Het oorlogsdagboek van Jef Engelen, mei/juni 1940

Auteur(s): Jef Engelen

Jef Engelen trad in oktober 1936 in Maastricht in militaire dienst als vrijwilliger. Hij werd in 1937 opgeleid tot beroepsmilitair in Venlo en Zuid-Laren. Deze opleidingen waren hard en zwaar. Na de afronding gaf hij zich op als beroeps. Dat was in 1940.

Niet lang daarna brak de oorlog uit….

"Steeds werd beloofd dat Nederland niet in de oorlog zou worden betrokken, maar in mei 1940 gebeurde wat niemand had verwacht: Duitsland viel Nederland binnen en daarmee was de oorlog een feit.

Op dat moment was ik in de kazerne in Maastricht als sergeant ingedeeld bij de bataljonscommandant.
 
En zo begon de ellende.

VRIJDAG 10 MEI 1940

Het was een heerlijke zomerse dag. Buiten stond alles in volle bloei. Alle militairen in de kazerne waren op, want er was waakzaamheid geboden. Wij zaten bij elkaar en vroegen ons af of het mogelijk zou zijn dat Duitsland na een gedane belofte ons land te ontzien alsnog Nederland zou binnenvallen. We spraken elkaar dan maar weer moed in in de hoop dat dat niet zou gebeuren.

Omstreeks 3.00 uur in de ochtend werden we opgeschrikt door het hevige gegrom van vliegtuigen. We renden naar buiten om te gaan kijken wat er aan de hand was en zagen toen 40 tot 50 Duitse vliegtuigen boven de stad cirkelen.

Wat had dit te betekenen? Zouden de Duitsers dan toch Nederland zijn binnengevallen? En ja hoor. Niet lang daarna wisten we het. Het was dus waar. Overal hoorden wij afweergeschut en andere vuurwapens.

Tien minuten later bereikte ons het wrede bericht 'De Duitsers hebben de Nederlandse grens overschreden.'

Dit nieuws ontnam ons een ogenblik de adem, maar even later werden wij door de bataljonscommandant aangemoedigd met de woorden: 'Jongens, hou moed! Ondanks de belofte van Duitsland Nederland niet binnen te vallen, is dat dus toch gebeurd. Het gaat nu om ons eigen leven en dat van de Nederlanders.'

Het was afwachten. Om 5.00 uur in de morgen kreeg ik van de bataljonscommandant de opdracht om met zijn dienstauto munitie te brengen naar de Scharnerweg waar ook onze militairen waren gelegerd. Zij waren door hun munitie heen en hadden gevraagd om aanvulling.

Nadat ik de wagen had geladen ging ik met een chauffeur, het geweer in de aanslag, naar de oude Sint Servaasbrug om van daaruit te proberen de Scharnerweg te bereiken.

Bij de oude brug werd ik door een sergeant gewaarschuwd dat ik die niet meer kon oversteken omdat ze al onder vuur lag van het Duitse leger.

Ondanks alles moest ik toch proberen mijn opdracht uit te voeren en wij parkeerden de auto met munitie in de Stokstraat. Ik ben toen naar de brug gekropen waar kapitein Vemer met militairen was en ik vernam van hem dat het onmogelijk was nog met de auto over te steken.

Op de brug vlogen ons de kogels van de Duitsers om de oren en moesten we dekking zoeken. Een van ons kreeg een schot in zijn arm.

Nadat we enige tijd op de brug hadden gelegen, gaf kapitein Vemer mij de opdracht met de auto en de munitie terug te gaan naar de kazerne en de bataljonscommandant te berichten dat de Scharnerweg onbereikbaar was geworden omdat de Sint Servaasbrug al onder vijandelijk vuur lag.

Na enkele omwegen om het Duitse geschut te ontwijken, kwamen we na een tijdje terug in de kazerne en meldde ik een en ander aan de commandant.

Ik kreeg toen de opdracht daar te blijven en nadere orders af te wachten.

Om ongeveer kwart over zes in de morgen stonden wij met zo'n 30 militairen achter het wachtgebouw toen wij vanuit de lucht werden aangevallen door Duitse vliegtuigen. We zochten dekking; niemand raakte gewond.

Wij bleven wachten bij het wachtgebouw op nadere orders. Na enige tijd kwam het bericht
'Terugtrekken naar België!', maar het was al te laat.

De aanvallen van de Duitsers waren zo hevig en snel, dat de Belgische militairen de bruggen tussen Limburgs en Belgisch gebied al hadden laten springen en het voor ons met groot materieel niet meer mogelijk was uit te wijken naar België.

Om ongeveer zes uur in de morgen van 10 mei 1940 bereikte ons in de kazerne het bericht dat de Maasbruggen niet meer waren te redden omdat de Duitsers Wyck al hadden bereikt. Even later kwam het bericht 'Bruggen laten springen!'

Toen sprong dan de eerste brug, de Sint Servaas. Om ongeveer 6.30 uur liet men de tweede, de Wilhelminabrug, in de lucht vliegen en even later de Spoorbrug. Het begon nu voor Maastricht donker uit te zien. Alles was van Wyck afgesneden.

Veel Duitse vliegtuigen bleven boven Maastricht cirkelen. We hoorden niets anders dan geschut en vroegen ons af wat er zou gebeuren indien de Duitsers het een of ander object zouden bombarderen.

In de stad zelf was behalve het springen van de bruggen niet veel gebeurd. Alleen de woningen in de omgeving waren flink beschadigd.

Om ongeveer 7.30 uur kwam het bericht dat Maastricht door de Duitsers was omsingeld en de overmacht zo groot was dat tegenstand bieden met ons materieel waanzin zou zijn. Even later werd de strijd gestaakt en de stad overgegeven aan de Duitsers.

Dit bericht kwam voor ons wel hard aan, maar op dit moment was er niet veel aan te doen en werd er ook gedacht aan de bevolking. Trouwens, de toestand van ons leger - gelet op de Duitse overmacht - was toen slecht. Men had teveel op anderen vertrouwd en er nooit rekening mee gehouden dat, ondanks de belofte van Hitler, toch moest of kon worden gerekend op een inval.

Na de capitulatie werden de Nederlandse soldaten verzameld in de kazerne. Daar werd gewacht op nadere bevelen.

De Maastrichtse bevolking liep langs de kazerne om te kijken of hun mannen, zoons of broers te zien waren.

In de namiddag van 10 mei 1940 werden veel Belgische militairen die krijgsgevangen waren gemaakt, naar Maastricht afgevoerd. Er waren veel gewonden.

De dag ging verder voorbij zonder bijzonderheden.

ZATERDAG 11 MEI 1940

Er waren nog steeds geen nadere berichten omtrent ons lot. We bleven in grote spanning afwachten.

Om ongeveer 15.00 uur hoorden wij het ronken van vliegtuigen boven de stad en even later kwam het afweergeschut van de Duitsers in actie.

Het bleek dat Engelse vliegtuigen een aanval deden op de noodbrug die de Duitsers hadden aangelegd over de Maas. Ook de kazerne waar veel Nederlandse militairen zich verzameld hadden, werd onder vuur genomen door de vliegtuigen. De aanval werd door de Duitsers afgeslagen.

Dezelfde dag om ongeveer 16.30 uur kwam voor ons het bevel 'verzamelen!' en zouden wij worden afgevoerd als krijgsgevangenen. Waar naartoe wist niemand. De Duitse militairen die ons moesten begeleiden, zeiden steeds 'Sie gehen bald wieder nach Hause!' en daar hoopten we dan ook maar op.

Toen wij vernamen dat we zouden worden weggevoerd, namen we mee wat we maar konden sjouwen. Even later ging het in de richting van de noodbrug die de Duitsers over de Maas geslagen hadden.

Nadat we enige tijd bij deze brug hadden gewacht, ging het richting overzijde van de Maas naar een wei bij de Ceramique. Daar was het weer afwachten.

De nacht hebben we hier doorgebracht. Een voordeel was er: het was goed weer en niet te koud.

We waren de nacht in gegaan zonder te hebben gegeten of gedronken en zaten dicht op elkaar om warm te blijven. Zo probeerden we na een zeer lange en vermoeiende dag nog iets te slapen. Ook de Belgische krijgsgevangenen waren bij ons.

12 MEI 1940. EERSTE PINKSTERDAG, 6.00 UUR

De zon scheen helder en wat was het erg dat we zo'n mooie pinksterdag op deze angstige manier moesten beginnen.

We hadden honger en dorst en moesten maar afwachten of we wel iets zouden krijgen. De hoop op een spoedige terugkeer naar huis was vervlogen. Wèl maakten wij nog enkele aanvallen mee van Engelse vliegtuigen die bommen probeerden te werpen op de Duitse noodbrug, maar zonder succes.

Om ongeveer 7.00 uur werden we naar een zusterschool gebracht tussen de Sint Servaas-  en de Wilhelminabrug. We waren toen met naar schatting 2500 Nederlandse en Belgische militairen.

We waren nog geen half uur in die school of de Engelse vliegtuigen deden weer een aanval op Duitse stellingen. Wat hadden we, dicht op elkaar gepakt, toch een angst, want wanneer een verdwaalde bom op de school terecht zou komen, zou er niets van ons overblijven! We baden God om bescherming en het was een grote gewaarwording om de gebeden van de  Nederlanders en de Belgen te horen.

Bij een tweede aanval van de Engelse vliegtuigen viel een bom op ongeveer 50 meter van de school in de Rechtstraat. Alles om ons heen trilde. Bij deze aanval verloren twee mensen het leven. Ze werden overgebracht naar de school waar wij zaten. Er werd voor hen gebeden.

De angst in de school was na deze luchtaanvallen niet meer te beschrijven. Het was verschrikkelijk en we hadden geen hoop meer totdat eindelijk om ongeveer 14.30 uur het bericht kwam dat wij zouden worden weggevoerd naar Sittard.

Te voet, bepakt, moe en slaperig gingen wij onder zware bewaking van Duitse militairen richting Sittard. Waar naartoe?

Onderweg maakten wij nog vaak droevige momenten mee, omdat veel vrouwen, kinderen of andere familieleden nog probeerden afscheid te nemen van hun mannen - vaders, zonen of broers.

Zo sjouwden wij richting Sittard. Langs de hele weg stonden mensen ons toe te wuiven. Ze huilden en gaven ons levensmiddelen, sigaretten en dergelijke, maar het was niet allemaal mee te nemen.

Om 22.00 uur kwamen we in Sittard aan, moe en afgemat. Daar werden we ondergebracht in een school aan de Kollenberg. We kwamen met 42 man te liggen in kleine kamertjes, maar  waren zo moe dat we blij waren ergens te kunnen liggen. Zonder iets te hebben gegeten of gedronken gingen wij zo goed als het maar kon tegen of over elkaar liggen en probeerden dan een poosje te slapen.

13 MEI 1940

Om 07.00 uur werden we weer verzameld. De Sittardse bevolking had voor boterhammen gezorgd en daar waren we natuurlijk allemaal heel blij mee.

Om 09.00 uur moesten we weer aantreden met veel en hard geschreeuw van de Duitse militairen en toen ging het in de richting van de Duitse grens. Niemand wist nog precies waarheen. Wel moet ik vermelden dat we van de Duitsers het eerste eten kregen sinds 10 mei: noodrantsoenen. Nauwelijks verteerbaar, maar bij gebrek aan wat anders toch welkom.

Om 10.00 uur passeerden wij de Duitse grens en hadden het vaderland verlaten. Voor hoelang?

Van de Duitsers kregen wij toen voor het eerst te horen dat we naar Heinsberg moesten lopen, zo'n 25 kilometer verderop. Daar arriveerden we om ongeveer 17.00 uur.

Na zo'n lange, vermoeiende dag hadden we gehoopt om eens uit de kleren te komen en een beetje te kunnen slapen, maar nee. We zouden direct verder moeten met de trein. Waarheen werd ons niet gezegd.

Nadat we enige tijd in Heinsberg hadden gewacht, werden we in veewagens gestopt; ongeveer 50 man in een spoorwagon. De deuren werden vergrendeld. Alleen twee kleine luikjes in de zijwanden werden opengelaten en zo vertrokken we. Niemand wist waarheen. Het werd echt een lijdensweg en we hoopten alleen maar op een spoedige oplossing, ongeacht welke, want wat men op zo'n moment voelt tart elke beschrijving.

In de veewagens werden veel mensen ziek of moesten naar het toilet, maar hoe? Men hielp elkaar. De ontlasting werd gedaan en er werd overgegeven in lege blikjes die men had meegenomen. We werden door de Duitsers behandeld als vee; daar was niets menselijks meer bij.

Nadat wij ongeveer 18 uur in deze veewagens hadden doorgebracht, kwamen we op 14 mei aan in Hemert (Westfalen) en daar werd ons verteld dat hier een Durchgangslager was gevestigd voor krijgsgevangenen.

In dit kamp aangekomen kreeg iedereen een deken en in een ons toegewezen kamertje konden we dan gaan rusten op de vloer. In elk kamertje zaten ongeveer 30 man.

's Avonds kregen wij voor het eerst iets warms te eten. Wat het was, wist niemand, maar ja, het was warm en na al die tijd niets te hebben gehad, was alles welkom. Om 21.00 uur werden alle kamers afgesloten en we probeerden weer wat te slapen. We waren dodelijk vermoeid.

15 MEI 1940

Om 06.00 uur moesten wij opstaan en aantreden.

In de loop van de morgen werd iedereen door een arts gekeurd. Daarna mochten wij ons een beetje verfrissen en moesten we weer  aantreden. Onze militaire uitrusting werd ons afgenomen en ook het geld dat wij bezaten. Particuliere eigendommen mochten we houden.

Ik had nog maar 17 cent op zak, want bij het wegvoeren uit Maastricht stond mijn oudste zus langs de weg en die had ik al het geld gegeven dat ik nog bezat, op die 17 cent na. Ik wist zelf niet eens meer dat ik het in mijn bezit had.

Omdat ik onderofficier was en de meeste kameraden van mij meer geld bij zich hadden dan 17 cent, werd ik niet geloofd door de Duitsers. Ik moest mij helemaal uitkleden. Alles werd nagezocht, maar meer dan 17 cent konden ze niet vinden.

Dezelfde dag kregen wij een stukje brood met koffie en wat warm eten. Dat moest je wel vlug verorberen, want als je er te lang mee wachtte kon je ermee behangen.

De rest van de dag was het maar weer afwachten wat er verder zou gaan gebeuren.

16 MEI 1940

De hele dag gebeurde er niets bijzonders. We gingen onder zware Duitse bewaking wat wandelen in het kamp en kregen overdag wat te eten.

Het roken was ook afgelopen. We hadden niets meer. Als er nog iemand was die nog iets had te roken, bijvoorbeeld een sigaret of een sigaar, werd er door acht man om de beurt aan getrokken.

De vraag die ons permanent bezighield was hoelang dit allemaal zou gaan duren.

De Duitse bewakers zeiden steeds 'Jullie gaan weer vlug naar huis!', maar wij geloofden dat niet meer.

Om 17.00 uur moesten we weer aantreden. De Hauptmann inspecteerde ons en maakte toen bekend dat we de volgende dag zouden vertrekken naar Neubrandenburg bij Berlijn. Ook werd ons toen medegedeeld, dat Amsterdam en Den Haag door hen waren ingenomen.

17 MEI 1940

Het eerste bericht die morgen was: Nederland heeft zich overgegeven!

Dat was voor ons zeer hard.

Om 08.00 uur gingen wij weer de veewagens in met ongeveer 50 man per wagon. Wij kregen een stukje brood, koffie en een stukje worst mee.

Zo bleven wij de hele dag in de veewagons met de deuren gesloten en hielpen elkaar voor zover mogelijk in deze moeilijke omstandigheden.

Onderweg mochten we een keer uitstappen om een luchtje te scheppen. De bewaking was verscherpt en de Duitse militairen liepen met de wapens in de aanslag.

18 MEI 1940

Nadat we ongeveer 30 uur in de veewagens hadden doorgebracht onder onmenselijke omstandigheden, kwamen wij omstreeks 16.00 uur aan in Neubrandenburg. We waren allemaal doodmoe.

In een kamp aldaar werden we ingedeeld en kreeg iedereen een nummer - het mijne was 27250. Tweemaal achter elkaar werden we toen ingeënt, nogmaals gefouilleerd, er werden vingerafdrukken gemaakt en als laatste van iedereen een foto.

Een voordeel hadden we wel. We werden niet kaalgeschoren. De ploeg die daar vóór ons was aangekomen was dat wèl, maar de Duitse leiding vond de Nederlandse militairen zo netjes op alle gebied, dat dat niet meer hoefde. Daarna werden we naar onze slaap- zitkamer gebracht.

Deze kamers waren gemaakt in een barakkenkamp. In elk daarvan waren 42 personen ondergebracht. Er waren drie bedden boven elkaar, zogenaamde kribben waar een beetje houtwol in lag en voor ieder een paardendeken. Wij waren blij dat wij eindelijk, na zo'n lange tijd, eens tot rust konden komen. De spanningen waaronder wij gebukt gingen waren al groot genoeg. Wij gingen die dag dan ook vroeg in de krib.

19 MEI 1940

Om 06.00 uur was het weer opstaan geblazen.

Als barakcommandant hadden wij een Duitse militair die, zoals we naderhand hoorden, in de strijd tegen de Polen een zodanige verwonding had opgelopen dat hij niet helemaal normaal meer was.

Zo liepen we al negen dagen in onze militaire kleding zonder die ook maar een keer te hebben kunnen uittrekken.

Wassen ging in het kamp niet. Zeep was er niet, scheren ging ook niet en zo liepen we dan rond als schooiers.

Om 07.00 uur moesten we buiten aantreden en kregen iedereen wat koffie. Naderhand mochten we in het kamp - dat door geschutstorens geheel was omsingeld - wandelen. Werken werd ons niet verplicht.

Om 11.00 uur moesten we weer aantreden. Per twee man kregen we een kommetje met twee lepels. De vraag was, wat we te eten zouden krijgen. In het kamp was alles een verrassing.

Nadat we ongeveer vier uur in de rij hadden gestaan in wind en regen, kregen we per twee personen een kommetje soep (warm water) en per vijf man aardappelen (zogenaamde  Pellkartoffel) en toen maar smullen met de ogen dicht, want anders ging het niet. Zo lekker was het.

Eén ding moet ik wel zeggen: we werden door de Duitsers niet meer slecht behandeld.

Om 20.00 uur moest iedereen weer in zijn kamertje zijn en mocht ook niemand meer eruit, want kwam iemand na die tijd nog buiten, dan werd er onherroepelijk geschoten vanuit een van de uitkijktorens.

Na dat tijdstip liepen er ook gewapende militairen om het kamp en als het donker werd, was het geheel door schijnwerpers verlicht. Het was ook afgemaakt met enkele meters hoog prikkeldraad dat onder hoogspanning stond.

We hoopten allemaal op een spoedig einde aan dit alles, maar soms waren er ook momenten dat het ook niemand meer iets scheelde hoe het zou aflopen.

Iedere avond werd de rozenkrans gebeden en soms deed het je erg veel pijn als je al je kameraden op de krib zag liggen in afwachting van wat er verder zou gaan gebeuren.

Het was een gevoel dat niet in woorden is te bevatten; dit moest je zelf ondervinden.

Van 20 tot en met 22 mei 1940 gebeurde er niets bijzonders.

23 MEI 1940

Die dag moesten wij om 10.00 uur aantreden om een toespraak van de Hauptmann aan te horen.

Hij deelde ons mee dat de Führer alle Nederlandse krijgsgevangenen zou vrijlaten, maar dat het nog wel vier tot zes weken zou duren voordat we naar Nederland konden terugkeren.

Het was voor ons een prettige mededeling, maar Duitse beloften geloofde niemand meer.

Of het de waarheid was moesten wij maar afwachten en we vroegen ons af wat de reden van deze vrijlating zou kunnen zijn.

Van 24 tot en met 31 mei 1940 gebeurde er niets bijzonders. Het was maar afwachten.

Op een bepaald moment kwam na onderling overleg het idee bij ons op om aan de Duitse commandant te vragen of er een mogelijkheid was om in het kamp voor de katholieken een mis bij te wonen.

Op 1 juni 1940 werd dat bij de legerleiding aangevraagd en inderdaad werd ons toegezegd dat over het een en ander zou worden gesproken.

Een dag later - op 2 juni 1940 - kregen wij toestemming een mis bij te wonen in het kamp in de open lucht. Van aardappelkisten hadden wij een altaar gemaakt en banken geplaatst waarop een Duitse priester de mis zou opdragen.

Er waren tussen de drie en vier duizend Nederlanders bij deze mis aanwezig.

Aan beide zijden van het 'altaar' stonden Duitse officieren die toezicht hielden.

Nadat de Duitse priester iedereen de absolutie had gegeven, werden tijdens de mis door meerdere onderofficieren de hosties uitgereikt. Daaraan voorafgaand waren hun handen door de priester gezegend.

De plechtigheid was voor iedereen een aangrijpend moment. Velen huilden en dit zou ook nooit iemand kunnen vergeten.

De priester had wel van de legerleiding instructies gekregen met betrekking tot de duur van de mis. Hij mocht ook  geen preek houden.

Wij waren de Duitsers hiervoor toch zeer dankbaar. Het interesseerde ons niet wat hun bedoeling hiervan was.

Mannen die al jaren niet meer naar de kerk waren geweest, kwamen nu misschien op heel andere gedachten.

Het was een mooie dag geweest.

Van 3 tot en met 6 juni 1940 gebeurde er niets bijzonders.

7 JUNI 1940

Die dag mochten wij onder Duitse begeleiding gaan wandelen buiten het kamp. Wij maakten toen een wel zeer droevig voorval mee. Een van onze kameraden was overleden aan darmknoping. Het was jammer dat dit nu moest gebeuren, even voordat de eerste mannen terug zouden gaan naar Nederland.

Het was een jongen uit Hulsberg die een vrouw en drie kinderen achterliet. We hebben hem mogen begraven onder leiding van een priester op een klein kerkhof achter het kamp. De kist werd gevolgd door zo'n 50 Nederlandse en acht Duitse militairen. Het was een zeer aangrijpende aangelegenheid.

Op 8 en 9 juni 1940 gebeurde er niets bijzonders.

10 JUNI 1940

De mooiste dag in het kamp. Het eerste transport met kameraden ging terug naar Nederland. De vreugde bij hun vertrek was niet te beschrijven. Terug naar Nederland!

Om de paar dagen ging een ploeg terug en toen was het mijn beurt, na enkele weken wachten, met de laatste ploeg.

In het kamp verbleven ook Belgische en Franse krijgsgevangenen. Het was voor hen een zeer moeilijk moment toen zij hoorden dat de Nederlanders naar huis mochten.

Ik heb mij toen wel vaker afgevraagd waarom wij wel en de anderen niet?

Het antwoord heb ik pas veel later vernomen. Voor de Duitsers had de opzet ons naar huis te sturen nooit beantwoord aan het beoogde doel.

Nadat we ruim twee dagen per trein hadden gereisd (aanzienlijk comfortabeler dan toen wij in mei 1940 naar Neubrandenburg waren weggevoerd), arriveerden wij in Arnhem.

Ondanks de bezetting werden we overal door onze landgenoten hartelijk ontvangen.

We werden naar een grote muziekhal gebracht. Daar konden we, voor het eerst in weken, onze kleren eens uittrekken. Wij moesten eerst douchen en daarna werden we onderzocht op eventuele ziekten.

Nieuw ondergoed en kleding werd ons aangereikt en toen de administratieve kant van de terugkeer was afgehandeld, werden we ondergebracht bij mensen in Arnhem die zich daarvoor vrijwillig hadden opgegeven.

Met een vriend werd ik opgevangen door een postbode. Het was maar voor een of twee dagen, want men had ons verteld dat alle beroepsmilitairen zich zo spoedig mogelijk moesten melden in Den Haag.

Bij aankomst thuis bij de postbode was de eerste vraag 'Hebben jullie honger? Ik zal eerst wat eten voor jullie klaarmaken en wel spek met eieren!'

Wij wisten niet wat we hoorden. Spek met eieren? Wij hadden bij aankomst in Nederland het idee gehad dat er niets meer te krijgen zou zijn. En het werd dan spek met eieren!

Nadat we weken geen of slecht eten hadden gehad, begonnen we vol goede moed aan de eerste fatsoenlijke maaltijd in Nederland. Spek met eieren…. Hoewel het er heerlijk uitzag, lag het ons daarna toch zwaar op de maag.

Weken hadden we geen vet gehad in Duitsland en ook veel te weinig goede voeding. Ik was in die tijd veertien kilo afgevallen.
Hoe lekker het eten in Arnhem ook was, het viel niet goed en die avond en nacht zijn wij dan ook flink ziek geweest.

De tweede dag ben ik naar Den Haag gegaan om mij daar als beroepsmilitair te melden. Ik vernam dat ik eerst naar Maastricht mocht om mijn familie weer te zien, maar me na een paar dagen in Tiel moest melden bij de Opbouwdienst. Wat dat precies was, was mij toen nog totaal onbekend.

Omdat er toen zo goed als geen treinen reden en er ook weinig verkeer op de weg was, heb ik lang moeten zoeken voordat ik de weg vond naar Maastricht. Nadat ik een tijdje had gelift had ik geluk en kon met een auto meerijden tegen betaling.

Zo kwam ik vanuit Den Haag terug in Maastricht waar ik zeven weken eerder als krijgsgevangene werd afgevoerd.

Het was een zeer gelukkig moment toen ik mijn moeder weerzag na een tijd dat niemand wist waar je was en of je nog leefde. Mijn vader was in 1939 overleden.

Eind juni 1940, voor zover ik me nog kon herinneren, moest ik me melden bij de Opbouwdienst.

In Tiel ontmoette ik sergeant Dresen, een oudere beroepsmilitair, die ook werkte voor de Opbouwdienst.

Deze sergeant werd later wegens het werken voor de ondergrondse door de Duitsers doodgeschoten".

Dit verhaal werd door Jef Engelen (1916-2000) opgetekend na zijn pensioen in 1981.

Het wordt welwillend ter beschikking gesteld van Zicht op Maastricht met toestemming van zijn weduwe Maria, wonende aan de Statensingel 12a, 6217 KD in Maastricht. Telefoon 043-321 82 44.

Terug naar het verhalenoverzicht