Het relaas van Jef Engelen (II)
Auteur(s): Jef Engelen(NOOT: Na zijn terugkeer uit het Duitse krijgsgevangenschap, werd Maastrichtenaar Jef Engelen ingekwartierd in Tiel. Hij ging toen aan de slag bij de Opbouwdienst onder Duits toezicht. Na een sollicitatie bij de Belastingdienst kwam hij terecht in Zwolle, vervolgens in St Jansteen (Zeeland). Uiteindelijk keerde hij terug naar Limburg. In 1942 ging hij op aanraden van zijn sectiechef op examen voor grenskommies, maar omdat het nooit zijn bedoeling was geweest om bij de kommiezen te blijven, had hij zich voor dat examen ook niet voorbereid en zakte dus glansrijk.
Omdat het einde van de oorlog nog lang niet in zicht was, ging hij toch aan de studie om een vaste aanstelling als grenskommies te krijgen. Hij slaagde voor het examen en werd op 1 januari 1943 aangesteld.
Jef Engelen trouwde voor de kerk op 28 april 1943.
"De sectiechef, die ons om 9.00 uur de dag erna kwam feliciteren, vertelde dat in Beek overal aanplakbiljetten waren aangebracht. Daarop stond vermeld dat wegens het verzet van de Nederlandse bevolking alle voormalige militairen weer terug moesten in krijgsgevangenschap. De oproepen zouden nog volgen.
Wat gebeurde er toen?
De mijnwerkers staakten. Fabrieken staakten. Veel mensen werden door de Duitsers opgepakt en terechtgesteld.
De eerste dag van mijn huwelijk begon dus al niet zo mooi en ik zei tegen mijn vrouw: 'Ik ben één keer als krijgsgevangene in Duitsland geweest. Ik ga niet meer terug!'
Ik had een onderduikadres kunnen krijgen bij mijn broer in Heerlen, maar aangezien mijn vrouw het heel erg vond dat zij zo kort na ons huwelijk al niet mocht weten waar ik was ondergedoken, ging dit niet door en heb ik mij in verbinding gesteld met de heer S., die ook in de gemeente Beek werkte en in de illegaliteit zat.
In juni 1943 moest ik mij als krijgsgevangene melden in Amersfoort.
Door dit contact kon ik gaan werken bij de rubberfabriek Ceylon in Maastricht, waar een broer van een zwager van mij directeur was. Ik kreeg er een Ausweis en kon in Nederland blijven.
Nadat ik acht dagen bij Ceylon had gewerkt, waar door de stank het werken voor mij onhoudbaar was geworden, kreeg ik van de heer S. uit Beek een kaart waarmee ik mij moest melden bij het Arbeidsbureau in Heerlen. Via iemand daar kon ik dan op illegale wijze te werk worden gesteld bij de Staatsmijnen en hoefde niet terug naar Duitsland.
Ik wil hier nog even vermelden dat het eerste salaris dat mijn vrouw na ons huwelijk had gekregen ? 8,00 bedroeg. Ik had het verdiend bij de rubberfabriek Ceylon, waar ik het werk slechts enkele dagen had volgehouden.
Bij het Ministerie van Financiën was ik ingeschreven als krijgsgevangene die naar Duitsland was afgevoerd. Ik had daarvoor buitengewoon verlof gekregen en werd dus niet ontslagen.
Bij de Staatsmijnen werd ik te werk gesteld bij de afdeling Kunstmest. Ik was wel blij dat ik in 1943 bij het Ministerie van Financiën een nieuwe aanstelling had gekregen en zodoende enig houvast had.
Mijn eerste baan bij de Staatsmijnen was werken met de schop. Na drie dagen kon ik dit niet meer en werd ik te werk gesteld op een laboratorium.
Na enige tijd ging dat ook niet meer en wou ik onderduiken òf terug naar Financiën. Mijns inziens ging dit wel, omdat ik nergens feitelijk was ingeschreven en bij het Ministerie te boek stond als krijgsgevangene.
De inspecteur durfde dit niet aan en zei mij te terug in dienst te nemen indien ik een officieel ontslagbewijs had van de Staatsmijnen.
Daarom zocht ik weer contact met de heer S. in Beek. Die gaf mij via iemand bij het Arbeidsbureau in Heerlen een tip om zo'n ontslagbewijs in handen te krijgen. Let wel: dit ging dus allemaal illegaal.
Nadat ik mij bij hem in Heerlen had gemeld, kreeg ik na drie weken het verlangde bewijs, stapte toen naar de inspecteur en kwam aldus op onwettige wijze weer terug bij mijn vak als ambtenaar.
Aangezien de Duitsers steeds probeerden om illegalen op te sporen en ik door ondervinding het een en ander had geleerd, voorzag ik mijn aanstelling als ambtenaar van een foto en veel douanestempels. Op foto's en stempels waren de Duitsers immers verzot en ze zworen erbij.
De volgende dag trad ik met de band Douane om mijn arm weer in dienst als ambtenaar.
Ik was nog geen half uur aan het werk toen er in Elsloo een groot aantal Duitsers verscheen en een razzia begon. Iedereen werd aangehouden en zij die geen wettige aanwezigheid konden aantonen, werden opgepakt.
Ik werd ook staande gehouden en om een Ausweis gevraagd. Ik antwoordde dat ik Zöllner was, toonde hen mijn aanstelling en ja hoor, toen ze die zagen met foto en al was alles in orde.
Ik was toch wel even geschrokken. Ik kreeg nadien toch nog de kans om ongeveer zes mensen te waarschuwen die ondergedoken waren op adressen die mij bekend waren. Naderhand hoorde ik dat de Duitsers vijf personen hadden meegenomen.
Ik ben geen grote werker geweest in de illegaliteit, maar ik heb in al die jaren aan veel dingen meegewerkt tegen de Duitse bezetting.
Zo liep in alle spanning de oorlog ten einde in september 1944. De bevrijding was voor iedereen het begin van een nieuw tijdperk.
De oorlogsjaren waren voorbijgegaan met veel tegenslagen, maar ik was ook veel ervaringen rijker geworden.
De mensen waren in die jaren heel anders van aard geweest. Men kon niet zonder de ander en leefde als één grote familie die elkaar in alles steunde indien nodig.
In mei 1945 was heel Nederland bevrijd. Enige tijd later werd ik, omdat ik in Den Haag te boek stond als vrijwillig militair die bij de Landmacht had gediend, opgeroepen om me te melden bij een onderdeel van een op te richten leger in Deurne.
Na al hetgeen ik had meegemaakt, voelde ik daar niet direct veel voor en heb aan deze oproep geen gehoor gegeven omdat het toch overal een warboel was.
Nadat ik twee oproepen had genegeerd, verscheen als waarschuwing de rijkspolitie aan de deur met een telegram dat, als ik mij een dag later niet had gemeld in Deurne, ik zou worden opgehaald door de militaire politie.
De volgende dag ben ik toen maar op stap gegaan naar Deurne. Eenmaal ter plekke, bleek mijn onderdeel daar niet meer gelegerd en aangezien men nog in staat van oorlog verkeerde, kon niemand mij vertellen waar die eenheid was heengegaan.
Via de veldpost heb ik toen contact gezocht en enkele dagen later had ik al een telegram met het bericht dat het bewuste onderdeel gelegerd was in Breda en ik mij daar zo spoedig mogelijk moest melden.
Ik heb dit gedaan en ben toen ongeveer zes maanden weer militair geweest.
In deze zes maanden heb ik ook weer veel meegemaakt, goede en slechte dingen. Teveel om op te noemen.
Aangezien het Ministerie van Financiën zijn medewerkers weer graag in dienst had in verband met de drukke werkzaamheden, werd alle ambtenaren in militaire dienst ontslag verleend en begon ik eind 1945 weer met de eigen werkzaamheden.
Ik werd belast met de controle omzetbelasting na een korte opleiding door hoofdassistenten in Sittard en kreeg ook de functie van plaatsvervangend dienstgeleider.
In die tijd was ik ook belast met de studie voor assistent. Het examen hiervoor volgde in 1947-'48. Ik had er extra voor gestudeerd, want het viel niet te verwachten dat de oorlog snel voorbij zou zijn en ik had tot dan toe genoeg pech gehad. Ik moest proberen om bij Financiën verder te komen.
Ik had geluk! Ik slaagde voor het examen en op 1 mei 1948 volgde de benoeming tot assistent met de aanbeveling door te studeren en verder te gaan naar de school voor verificateur in Rotterdam. In die tijd kreeg men wel eens zo'n aanbeveling.
Ik ging tweemaal per week naar een verificateur om les te nemen. Dat duurde een jaar en de opleiding werd afgesloten met een examen om op die school in Rotterdam te worden toegelaten. Dit was een vergelijkend examen.
De studie ging goed, totdat ik in het begin van 1949 het bericht kreeg of ik er voor voelde om overgeplaatst te worden naar de ambulante dienst, een recherche-eenheid in Maastricht.
Voordat ik in deze een besluit had genomen, werd het Duitse Zelfkant bij Nederland gevoegd en moesten daar ook Nederlandse ambtenaren heen. Mij werd gevraagd of ik als dienstgeleider geplaatst wenste te worden in Susterseel.
Er liepen op dat moment dus twee overplaatsingen tegelijk: de ambulante dienst in Maastricht en de functie van dienstgeleider in Susterseel.
Na al mijn ervaringen wist ik niet meer wat ik moest doen en ging te rade bij superieuren en collega's. Na lang nadenken koos ik voor de ambulante dienst in Maastricht.
Van dit besluit zou ik naderhand veel spijt krijgen. Niet vanwege het werk, maar wegens de vele onbillijkheden in de dienst. Ik heb meer dan tien jaar alleen moeten vechten voor mijn rechten.
Op 1 april 1949 werd ik dus overgeplaatst naar de ambulante dienst in Maastricht. Die bestond uit acht ambtenaren, inclusief de geleider (chef).
Het werk werd altijd verricht in burgerkleding. Onze voornaamste taak - buiten de controle en velddienst - was voornamelijk het onderzoeken van een smokkelzaak of deviezenfraude. Het betrof hier voornamelijk het onderzoeken van zaken die door de ambtenaren aan de Duitse en Belgische grens waren aangehouden en zich verder uitstrekten dan de standplaatsen van die ambtenaren.
Ons werkgebied betrof geheel Zuid-Limburg tot en met Roosteren.
Het werk was heel mooi en afwisselend, maar vaak ook hard. Je was vaak tien tot veertien uur per dag actief. Uren terugvragen was er niet bij.
Wij hadden een auto tot onze beschikking - een Jeep - en twee Harley-motoren. Ook konden wij gebruik maken van de wagen van de inspecteur indien nodig.
Ik ben hier tot 4 oktober 1954 werkzaam geweest. Bij een reorganisatie werd deze dienst opgeheven.
Ik zou over deze periode april 1949 tot oktober 1954 een apart boek kunnen schrijven, maar dan moet ik naast de zeer aardige voorvallen teveel over bepaalde persoonlijke dingen gaan uitweiden en dat is niet de bedoeling. Ik zal me beperken tot het aanhalen van enkele aardige incidenten.
Ik heb tot augustus 1949 na aanbeveling nog gestudeerd om te worden toegelaten tot de school voor verificateur in Rotterdam, maar wegens persoonlijke omstandigheden was deze studie voor mij toch iets te zwaar geworden om bij eventuele toelating in Rotterdam te gaan wonen. Ik ben toen met deze opleiding noodgedwongen gestopt.
Zoals hierboven aangegeven, wil ik hier toch enkele aardige gevallen bij de ambulante dienst aanhalen.
Het waren niet allemaal gewone mensen die zich in die tijd bezighielden met smokkelpraktijken of deviezenfraude. Ook hoger geplaatsten hielden zich ermee bezig. Het ging hier immers ook heel vaak om grote geldbedragen, bijvoorbeeld het smokkelen van koffie naar Duitsland.
Op een bepaald moment kregen wij een tip dat veel automobilisten koffie naar Duitsland smokkelden in hun autobanden. Er werd dus letterlijk op koffiebonen gereden! Het betrof hier altijd ongebrande koffiebonen die meestal uit België kwamen.
In de binnenbanden werd een gat gemaakt. Per band werd er ongeveer vijf kilo aan koffiebonen in gedaan en de band weer dichtgelast.
De banden werden dan keihard opgepompt, zodat de koffie zich onder het rijden tegen de buitenwand van de binnenband ging afzetten. Zo ging het dan richting Duitsland op een niet ongevaarlijke manier, om daar de koffie tegen een zeer hoge prijs te verkopen.
Op deze wijze kon men per keer ongeveer twintig kilo meenemen.
Mijns inziens is het zo een hele tijd met succes gegaan, totdat wij erachter kwamen door lucht te laten ontsnappen uit het ventiel. De geur was onmiskenbaar die van koffie!
Toen men dit aan de grens of op de weg eenmaal doorhad, ging men andere manieren bedenken.
In een andere kwestie kregen wij informatie dat een berucht smokkelaar uit België koffie per boot via de Maas vervoerde.
De koffie zou in België geladen worden in een grote opblaasbare rubberboot van Amerikaanse makelij.
De smokkelaar liet zich dan met de stroom meedrijven richting Maastricht, waar de koffie ter hoogte van de Blekerij zou worden overgenomen door Nederlanders die voor verder transport zouden zorgen.
De chef van de ambulante dienst, klein van stuk en al op leeftijd, hield wel van avontuur en was ook nergens bang voor.
Met twee collega's ging hij 's avonds, wanneer hij, meestal na een tip, dacht dat het die avond of nacht raak kon zijn, naar de Maas ter hoogte van de Blekerij.
Hoewel hij niet kon zwemmen, ging hij met een kano midden op de Maas liggen en moesten wij aan de kant blijven observeren.
Zo kon hij uren in zijn kano op het water blijven dobberen, zelfs een keer zó lang dat wij dachten dat hij verdronken was.
Nadat we wekenlang deze smokkeldiensten gedraaid hadden, kwam dan toch eindelijk het succes.
Op een donkere avond lagen we met twee man aan de kant van de Maas. De chef lag in zijn kano weer in het midden van de rivier.
Nadat we enige uren hadden geobserveerd, hoorden we opeens een schreeuw. "Halt! Rijksambtenaren. Naar de kant!"
Na enkele ogenblikken zagen we een boot aankomen. Het ding leek wel een schip!
De chef hoorden we toen weer roepen 'naar de kant of ik schiet!' en ja hoor: daar kwam een grote rubberboot naar de wal. Er zat iemand in die ons als smokkelaar welbekend was, temidden van een hoop zakken.
Toen we de boot eenmaal aan de kant hadden en de man was aangehouden, bleek dat het vaartuig beladen was met dertig zakken ongebrande koffie. Per zak ongeveer 35 kilo.
De smokkelaar stond bekend als gevaarlijk en het heeft ons dan ook naderhand veel moeite gekost om het onderzoek nog verder met gunstig gevolg te kunnen voortzetten. Wij hadden veel geluk. Deze zaak leverde behalve de boot en de koffie nog vijf verdachten op.
Tijdens een zeer strenge winter kregen we weer een tip. We hadden al een vermoeden dat er koffie vanuit België naar Duitsland via Slenaken met een grote Amerikaanse vrachtwagen zou worden vervoerd. Wekenlang hadden we wisseldiensten gedraaid om deze vrachtwagen staande te doen houden, maar steeds zonder succes.
Voor ons waren deze diensten zeer zwaar, omdat we uren in het veld moesten liggen bij temperaturen van -15 graden Celsius èn ik burgerkleding. We droegen geen beschermende winterkleding of iets van dien aard.
Het was in de week van carnaval. 's Vrijdags was het fiscusbal. Ieder jaar ging ik er met mijn vrouw heen, maar deze keer was ze ziek en bleef ik thuis.
De chef van de ambulante dienst woonde bij mij in de buurt. Was er iets bijzonders, dan had hij mij het eerste te pakken.
Op die bewuste avond van het fiscusbal ging bij mij de bel en ja hoor, het was de chef!
"Kom, Engelen! Wij moeten op pad vanavond. De wagen met koffie komt eraan!"
Omdat we al weken uitkeken naar deze auto, steeds zonder succes, ondanks de tips, zei ik tegen hem: "Ik geloof er niet meer in!" Hij zei dat, als het vanavond niet goed ging, hij het ook zou opgeven.
Een groot deel van onze collega's was naar het fiscusbal en we dienden eerst aan de weet te komen wie er al dan niet bereikbaar was. Dat hadden we vlug gedaan en zo gingen we met vier personen richting Slenaken.
Collega B. zou de auto besturen. Omdat ik militair was geweest, zou ik het geweer nemen en de chef met een collega de spijkerplank.
Eenmaal in Slenaken - het vroor dat het kraakte - werden de taken verdeeld en gingen we de zaken observeren.
Nadat we ongeveer drie uur in de auto achter de marechaussee-kazerne hadden gewacht, hoorden we een schot en meteen reed een grote vrachtauto de weg af. De chef en de collega die de spijkerplank had gehanteerd, hadden iets te lang getreuzeld en zo konden we pas na enkele minuten de achtervolging inzetten. Een paar honderd meter verder in de richting van Maastricht splitste de weg zich en nu was de vraag in welke richting de vrachtwagen verdwenen was.
Op hoop van zegen reed de collega de de weg op richting Gulpen. We hadden het voordeel dat het een heldere nacht was. We zagen de vrachtauto ineens voor ons rijden en zo te zien was hij zwaar beladen.
Ik deed het zijraampje van de auto omlaag en probeerde te schieten bij een tempo van 90 kilometer per uur. Het was hartstikke koud.
Aangezien de wagen recht voor ons reed, kon ik niet mikken door het zijraampje. Een schuifdak had onze auto niet.
Ik moest dus wachten totdat de vrachtauto een bocht naderde. Bij de eerste gelegenheid schoot ik en het was nog raak ook. Ik zag de vonken ervan af vliegen.
Na dit schot stak iemand zijn arm boven de cabine van de vrachtwagen uit en direct daarna stuiterden tientallen kraaienpoten op de weg. Omdat de grond bevroren was, leken het net sprinkhanen.
Even later voelden we ze in onze autobanden dringen en dachten dat we de vrachtauto kwijt zouden raken. Ondanks de leeglopende banden had collega B. de auto goed onder controle en konden we de vrachtwagen ook blijven volgen.
Bovenaan de Gulpenerberg aangekomen, boog de wagen af richting Gulpen.
We konden hem nog steeds bijhouden, al werd het moeilijker. Collega B. zat met een andere man voorin; ik met de chef op de achterbank.
Onderaan de Gulpenerberg merkte ik dat de vrachtauto helemaal naar rechts uitweek, ogenschijnlijk met de bedoeling om ineens naar links te komen en te proberen onze wagen van de weg te duwen om dan door te rijden naar België.
Het was nog steeds pikdonker.
Ik riep tegen B. die onze auto bestuurde: "Pas op; hij wil ons van de weg duwen!", maar met een staaltje stuurmanskunst bracht hij de auto naast de vrachtwagen. Collega H., die naast B. zat, trok zijn pistool en schoot enkele keren in de cabine van de vrachtwagen. Ik dacht stellig dat de chauffeur dit niet had overleefd.
Het was gelukkig niet druk op de weg. Na deze schietpartij ging de vrachtauto helemaal naar links en kwam onderaan de Gulpenerberg tot stilstand tegen een muur van een boerderij. Iedereen sprong uit de personenauto en rende richting vrachtwagen, maar van de inzittenden was niemand meer te zien.
Door de klap van die wagen tegen de muur van de boerderij waren veel mensen wakker geworden en stonden luttele minuten later buiten.
De banden van onze auto waren nu helemaal leeg vanwege de kraaienpoten. Bij het tellen bleken er 18 stuks in te zitten. We mochten van geluk spreken dat we het er levend van af hadden gebracht. De kraaienpoten waren relatief klein. Waren het langere poten geweest die tegen de binnenkant van de velgen zouden hebben gedrukt, dan hadden we onherroepelijk klapbanden gehad en was ons de buit ontschoten.
Gewaarschuwd door de mensen bij de vrachtauto konden we naar korte tijd één man, ons welbekend, aanhouden.
De buit bedroeg een grote Amerikaanse vrachtwagen en 3000 kilo ongebrande koffie!
Het onderzoek daarna heeft nog wel enige tijd in beslag genomen. Omdat we hier voornamelijk met beroepssmokkelaars te maken hadden die nergens voor terugdeinsden, verliepen de zaken niet gemakkelijk. Achteraf konden we stellen dat we tòch succes hadden geboekt.
Ik zou nog heel veel mooie, spannende en ook veel plezierige voorvallen bij de ambulante dienst kunnen vermelden, maar dat zou te ver voeren en ik sluit die mooie periode bij deze af. Ik wil nog wel vermelden dat we zeer nauw samenwerkten met de douane in Keulen en die in Luik."
Met dank aan mevrouw Maria Engelen.
Terug naar het verhalenoverzicht