Het oorlogsverhaal van Balthazar Hubertus Heijenrath

Met medewerking van: Balthazar Hubertus Heijenrath

Het oorlogsverhaal van Balthazar Hubertus Heijenrath (* 2 oktober 1924)
Opgetekend 11 november 2009

Op 27 november 1941 was de 17-jarige Balthazar Heijenrath op weg naar zijn ouderlijk huis aan de Gerard van Wermweg nummer 116. Met zijn even oude kameraad die in het kantoor van de Winterhilfe aan de Tweebergerpoort werkte had hij een leuke feestavond gehad. Bij het eind van de Tongersestraat aangekomen, ging plots het luchtalarm af…

"Het Tongerseplein was destijds nog opgedeeld in vier plantsoenen en er stonden dikke bomen. We doken achter één ervan. Er viel een bom; we hadden hem niet gezien. Het projectiel was ergens op Blauw Dorp terechtgekomen; wáár precies wisten we natuurlijk niet.

Een geweldige ontploffing volgde. Na tien, vijftien minuten stonden we op. We zagen de enorme ravage in de Elizabeth Strouvenlaan. Ik rende naar het ouderlijk huis, zeer bezorgd om het wel en wee van mijn ouders en de vier kinderen. Iedereen had intussen zijn toevlucht gezocht in de nabijgelegen schuilkelders. Ik trof daar mijn familie wonderwel ongedeerd aan. Of het hier specifiek om een Britse dan wel een Duitse bom ging kan ik niet zeggen. [De officiële lezing was dat een Brits toestel zijn bommen gedropt had, anderen beweerden dat de Duitsers toen al experimenteerden met vliegende bommen en dat er een stuk verwrongen metaal zou zijn gevonden met de naam Krupp erop, red.]. Ik had het zelf niet gezien en kon het dus niet beamen. Ook was ik in het ongewisse omtrent het tijdstip waarop de bom viel. Omdat de feestavond voorbij was, meende ik dat het ergens tussen 11 en 12 uur was.




























Een Duitse colonne marcheerde in mei 1940 de Tongerseweg op, met als doel de Belgische grens. Omdat ze de weg daarheen niet wisten, pakten ze een volslagen willekeurig iemand, ene Voorjans, bij zijn jas en dwongen hem naast de bevelhebber mee te lopen. Wij stonden allemaal aan de kant van de weg te kijken. Ter hoogte van de Ruttensingel kneep Voorjans ertussenuit en zag kans te ontkomen. Daaraan voorafgaande waren Duitse parachutisten bij het Albertkanaal geland. Die verhalen hadden we van mensen uit Wolder gehoord.



Die kelders….al direct na het begin van de oorlog, in mei '40 dus, zijn we begonnen met het in gebruik nemen van de kazematten. De heer Fourage, onze overbuurman aan de Weryweg, was een mijnwerker, een stuttenbouwer die een grondige kennis van zaken had. Wij zijn toen de ingang aan de Strouvenlaan binnengegaan; die bestond immers al, en gingen graven met het doel uit te komen op de Gildeweg of de Proosdijweg. Wij maakten gangen waar we nèt doorheen konden kruipen om bij de kazematten te komen. De grond bestond uit stevige, maar bewerkelijke leem en ik heb behoorlijk meegeschopt. Toen we eenmaal wisten waar we waren moesten we naar boven toe. We zaten in een gemetselde boog en stopten; dat was ver genoeg. We waren op de Gildeweg uitgekomen, hebben daar een heel groot gat gekapt en zijn van boven naar beneden gaan graven om de aldus ontstane ruimte als schuilkelders te kunnen gaan gebruiken. Bij mensen achter in de tuin op de hoek Gildeweg/Proosdijweg werd de ingang gestut en een grote trap gebouwd. Wij woonden recht tegenover die trap. Het graven werd voortgezet. Plekken die dichtgeslibd waren hebben we opengemaakt. We kwamen toen bij de André Severensweg uit en vervolgens ging het richting het Volksplein en naar de Sint Lambertuskerk. Onder die kerk  waren pilaren gebouwd; wij gingen eromheen op zo'n vier, vijf meter diepte door bestaande kazematten richting Statensingel en Fort Willem. De Duitsers lieten ons gewoon onze gang gaan. Vervolgens hebben wij daar tafels en banken gebouwd. Daar zaten ook de vrouwen met de kinderen. De mannen waren er ook. Het resultaat was dat we toen ingangen aan de Gildeweg en de André Severensweg hadden.




























De gemeente heeft pas lang na de oorlog de kazematten gebruikt voor toeristische doeleinden. Ik ben er sindsdien nog een paar keren naar beneden geweest. Je kon toen voor 50 cent 's middags met een gids naar binnen, maar niet in die gangen die in de oorlog door de buurt werden benut. Het was een aparte belevenis.

Toen we er eenmaal veilig en wel in de kazematten zaten kwam er zo'n acht maanden later een nieuw bombardement, ditmaal met brandbommen, op Blauw Dorp. Ons huis brandde volledig af. Een bom was door de dakpannen, het plafond, door het hoofdkussen op het bed van mijn broertje, door de vloer, toen door de andere vloer gegaan en beneden ontploft. Bij het eerste grote bombardement lagen enkel de muren eruit. Ik had een klein fototoestel, dat mocht ik natuurlijk niet hebben van de Duitsers, maar ik heb stiekem foto's gemaakt van de ravage. Na 1941 deed ik dat niet meer Het ding ben ik helaas kwijtgeraakt.

Over de doden…Maria Zach woonde onderaan de Gildeweg. Zij was een heel slank meisje van een jaar of 16. Ik zag haar liggen; ze was door de bom 14 meter weggeworpen. Reinders, Duchateau en Wigné werden toen begraven, maar ik ben alleen bij de begrafenis van mijn kameraad Jeu van Eijsden geweest.

Ik werd 18 jaar in 1942, dus na het tweede bombardement en ging voor een half jaar de Duitse Arbeitsdienst in. Ik werd opgeroepen en ging naar Overloon, in de Peel, als soldaat met de schop. Daarna kon je bijtekenen om in dienst te gaan, maar dat deed niemand. Ik mocht naar huis, maar na 14 dagen werd ik voor de Einsatz op een trein naar Duitsland gezet. Ik heb toen twee jaar bij een staalfabriek in de stad Mettmann gezeten, zo'n 12 kilometer van Wuppertal en 30 kilometer van Essen en Keulen.

In een ijzergiertij moest ik onderdeeltjes maken voor wapens en pantserwagens. Ik heb de  Amerikaanse bombardementen meegemaakt, maar altijd kunnen schuilen. De ijzervoorraad moest getemperd, dat wil zeggen verhard worden in de temperovens. Toen het gas op was moesten we naar Elberfeld en Essen met vrachtwagen. Ik zat als Beobachter voorop de bumper om te kijken of er geen bommenwerpers in zicht kwamen. Hoe hard dat ding ook ging, je moest blijven zitten. Werd er een vliegtuig gezien, dan ging de wagen aan de kant en dook je in mangaten. Dat was heel avontuurlijk. Je was jong…. Ik kwam pas terug na de bevrijding, op 30 april 1945. Dat was zeer emotioneel. Mijn familie had ik al die tijd niet gezien. Iedereen had de oorlog overleefd. Ik stond versteld van wat er hier allemaal te krijgen was. Ik had echt honger geleden en nergens was er een sigaretje te krijgen. Bij mijn terugkeer was het jonge leven voorbij. De Duitsers hebben mij mijn jeugd voor altijd afgenomen.

We waren in Mettmann eingekesselt gedurende een half jaar; er ging niets in of uit. De Amerikanen trokken immers om Düsseldorf en Mettmann heen richting Berlijn.

Wij verhuisden in de Gerard van Wermweg, hoek Proosdijweg, van nummer 116 naar 79 en kregen als eerste een nieuwe woning. We zijn er met de vijf kinderen altijd blijven wonen."

afbeeldingen (PDF)

Terug naar het verhalenoverzicht