1944 trokken de Amerikanen, maar ook spoorwegpersoneel, in de weliswaar beschadigde, maar nog bruikbare particuliere woningen om op verhaal te komen. Ze verbleven er maanden. De huisraad was weg. In de kruipruimten onder de huizen lagen de waterleidingen. Deze tijdelijke bewoners verstopten daar hun conservenblikjes. Dat wisten wij jongens natuurlijk. Toen ze er halsoverkop vandoor moesten vonden wij er van alles.

Zoals ik zei was ik op het Sterreplein en zag snel dat er deze keer géén pamfletten, maar bommen uit de toestellen vielen, een stuk of drie. Ik hoorde ze ook fluiten. Ik bevond mij pakweg 25 meter van onze straatdeur vandaan, ben naar binnen gerend en toen ik daarna weer naar buiten kwam, lag op de plek waar ik stond een grote boom. Die had kort daarvoor nog naast een villa in de Sint Antoniuslaan gestaan. Na de oorlog heeft Van Bergen op die plek een magazijn gebouwd. De bom die in de Sint Antoniuslaan terechtkwam had die boom met wortel en al uit de grond getrokken en over de huizen heen geslingerd. Hij lag nu precies op de plek waar ik zojuist nog had gestaan. Ik heb dus echt puur geluk gehad. Bij ons thuis was er enkel materiële schade, zoals kapotte ruiten. Van de rest van de dag kan ik me weinig meer herinneren, want ik was lange tijd volkomen de kluts kwijt, heb echt een trauma aan de gebeurtenissen overgehouden. Op het Sterreplein waren banken. Ik zat daarop en keek naar het Roeddörrep. Ik wist natuurlijk wel dat daar verschrikkelijke dingen waren gebeurd, maar de omvang ervan drong niet tot me door. Alles was onwezenlijk. Van de reddingsoperatie zelf heb ik dus weinig meegekregen. De gewonden werden ondergebracht in de Suringarschool. Daarbij was ook Jean Brands. Die hadden ze eerst bij de doden achtergelaten. Hij had een enorme wond op zijn rug door een granaatscherf. De doden werden aanvankelijk bij Van Gend en Loos neergelegd aan het eind van de Gebroeders Hermansstraat. Rechts daarvan stond de loods van Bonhomme. Jean begon te kermen op het moment dat er een zuster langsliep. Zo werd hij ontdekt. Dat weet ik omdat zijn broer Nico - inmiddels overleden - mij dat verteld heeft. Jean herstelde redelijk, alhoewel zijn rug één grote trekpleiser is gebleven vanwege het enorme litteken. Hij durfde daarom ook nooit te gaan zwemmen. Ik heb hem na de oorlog vaker gezien en met hem kaartgespeeld. Hij leeft nog steeds.

Dan was er nog Harie Veenhof, een vriend van mij die nu in Eindhoven woont. Ik leerde hem kennen in onze piottentijd. Hij verloor een been en kreeg een prothese. Ook raakte hij zijn neus kwijt. Hij heeft sindsdien ontelbare operaties ondergaan en kreeg de bijnaam het monster. Harie negeerde een waarschuwing om de schuilkelder in te gaan bij de Botermijn. Die was opgetrokken uit bielzen, alleen bedoeld voor spoorwegpersoneel en bevond zich links van de ingang. "Harie, ga nou die schuilkelder in!", maar hij bleef staan. Vermoedelijk werd hij geraakt door een scherf. Die schuilkelder is er niet meer.

Ondanks zijn houten been was hij een fervent voetballer en keeper. Niemand van ons werd ooit behandeld voor de geestelijke schade. Dat bestond toen gewoon niet. Er was ook een jongen die zijn arm was kwijtgeraakt. Het is niet zo dat je elke dag aan dat bombardement terugdenkt, maar wel nu vanwege de herdenking. De psychische schade uit zich met name door afwezigheid, het niet kunnen begrijpen. Ik kan nog steeds niet bevatten wat er gebeurd was, maar praat er niet over met anderen. Ik heb me kunnen herpakken, naar het gaat nooit weg.

Na de oorlog moesten wij in de buurt de dakgoten gaan plakken, maar zink hadden we niet. Dus gebruikten we lood. Af en toe vond je dan botresten van een mens of een dier in de goot. Die werden dan verzameld; je maakte een kuiltje in de grond en begroef ze. Je stond er even bij stil en dan ging je verder met je werk.  

Over de Zakstraat… Mijn ouders hebben vóór de oorlog in de Herbenusstraat gewoond op nummer 11 dat in de nieuwjaarsnacht van 1945 getroffen werd door een bom. Daar is toen geen mens levend uitgekomen. Pap en Mam waren daar een comestibelen - een levensmiddelenzaak - begonnen. Toen dat eenmaal goed liep, zei de huisbaas "Ik wil meer huur hebben!" "Nee", zei pa, "dat doe ik niet!" Vandaaruit zijn ze verhuisd naar het Sterreplein no. 19 en in de crisisjaren (in 1933) voor zichzelf begonnen met een loodgietersbedrijf."

* Enemy Coast Ahead, over de carrière van Guy Gibson (1918-1944) in de Royal Air Force gedurende de Tweede Wereldoorlog, werd postuum uitgebracht in 1946. 

Terug naar het verhalenoverzicht