Het Relaas van Dhr H.J.H. Paulussen
Auteur(s): de heer PaulussenDatum interview: 10 november 2009.
De heer Paulussen (*20 april 1943) vertelt over zijn loopbaan tijdens de restauratie van het Stokstraatkwartier van 1959 tot 1975 onder aannemer Sjeng van Kan.
"In 1963 ben ik in de Stokstraat begonnen als handlanger bij aannemer Van Kan. Ik werkte er eerst voor een onderaannemer gedurende een maand of vier, vijf. Ik heb toen ongeveer een half jaar elders gezeten, maar kwam terug en ben toen voor Van Kan zelf begonnen als handlanger. Na een paar maanden had een van zijn metselaars er geen zin meer in en hield er mee op. Iemand zei "Hier is al zijn gereedschap; kijk maar wat je ermee doet!" Ik pakte toen een troffel, ging tussen de metselaars staan en werkte met hen samen, aanvankelijk wat achterwerk (vuil werk), maar op een bepaald moment kwam Sjeng van Kan zèlf de Stokstraat in en zei "O God, veer höbbe d'r unne neujje metseleer bij!""Jao", zei ik, Vaanaof noe bin iech metseleer en dat gaon iech ouch in mien tuutsje merke, hè!" Hij begon te lachen. Die man hield er in 1980 mee op. Hij had drie dochters en geen mannelijke opvolger. Na 29 jaar neem ik nog steeds om de paar maanden contact met hem en loop ook nog eens bij hem binnen. Hij is 89 of 90 jaar nu. Tijdens het werk was hij een heel sociale man voor zijn personeel. Dat was met geen pen te beschrijven en een week later merkte ik het verschil inderdaad in mijn loonzakje. Ik kon heel gewoon met hem praten. Ik deed toen nog geen vakbondswerk; dat gebeurde pas vanaf het begin van 1970. Dat heeft hij zeer gewaardeerd. Het was vrijwilligerswerk; ik werd er dus niet voor betaald.
Zo hebben wij de Stokstraat herbouwd. Het was prachtig werk, heel anders dan dat je op een steiger staat te metselen en maar brikken legt. In dit geval moest ik zelf initiatieven gaan nemen. We werkten er met heel zware materialen, hardstenen stijlen en dorpels voor de deuren die tussen de 700 en de 900 kg wogen. Die werden opgetakeld en netjes neergelegd - mooi werk! Ik begon daar te werken in 1963. Er woonden nog mensen in de Stokstraat en het oude winkeltje van de dames Bams was nog steeds open. De helft van de Stokstraat was afgezet met een schutting en daarachter lag hun zaak. Ik werd vlakbij geboren in het Ridderstraatje en woonde er tot mijn 12de. Ik had veel kameraadjes in de Stokstraat en de buurt werd gekenmerkt door eerlijkheid en openheid. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat er een man iets teveel gedronken had en daardoor ruzie met zijn vrouw had gekregen. Zij gooide de meubels van drie, vier hoog naar beneden. Uiteindelijk werd de politie gebeld. Agent Dempsey kwam de Stokstraat binnengelopen. Ik zie het nog voor me. De man had kolenschoppen van handen en kon daarmee harde klappen uitdelen. Hij kende ook iedereen en riep "Sjele, kumpste naor oonder? "Kom miech mèr hole!" "Ïech kom diech hole!" en toen ging Dempsey alleen naar boven. Tien minuten later kwam hij naar beneden met het hoofd van de man onder zijn arm geklemd. Bij ieder scheldwoord dat die slaakte kreeg hij een stomp met de vuist.
Terwijl bijna iedereen, behalve de dames Bams, al was weggetrokken, werd het hele gebied gerenoveerd. In de Smedenstraat woonde nòg een koppel, Magdaleens. Achter de schutting zat enkel nog Bams. Vlakbij het kruispunt waar je naar beneden loopt in de richting van de Sint Bernardusstraat woonden ook nog wel wat mensen. Wij waren nog met renoveren bezig toen Toon Hermans er kwam wonen. Dat was in het midden van de jaren '70. Toen werkten wij nog in het eerste gedeelte van de Stokstraat; het voorste stuk tot aan het Morenstraatje was al klaar. Het hele renovatieproject begon rond 1959-'60 en duurde tot ongeveer 1978-79.
Van Kan had ook nog andere projecten. De ene keer werkte je hier, dan weer daar met een paar man. Het Spaans Gouvernement op het Vrijthof deden we 'even tussendoor'. Er was ook nog een onderaannemer die voor hem werkte, terwijl hij ook nog mensen in dienst had die in het Stokstraatgebied bleven. De overige eigen werknemers gingen wel eens naar andere projecten. Van 1967 tot '69 heb ik op Chateau Neercanne gewerkt. Ik restaureerde er het mergelwerk en zo. Het hele Stokstraatproject bleef intussen doorlopen tot ongeveer 1978. We hebben zelf nog aan opgravingen meegewerkt op de Thermen, daarom heten die ook zo. De Archeologische Dienst was daar bezig en heeft er nog een Romeinse badkamer gevonden.
Toen Van Kan er in 1980 mee ophield, heb ik nog een maand of acht bij de Wilma gewerkt in het Wittevrouwenveld. Ook renoveringswerkzaamheden. Wéér zo'n acht maanden later belde de oude uitvoerder van Sjeng van Kan mij op. Hij zei dat hij bezig was in de Sint Servaaskerk en nog mensen nodig had. Of ik soms interesse had? Natuurlijk! Bij de Wilma vond ik het niet leuk. Daarna ben ik gaan solliciteren bij de firma Coppes en werd gelijk aangenomen! Ik heb daar negen jaar gewerkt. Met een paar andere grote aannemers maakt de Wilma nu deel uit van het Bam concern.
Als vakbondsman ging ik de contributie ophalen bij de mensen thuis. Dat deed ik eens in de veertien dagen; de ene week deed ik het gedeelte van Maastricht vóór de brug, de andere week het deel óver de brug, het Heugemerveld, Wittevrouwenveld, Heugem en zo. In de strenge winter van 1962-'63 was ik in militaire dienst en heb in de barre kou een week velddienst gedraaid. We sliepen in tentjes. Kun je je dat voorstellen?
Ik woon op Malberg sinds 10 april 1967. Toen was men al bovenaan bezig met bouwen. De Leenhofruwe was klaar, in de Banhofruwe waren ze nog bezig. De twee flats die nu alweer zijn gesloopt waren er toen nog niet. Er stond een grote kalkput. Toen werd er nog met leskalk gestuct [leskalk: een verouderde term voor nagebluste kalk]. Dat duurde een tijdje. In 1962 woonde ik nog op Malpertuis. Onderaan de Tibeertstraat hield die wijk op. Waar later Malberg kwam lag dit gebied nog braak. Ik ging in '62 in dienst en vanuit de Tapijnkazerne hebben we hier in het veld nog geoefend. Niet veel later begon men hier met woningbouw.
Toen ik 14 was begon ik te werken bij de KNP. Je werd er ingedeeld in ploegendiensten, vroeg- en middagdienst. Ik zat in een leerlingstelsel en werd er opgeleid om daarna aan de machines te staan. Pas met 18 mocht je nachtdiensten draaien. Vroege diensten deed ik graag, middagdiensten niet, want omstreeks half zes begon het bij mij te kriebelen. Ik stopte dan de stempelkaart in de klok en weg was ik. Na twee weken moest ik bij de personeelschef komen en werd mij gevraagd wat ik van plan was. Ik zei dat ik niet tegen middagdiensten kon en ermee ophield. Ik ging gelijk de bouw in en werd loodgieter bij de firma Bosman uit Tilburg. Die werkte overal voor de Wilma. In de Tibeertstraat heb ik als kwajongen nog gewerkt; dat was in 1959. Ik was toen 16. In 1961 werden die woningen opgeleverd. Op Pottenberg heb ik nog gewerkt als leerling-loodgieter.
Wat de nieuwbouw in de binnenstad betreft vind ik het heel jammer dat er op de Havenzathe zoveel is gesloopt. De Raamstraat en het Lakenweversplein hadden ze moeten restaureren, niet platgooien.
Van 1981 tot '90 werkte ik aan de Sint Servaaskerk en legde me toe op de renovatie. Ik meldde mij in mei '90 bij de firma Erkamp-Rousseau en werkte veel voor bouwverenigingen. Het bedrijf werd aan het eind van de jaren '90 opgesplitst. Ik kwam weer op Malpertuis terecht en wel in de Finestraat. Daar werden negentig woningen gerenoveerd terwijl de mensen in die woningen bleven zitten. We liepen er in en uit. Ik heb vijf jaar voor die firma gewerkt en het was een schitterende tijd. Ik zat normaal in de bouw; nu kwam ik bij de mensen thuis en kreeg er gelijk een kop koffie."
Terug naar het verhalenoverzicht