Het Relaas van Anna Maria Buurman van Gerwen

Met medewerking van: Anna Maria Buurman-van Gerwen

Mevrouw Buurman (* 19 september 1935)  blikt terug op haar jeugd in de oorlogsjaren, over het garagebedrijf van haar vader en de bevrijding.

"Ik word altijd een beetje emotioneel als ik over de oorlog begin. Ik kocht onlangs een boekje over kinderen die door de Duitsers zouden worden geselecteerd voor het maken van een superras en vind het zo erg dat we dat toen allemaal niet geweten hebben. Ik heb ook de tentoonstelling daarover bezocht en vond het vreselijk. Hoe was dat in godsnaam mogelijk?

Mijn vader had een motorengarage aan de Heerderweg. Daar hebben we ook altijd gewoond. Hij werd gedwongen reparaties uit te voeren aan het wagenpark van de Duitsers. Zou hij weigeren, dan schoten ze hem dood. Hij had geen keus. We leefden dus altijd wel in angst, want de ene dag was hun humeur zus en de volgende dag weer zo. Mijn moeder was nogal een bijdehante. Op zeker moment had ze een grote mond tegen hen opgezet; ze was voor de duivel niet bang. Ze pikte bepaalde dingen gewoon niet die die militairen tegen haar zeiden en om die reden sloegen ze haar ooit een bloedneus. Mijn vader vond dat het nu maar eens afgelopen moest zijn. Wij hadden beneden, achter de zaak, een kantoortje met een keukentje; dat was vroeger zo. "Dit gebeurt niet meer! Nu gaan jullie boven wonen! Straks slaan ze jullie helemaal voor mirakel!" Ik herinner me dat ze haar toen flink te pakken hebben gehad, maar ik ben niet overal bij geweest. Zelf hebben we in de oorlog gelukkig niemand verloren.

Onze zaak heette Moto. Het was de tweede garage aan de Heerderweg; de eerste was van het autobussenbedrijf Meussen. Onze firma werd later overgenomen door Tonny van Veghel. Zijn zoon had later dat Fiat-agentschap op Pottenberg. Luchtaanvallen hebben gelukkig nooit veel schade aangericht aan de garage, maar de Koepelkerk op de hoek incasseerde ooit wèl een voltreffer. Er zat een groot gat in de koepel zelf. Dat is later hersteld. Bij ons was de etalage aan diggelen gegaan en lag het glas op de auto's en de motoren.

Mijn vader moest hard werken; daar werd hij ook goed voor betaald. Mijn moeder ging elke dag op de fiets naar Cadier en Keer. Ik mocht af en toe mee op mijn fietsje, maar halverwege moest ik afstappen omdat ik de berg niet opkwam… Bij boerenlui ruilde ze dan van alles met die mensen, onder andere voor vlees en eieren. Die mensen hadden de lievendkasten* vol liggen van ons.

Pa mocht van de Duitsers autorijden; dat was verder niemand toegestaan. Wij handelden toen nog niet in auto's, maar hij moest onderdelen halen en ging daarvoor vaak naar België. Hier  was niks te krijgen.

Waar nu het Koningsplein en het Oranjeplein zijn, stonden vroeger de koren- en graanvelden. Wij schoolkinderen liepen er dwars doorheen via allerlei weggetjes. Dat vonden we heel interessant. Ik zat op de Scharnerweg op school. Bij luchtalarm renden we als gekken naar huis toe en moesten dan de schuilkelder in. Dat vond ik iets verschrikkelijks. Gelukkig  gebeurde er bij ons niets ernstigs. Voor mij was de oorlog een heel groot avontuur….

Als kind werd ik door mijn moeder elke dag naar mijn tante Jet en haar gezin aan de Bloemenweg gebracht. Ik ging daar in de buurt naar de kleuterschool en wegens drukte in de zaak konden mijn ouders mij eigenlijk niet gebruiken. Tegen de avond haalde ze me weer op. Ik kan me ook nog die zoeklichten herinneren waarin ze vliegtuigen 'vingen'. Alles was verduisterd; er was absoluut geen licht. Daardoor was ik wel erg bang.

Ik deed mijn communie in 1943. Aangezien mijn ouders het financieel redelijk goed hadden, vierde de hele klas het communiefeest in onze zaak. Om die reden waren de muren opnieuw witgekalkt en gedurende die tijd kon je ook niet naar binnen kijken. De kinderen hebben toen de dag van hun leven gehad. Ze vonden het absoluut geweldig! Ik kom sommigen nog wel eens tegen en dan hebben het daar altijd weer over. De communiefeesten van nu zijn echte bruiloften. Toen ervoeren we dat echt als iets heel geweldigs…..

Honger hebben we dus niet gekend; we hadden altijd genoeg te eten, maar aan de Heerderweg vlak naast de Koepelkerk was een gaarkeuken. Ik geloof dat ze er altijd wortelenrats maakten. Het rook er altijd naar uien. Dat vonden we interessant. Ondanks dat we geen trek hadden, gingen we toch kijken en kregen af en toe een hapje. Het smaakte niet. Thuis was alles veel lekkerder. Die gaarkeuken heeft er nog jaren na de oorlog gestaan en is later van de scouting geweest. Voor de mensen die het niet breed hadden was die keuken dus een noodzaak.

Ik was ooit op bezoek bij mijn oma aan de Meerssenerweg. Zij woonde in een niet meer bestaande zijstraat van de Professor Scholsstraat bij een van haar kinderen in. Ik was er eens met een vriendinnetje op bezoek toen het luchtalarm ging en er een groot bombardement volgde. We moesten toen de schuilkelder in. Mijn moeder kon daar ijzige verhalen over vertellen, onder meer over een dode vrouw die in het puin gevonden werd en een hand kwijt was en over iemand zonder hoofd….. Een oom en een tante van mij hadden een melkzaak, Van de Boorn, in de Professor Scholsstraat. Die hebben er jaren gewoond.

Sinds een jaar of tien ben ik sterk geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog. Dat was ik vroeger niet, maar die fascinatie neemt toe naarmate ik ouder word.

Toen de Amerikanen met hun tanks arriveerden was het alsof de hemel openging. Wij stonden buiten op straat. Op de tanks hadden ze grote kruisen vastgemaakt en die mannen werden als heiligen binnengehaald. De Duitsers ware al weggevlucht met alles wat ze krijgen konden. Ik had nog nooit van mijn leven kleurlingen gezien en dacht heus dat veel soldaten zwarte pieten waren!

Mijn vader had vóór hun komst al het meubilair naar de kelder gebracht. Mijn oma, moeder, een vriendinnetje van mij en ikzelf zaten ook beneden. Pa was een perfectionist en had alles gestut met balken. Hij was ook een kei in het maken en repareren van dingen. Toen de Amerikanen binnentrokken ging hij buiten kijken. De soldaten werden gestationeerd in de garage van Meussen, maar Pa wou ze niet in zijn eigen bedrijf hebben. Hij had de Duitsers geen onderdak verschaft en nu ook de Amerikanen niet, om de eenvoudige reden dat hij niet wou dat mij iets overkwam. Er gingen geruchten dat die Amerikanen zich aan kleine meisjes vergrepen en er waren zelfs ouders die hun dochters verkochten omdat ze niets te eten hadden. Het ergste was dat je als meisje zwanger raakte van een zwarte Amerikaan, want dan werd je voor altijd nagewezen.

Aan de overkant woonden spoorlui. De vader van een vriendinnetje was ook bij het spoor en zijn tuintje grensde aan de lijn. Ik heb treinen zien binnenkomen met mensen uit de concentratiekampen die net skeletten waren. Het was verschrikkelijk om aan te zien.

We kregen kauwgom, sigaretten en waterbestendige chocola van de Amerikanen die we in onze schortjes stopten. Ook gaven ze dozen met boterhamworst en van chili concarne hadden we nog nooit gehoord. Wij kinderen werden op de schouders van de Amerikanen gezet. Meisjes van 18, 19 die met de Duitsers hadden geheuld werden kaalgeknipt, maar hebben er later geen hinder meer van gehad. De vader van vriendinnetje was NSB-er. Zij had een tante die haar vader aangaf, maar die man had geen vlieg kwaad gedaan. Hij zat simpelweg bij de verkeerde partij. Hij werd in elkaar geslagen met het gevolg dat hij impotent raakte. Mensen speelden toen vaak voor eigen rechter.

Ik mocht wel naar de bevrijdingsfeesten heen en onder konijnenhokken doorlopen. Ook deed ik aan zaklopen.

Ik kende geen woord Engels en was net negen jaar geworden. Het eerste liedje dat wij kinderen zongen was "You are my sunshine, my only sunshine. You make me happy when skies are grey. You never know, dear, how much I love you. Please don't take my sunshine away.""

Terug naar het verhalenoverzicht