Het Oorlogsverhaal van Andreas Antonius Hofman

Met medewerking van: Andreas Antonius Hofman

De heer Hofman woonde in Blauw Dorp tijdens de oorlog en vertelt onder meer over het bombardement van 27 november 1941 op die wijk.

"Toen de oorlog uitbrak woonde ik aan de Gerard van Wermweg 19. In het voorjaar van 1941 werd besloten de kazematten in te richten als schuilkelders in het geval van een luchtalarm. Mijn vader had van een zekere Nievergeld gehoord dat er een gang onder onze tuin moest  lopen. Familie en buren gingen toen op het Goeman Borgesiusplantsoen naar beneden en hebben klopsignalen tegen het plafond van de kazematten gegeven op de plek waar ze onze tuin vermoedden. Mijn vader en de anderen die boven stonden hebben signalen teruggegeven. Ik heb ze zelf ook gehoord. Die positie werd gemarkeerd en men is van bovenaf beginnen de graven, maar de bouwers kwamen nèt op een andere plek uit dan waar ze gedacht hadden. Er werd een trap geïnstalleerd en deuren in onze tuin aangebracht die toegang gaven tot de kazematten. Bij een luchtalarm deed mijn moeder dan de straatdeur open en de buurtbewoners kwamen bij ons door de woning achter de kelder binnen. Eenmaal beneden zag je rechts een munitieruimte uit vroeger jaren. Een schilder had daar een kapelletje in gemaakt met de beeltenis van Sint Servaas en er stonden banken. Wij gingen altijd in die ruimte zitten. Zo ook op die 27ste november 1941. Mijn vader die bij de luchtbescherming was, zei "Jullie zitten hier dan wel, maar als er ooit iets gebeurt komen jullie er niet meer uit! Ik zou maar naar het Goeman Borgesiusplantsoen gaan!" We gingen toen de gang door naar de zaal. Daar aangekomen daverde de bodem door een enorme klap. We vroegen ons af wat er gebeurd was. Mensen bovengronds die niet meer via onze tuin naar binnen konden, voegden zich bij ons via het Goeman Borgesiusplantsoen, waar we later uitkwamen.. Eenmaal boven wisten we niet meer waar we waren, want een bom had alles verwoest, ook ons huis. We gingen toen naar een tante aan de Volksbondweg die bereid was ons tijdelijk op te vangen. Daarna kregen we een woning Achter de Barakken, van de Sphinx, waar Pa opzichter was. Na de oorlog werd onze buurt herbouwd en gingen we terug naar ons huis aan de Gerard van Wermweg.

Het grote probleem was dat de grond in onze tuin continu verzakte. Na de bominslag ben ik met Pa de kazematten in geweest. Door de klap was het puin van de ingestorte kuil in de opening van de gang blijven steken, zelfs de step van mijn zus zat erbij. Mijn vader had een pasje van een instantie gekregen om nog wat bruikbare dingen onder het puin vandaan te halen. Op een handkar die we van een kolenhandel tussen de Jekerstraat en de Sint Nicolaasstraat hadden geleend, laadden we nog spulletjes uit de puinhopen van ons huis. Enkele koperen vazen die de sporen van het geweld tonen heb ik bewaard. Mijn ouders kregen die vazen toen ze twaalf en een half jaar getrouwd waren.

Langs de Sint Servatiusweg, nu Anton Vliegenstraat en de Ambachtsweg was alles afgezet. Niemand mocht naar binnen. Gewapende Duitsers, gehuld in lange jassen liepen er rond. Ik kon geen rangen onderscheiden. Overal stonden ook van die Duitse legervoertuigen, DKW's die wij vanwege hun pruttelend geluid kwakkerkes (kikkers) noemden. Ze hadden van die schuin aflopende motorkappen. Niemand heeft bomfragmenten gevonden in het puin, want alles werd door de Duitsers grondig opgeruimd. Opvallend was dat bij latere bombardementen op de stad de platgegooide terreinen niet werden afgezet. Blauw Dorp is naar mijn mening de enige wijk geweest waar de Duitsers dat wèl deden. De vraag blijft: waarom?

Meerdere mensen, onder andere twee ooms van mij, hadden met eigen ogen gezien dat er géén sprake was geweest van een bombardement, maar dat er één vliegmachine met brandende staart naar beneden was gekomen. Iemand van de Heimoweg zei precies hetzelfde.

In wezen was het signaal veilig al gegeven. Omdat er nog gerommel hoorbaar was kregen mensen het advies om terug de schuilkelders in te gaan. Er klopte iets niet. We gingen terug naar beneden en even later  kwam dat ding naar beneden. Ik zat in de schuilkelder. Mia, mijn zus, stond buiten met Jean van Hooren, haar vriend van de Brouwersweg. Ze zagen die bom aankomen. Normaal zie je zo'n ding niet; dat heb je ineens op je dak. Beiden wilden door de huiskamer de kazematten in de achtertuin bereiken, maar kwamen niet ver. Jean dook onder een zware eikenhouten tafel, mijn zus kreeg een kast met puin op zich en was op slag dood. Jean leeft nog; hij kreeg echter veel puin naar binnen en had een geweldige wond aan zijn keel. Hij heeft er een fors litteken aan overgehouden. In totaal vielen er 24 slachtoffers.

Toen we voorlopig bij onze tante aan de Volksbondweg woonden, kwamen mensen informeren waar men zich op dat moment bevond en met hoeveel personen. Wij waren met zijn zevenen, vijf kinderen en twee ouders. Mijn oma, de moeder van Pa, die daar ook woonde, zei tegen mijn moeder"Pauline, zeg het dan van Mia!" "Hoe bedoelt u?", vroeg Ma. "Je weet toch dat Mia is doodgebleven?!" Maar mijn moeder wist dat op dat moment nog helemaal niet. De laatste keer dat ik mijn zus had gezien was toen dat luchtalarm afging. Voordat ik de trap afliep heb ik nog op een stoeltje gestaan en heeft Mia mij aangekleed. Ik heb haar na haar overlijden niet meer gezien; naar het schijnt was ze zwaar verminkt.

Vlak vóór de bevrijding trokken de Duitsers door de Volksbondweg, waar we toen voorlopig woonden, in de richting van de Blekerij waar ze een pontonbrug hadden gelegd.

Naast de St Lambertusschool aan de Volksbondweg was óók een schuilkelder; de Duitsers gingen bij een luchtalarm net zo hard als wij naar binnen. Ze wilden aan het eind van de oorlog natuurlijk ongeschonden thuiskomen en probeerden zich koest te houden.

Toen wij voor de zoveelste keer in de kelder zaten, kwam er iemand van de luchtbescherming die riep "Mevrouw Hofman, mevrouw Hofman?" De man moest de sleutel hebben van het huis aan de Volksbondweg 52 waar wij toen woonden. Er was brand uitgebroken. Ik hoor haar nog zeggen "Goh, zouden ze ons nu voor de tweede keer raken?" Ze gaf de sleutel mee, maar de man bracht hem even later terug omdat hij die niet meer hoefde. De deur was al ingetrapt. Wat het geval? Om radiofrequenties te verstoren gebruikten Amerikanen  aluminium bussen, buizen met daaraan een propeller die uit een vliegtuig werden gegooid.
Er zaten snippers in. Een zo'n ding was bij ons door het dak, het plafond en een bed heen een verdieping lager terechtgekomen. Was dat twee dagen eerder gebeurd, dan was een andere zus van mij doodgebleven. In een mansardekamertje lag een matras van kapok die door het projectiel uit elkaar was gereten en de zichtbare "rook" was niet van een brand, maar van het stof van kapok dat uit het bovenste raam van de slaapkamer kwam. Mijn ouders zaten nu met een kapotte deur, maar ze zouden niet de enigen zijn. Na de bevrijding werden overal deuren ingeslagen om NSB-ers uit woningen te halen. Het projectiel in kwestie dat iets langer was dan een meter stond naast de deur en was ineens weg.

In de nieuwjaarsnacht van 1944 op '45 is er ook een Duitse bom gevallen op de hoek Zakstraat - Herbenusstraat. Een huizenrij werd verwoest, het gezin Crapts kwam om. Op het Volksplein stond alles vol met Amerikaans afweergeschut onder camouflagenetten. Daarmee had men vergeefs geprobeerd het vliegtuig neer te halen. Het afweergeschut maakte een hels lawaai.

Na de bevrijding betrokken de Amerikanen de Sint Lambertusschool. Ook gingen ze in de buurt informeren of er leegstaande kamers waren. Mam had er een en Arnold en Freddy, twee officieren, namen bij ons hun intrek. Ze adviseerden ons om bij een luchtalarm altijd bij de kromming van een trap in de hoek te gaan zitten. Daar zaten wij dan ook toen die bom op de Herbenusstraat terechtkwam.

Een paar Amerikanen die in het in aanbouw zijnde ziekenhuis Sint Annadal waren ingekwartierd, zaten soms bij ons in de huiskamer. Ze zeiden dan dat ze die en die avond naar Brussel zouden gaan en met hun vliegtuigen het Ruhrgebiet gingen bombarderen.

Op een zondagmorgen hoorden we het geratel van een V1. Dat ding maakte zo'n geweldige herrie dat iedereen wakker werd en de straat opging. Het ding kwam op Wolder terecht.

Toen het Krèjje- en het Roeddörrep gebombardeerd werden, waren wij aan het voetballen op de Sint Pietersberg. De 'bal' was een prop papier met een oude fietsband en elastiekjes eromheen. Toen het luchtalarm ging, hoorden we toestellen over de Maas aankomen en renden we de grotten in. Pas op het Cannerplein werd het sein veilig gegeven, dat hadden we in de grotten niet gehoord. We hoorden toen pas van de verschrikkelijke gebeurtenissen."

Terug naar het verhalenoverzicht