Herinneringen van jef Engelen (vervolg; gedeelte)
Auteur(s): Jef EngelenMet sergeant Dresen werd ik ingekwartierd bij een familie die voorheen in Nederlands Indië had gewoond; mensen met een hart van goud en die ook alles voor ons deden wat maar in hun vermogen lag.
Sergeant Dresen vertelde me dat de Opbouwdienst een instantie was waar je moest werken met de schop. Ook kreeg je als sergeant toezicht over een aantal andere militairen, net als voorheen in het leger. Het opperste commando berustte echter bij de Duitsers. Voor hen moest je dan ook de militaire groet blijven brengen.
Toen ik dit allemaal hoorde, zonk me de moed in de schoenen en nam me ook direct voor om de eerste de beste kans om weg te komen aan te grijpen.
Enige tijd later trof in in Tiel nóg een sergeant, P. Rutten, die met mij in Maastricht krijgsgevangen was gemaakt, maar later in een ander kamp terechtgekomen was.
Iedere dag bij de Opbouwdienst begon met aantreden en kregen we orders van de Duitse militairen.
Nadat ik enkele keren met collega Rutten had gesproken, besloten we om bij de Opbouwdienst weg te gaan zodra zich een gelegenheid voordeed.
Na de terugkeer uit het krijgsgevangenschap kreeg ik in Den Haag te horen dat het zesjarencontract dat we in 1936 als vrijwillig militair hadden getekend wèl geldig bleef en zodoende ook de mogelijkheid bleef bestaan om over te kunnen stappen naar een andere overheidsdienst, bijvoorbeeld het Ministerie van Financiën, de Nederlandse Spoorwegen, de PTT, en dergelijke.
Begin juli 1940 kreeg ik te horen dat er in Nederland duizend ambtenaren voor de grensdienst werden gevraagd. Nadat we informatie hadden vergaard en ik overlegd had met Rutten, spraken we af naar deze functies te solliciteren in de hoop dan snel weg te komen bij de Opbouwdienst. Om te kunnen solliciteren moest men zich melden in Utrecht.
Enkele dagen later gingen Rutten en ik op weg naar Utrecht. Het gebouw waar we moesten zijn is mij niet meer bekend, maar, eenmaal daar, stonden er zeker 3 tot 4000 mensen in een rij te wachten om in aanmerking te komen voor plaatsing als ambtenaar bij het Ministerie van Financiën. Het waren militairen van alle denkbare legeronderdelen.
Nadat we uren in de rij hadden gestaan en er maar heel weinig beweging was gekomen in die rij, zijn wij in arrenmoede weer teruggegaan naar Tiel. We waren van mening dat er inmiddels wel duizend mensen zouden zijn aangenomen voordat we aan de beurt waren.
Ik kon die nacht de slaap niet vatten omdat ik per sé weg wou bij de Duitse Opbouwdienst.
De volgende dag zei ik tegen Rutten: "Kom, wij gaan nog eens naar Utrecht. Ook al worden we niet aangenomen, we zijn dan in ieder geval weer een dag weggeweest van de Opbouwdienst!"
We gingen terug naar Utrecht. Eenmaal daar, stond er weer een rij van ongeveer duizend man. Enige hoop op succes hadden we niet meer. Als we nu nog aan de beurt zouden komen voor een gesprek, zou het een wonder zijn.
Ik kreeg weer een invulformulier en wachtte af.
Iedere keer werden twintig mensen tegelijk toegelaten om te worden getoetst. Na lang wachten kwamen we toch nog aan de beurt en liepen naar een grote zaal waar mannen met norse blikken aan tafeltjes zaten.
Ik moest gaan zitten aan een tafel en nadat ik mijn naam had genoemd, begon de meneer tegenover mij een gesprek.
De eerste vraag luidde: "Waarom wil jij ambtenaar worden? Weet je wel wat het betekent om veldwerk te gaan doen om het smokkelen tegen te gaan?"
Mijn antwoord luidde: "Ik had helemaal geen ambtenaar willen worden om achter smokkelaars aan te zitten. Ik wil dit militair uniform uit en wegwezen bij de Opbouwdienst onder Duits commando. Ik woon in Maastricht en ken veel ambtenaren van de Grensdienst daar. Ik heb er zelfs goede kennissen, maar als ik toch als ambtenaar zou worden aangenomen, zal ik proberen om mijn plicht zo goed mogelijk te doen."
Hij informeerde toen naar mijn schoolopleiding en algemene ontwikkeling. Daarna kon ik vertrekken. "Ga maar rustig naar buiten. Daar hoor je wel verder."
Toen ik buiten de andere sollicitanten zag - en er waren erbij van ongeveer twee meter lang - dacht ik 'Zo'n kereltje als ik hebben ze bij die ambtenaren niet nodig!' Ik geloofde er op dat moment ook niet meer in.
Nadat ik enige tijd had gewacht, kwam een man aanlopen. Hij had een briefje waarop meerdere namen stonden.
Hij vroeg even om stilte en begon de namen af te roepen.
"De heer Engelen moet zich om 20 juli [1940] melden bij de Directie der Belastingen in Zwolle." Ik stond bovenaan zijn lijstje.
Ik schrok toch wel even, maar was wel weer blij dat ik eindelijk het uniform kon uittrekken.
Rutten hoorde zijn naam niet afgeroepen worden en was erg teleurgesteld.
Toen we het gebouw uitliepen, kwam de man die de namen had afgeroepen ons achterna. "Wachten jullie eens even! Ik zie dat ik een naam vergeten ben. De heer Rutten moet zich op 20 juli aanstaande ook melden bij de Directie in Zwolle!"
Dolgelukkig verlieten we het gebouw en gingen zo snel mogelijk terug naar Tiel. Daar kregen we een ontslagbrief aangereikt.
Toen ik enige tijd weer terug in Maastricht was, kreeg ik een brief van de inspecteur en sectiechef dat ik overplaatsing moest aanvragen naar een standplaats in de omgeving van Maastricht, want als ik weer naar Zeeland zou terugkeren en het met mijn moeder bergafwaarts zou gaan, was voor mij de treinreis van Zeeland naar Maastricht niet meer te betalen. Ik had toen een loon van ? 3,00 per dag.
Ik was de inspecteur en sectiechef dankbaar voor dit bericht, vroeg om informatie bij de standplaats Beek (Limburg) in en diende een verzoek in tot overplaatsing.
Ik verbleef op dat moment nog steeds in Maastricht. Na enige tijd kreeg ik bericht van het Ministerie via de inspecteur te Terneuzen dat het verzoek was afgewezen, omdat ik in Maastricht was geboren en Beek daar te dicht in de buurt was.
Niet veel later stierf mijn moeder en ben ik weer teruggegaan naar Sint Jansteen.
Na mijn terugkeer daar had ik een onderhoud met de inspecteur. Die kon niet geloven dat het Ministerie mijn verzoek tot overplaatsing had afgewezen omdat ik in Maastricht was geboren.
Hij zei toen dat ik een nieuw verzoek tot overplaatsing moest indienen met als standplaats Beek. Ik deed aldus.
Omdat mijn moeder overleden was, had ik totaal geen hoop meer op een positief bericht. Ik had immers geen reden meer tot overplaatsing.
Na enige tijd gebeurde er werkelijk een wonder. Mijn tweede verzoek tot overplaatsing werd, zonder geldige reden, wèl ingewilligd.
Had ik die overplaatsing niet gekregen, dan had mij dat ook niets kunnen schelen. In Zeeland had ik het niet slecht, maar nu zich de gelegenheid voordeed ging ik tòch naar Beek. Ik hoopte nog steeds dat de oorlog snel voorbij zou zijn.
Op 11 augustus 1941 meldde ik mij in Beek bij mijn nieuwe sectiechef en ook bij de inspecteur in Sittard.
Ik kwam bij een slager in de kost.
Beek bleek een mooie standplaats te zijn. Voor zover ik mij kan herinneren, bestond onze ploeg uit vijftien oudere ambtenaren en vijf die een militair verleden hadden.
Het gebied dat wij moesten controleren strekte zich uit van Geulle tot en met Stein, de zogenaamde Maasband. Ook hadden wij controlerende taken in tabaksfabrieken en distilleerderijen.
Er was genoeg te doen. Voor de smokkelaars was het werkterrein door haar ligging uitermate gunstig.
Het betrof hier een echte sportbeoefening, tenminste zo lang de smokkelaars het ook als een sport beschouwden. Dat gebeurde niet altijd. Het ging er ook wel eens hard aan toe.
De grens tussen Nederland en België liep in het midden van de Maas; daarnaast liep het Julianakanaal. Door de oorlog waren er tussen Geulle en Stein nog maar twee bruggen over dat kanaal intact.
Er woonden in die buurt ook veel smokkelaars die vaak zeer moeilijk te pakken waren, maar met veel moeite lukte dat wel eens. Het kwam ook wel eens voor dat je er lelijk naast greep, zelfs na uren van observeren.
In Elsloo woonde een zekere familie St. vlakbij het Julianakanaal. De leden waren zo bedreven en uitgekookt en genoten zo'n grote aanhang, dat ze zeer moeilijk te pakken bleken tijdens het smokkelen. Dit hadden we al vernomen van collega's die vóór het uitbreken van de oorlog al in Beek opereerden.
In het café naast mijn kosthuis kwamen ook veel smokkelaars, ook de hierboven genoemde familie uit Elsloo.
Het gebeurde dat ik, buiten dienst, onder het genot van een glas bier in dat café heel veel mensen had leren kennen en je ook met hen vertrouwd raakte.
Vroeg of laat werd er afgedwaald van het onderwerp en het gesprek ging dan uiteindelijk over smokkel. De betrokkene, die dan meer gedronken had dan hij bleek te kunnen verdragen, werd loslippig en vertelde een verhaaltje dat uiteindelijk leidde tot inbeslagname van smokkelwaar, vooral als er ruzie onder smokkelaars was ontstaan.
Terug naar het verhalenoverzicht