Herinneringen aan Buchenwald III

Auteur(s): Het verhaal van een anonieme Maastrichtenaar die inmiddels overleden is.
Redactie: Rob Kamps

5 april 1945
"De volgende dag al verbrak de commandant zijn belofte. Om twee uur 's middags liet hij bekendmaken dat alle joden - en dat waren er duizenden - drie uur later op de appèlplaats moesten aantreden. Zij zouden op transport worden gesteld met onbekende bestemming.

Het was iedereen onmiddellijk duidelijk dat al die mensen zouden worden vermoord. Al werden de Nazi's verslagen, al zouden de illusies van een duizendjarig rijk ook in rook opgaan, al moest het SS-schorem op de puinhopen van de Duitse steden sterven, één van de idealen van Hitler moest tot elke prijs in vervulling gaan. De Führer had gezworen de joden auszurotten. Zolang ze in zijn macht waren, zouden ze allemaal worden uitgeroeid.

Tot en met oktober 1944 werden er in Auschwitz 2.750.000 joden vergast en verbrand; daarbij kwamen nog de duizenden die in Mauthausen werden vermoord en zij die op transport en in de ziekenzalen stierven.

Ook de 6000-7000 mensen in Buchenwald, van wie driekwart een paar dagen eerder met een van de gruwelijkste transporten als wrakken waren teruggekeerd, zouden worden vermoord.

Met minachting voor het eigen leven renden mensen naar het quarantainekamp en de joodse blokken in het grote kamp om het dringende advies te geven niet naar de appèlplaats te gaan. De kamppolitie, bestaande uit gevangenen die opdracht had het transport voor te bereiden, stak geen hand uit.

In de blokken werd beraadslaagd en overal kwam men tot hetzelfde besluit: de joden zouden niet worden uitgezonden. Voorzover dat nodig zou zijn, zouden wij hun lot delen….

In de omgeving van de jodenblokken zag het zwart van niet-joodse gevangen. De mensen die pas waren aangekomen hadden in de zoutmijnen gewerkt, twaalf uur per dag; ze waren verstoken geweest van de buitenlucht, ze hadden op stro geslapen en in een totaal verpeste atmosfeer geleefd. Het waren wrakken in zo'n slechte toestand zoals Buchenwald ze nooit eerder had gezien.

De tocht naar Buchenwald had hen hoop gegeven: 'misschien, heel misschien brengen wij het er nog levend vanaf'. De optimisten onder ons hadden dit geloof nog versterkt. Hoe weinig leven er in de uitgeteerde lichamen nog resteerde, men hing aan het leven.

En nu kwam die nauwelijks verhulde mededeling: de joden zouden worden vermoord.

Ook wij, niet-joden, hingen aan het leven. Velen van ons waren al op het nippertje aan de dood ontsnapt. Van uur tot uur groeide de hoop op een spoedige bevrijding. Misschien was dit ook van invloed op de bravourstemming waarin wij elkaar beloofden de joden onder geen beding aan hun lot over te laten.

De joden uit het grote kamp die in de vijftig blokken voor niet-joden waren ondergebracht, werden verstopt onder de vloeren en boven de vlieringen. Tegenover de aanval van het SS-krapuul op de zieken, de kreupelen, de wrakken en de velen met bevroren ledematen stonden we machteloos. Ze werden met gummiknuppels en revolvers uit het quarantainekamp naar boven gejaagd.

Indien we niets zouden ondernemen, zouden er ongeveer 4000 zieken en zwakken enkele uren vóór de bevrijding worden afgemaakt.

Opnieuw misleid
De nummers van 46 medegevangenen werden afgeroepen met het bevel onmiddellijk bij de poort te verschijnen. Het waren de nummers van hen die in het Pathologisch Instituut hadden gewerkt en in het laboratorium waar experimenten op de gevangenen werden toegepast.

Hier waren de laatste jaren 800 menselijke proefdieren na injecties bezweken. De 46 gevangenen, waaronder vijf Nederlanders, moesten sterven om de Nazi-'wetenschap' van ooggetuigen te verlossen.

Meteen werd in de woonblokken doorgegeven dat deze gevangenen zich onder geen beding mochten melden, maar in het kamp moesten onderduiken. Achteraf bleek dat ze dit advies goed hadden opgevolgd, met prima vermommingen en met verandering van naam en nationaliteit.

Het was te verwachten dat deze weigering om te verschijnen heel wat deining zou veroorzaken bij de SS-leiding. Het niet opvolgen van een bevel was iets ongehoords in het kamp. Een paar maanden eerder zou dat hier beslist niet in Buchenwald zijn gebeurd. Toen liepen we allemaal als hazen wanneer ons nummer werd afgeroepen om aan de poort te verschijnen.

Om tien minuten voor acht snauwde een stem door de microfoons: "Waar blijven de 46 gevangenen die om acht uur besteld zijn?" De commandant ontbood de chef van de betrokken dienst - iemand die volledig op de hoogte was en het plan mee bedacht had om de 46 kroongetuigen van de misdaden der Nazi-wetenschappers te laten ontsnappen. Hij maakte de commandant wijs dat hij iedereen precies op tijd aan de poort had gezien en er niets van begreep dat ze niet voorgeleid waren.

Op dat ogenblik kwam er een groot transport binnen uit Langensalen waarmee de commandant zich had bezig te houden. Het was een groot transport met wagens vol doden en zieken. Het crematorium kreeg 800 lichamen te verwerken en het kleine ziekenkamp moest er zo'n duizend man méér opnemen. Hiertoe behoorden gevangenen, ook Nederlanders, die pas vier weken eerder waren uitgezonden en die nu meer op skeletten dan menselijke wezens leken. Iedereen wist dat de bemoeienissen van de commandant met dit transport enkel uitstel konden betekenen van de maatregelen die onvermijdelijk als offer voor het niet verschijnen van die 46 mensen zouden volgen.

6 april 1945
De spanning steeg tot een haast ondragelijke hoogte, ook bij de SS. De bevelen door de microfoon klonken nerveus; de beulen snauwden nóg brutaler dan voorheen.

Dankzij onze radio wisten wij dat veel andere kampen al waren geëvacueerd. We wisten wat ons lot zou zijn indien wij daarheen zouden worden gestuurd. We wisten ook dat de SS in staat zou zijn ons allemaal te vermoorden en het kamp te vernietigen vanwege het niet verschijnen van die 46 man en het onderduiken van een groot aantal joden. Deze dingen zouden onmogelijk zijn geweest wanneer niet het hele kamp daaraan had meegewerkt.

Toch hielden wij ons naar buiten toe kalm. Vooral zij die ervan op de hoogte waren dat het kamp niet van wapens verstoken was. Velen hielden dan ook rekening met de mogelijkheid, hoe gering ook, van verschil van mening tussen de Wehrmacht en de SS. In ieder geval stond het vast dat wij ons niet zouden laten evacueren.

Op de voorgeschreven tijd gingen we naar bed, maar van slapen was geen sprake. Elk ogenblik konden de om het kamp opgestelde mitrailleurs beginnen te vuren. Een tractatie op een bombardement was evenmin uitgesloten. Alle vijftig blokken hadden bijzondere wachten uitgezet. Om tien uur 's avonds verschenen er twee SS-artsen in ons blok die het bevel gaven dat alle zieken en zwakken onmiddellijk moesten opstaan om onderzocht te worden. Daarmee stond het voor ons vast dat de commandant ondanks al zijn mooie praatjes toch liet evacueren.

Verder bestond er geen twijfel: zij die niet op eigen benen mee konden marcheren zouden achterblijven om te worden vermoord.

Om een uur 's nachts werden alle blokchefs opgeroepen om bij de arbeidsbeurs te verschijnen. Er was haast bij, want het commando luidde 'looppas!'

Om twee uur kwam men de slaapzalen binnenstormen. Iedereen moest direct opstaan en zijn biezen pakken. We zouden waarschijnlijk naar Dachau worden geëvacueerd. Dat betekende dat we het eerste stuk moesten marcheren en onderweg mogelijk in treinen werden gestopt. Brood kon niet worden verstrekt want er was niets.

7 april 1945
Vanaf vier uur 's ochtends stonden we gereed. Dat wil zeggen, we hadden onze rugzakken gepakt en de deken er bovenop gerold. De hele manoeuvre was op zichzelf al gekkenwerk. Nog geen fractie van de gezonde mannen zou in staat zijn om zwaar bepakt gedurende enige dagen te marcheren. Wij waren echter ook nog niet weg.

Intussen kwam er net om vier uur weer een nieuw transport binnen, wéér met veel doden en zieken. Het was een ellendig intermezzo, maar het bracht ontspanning. De SS stond namelijk niet toe dat de gevangenen zo'n transport van dichtbij onder ogen zouden krijgen. Zo gingen er wel weer enige uren voorbij voordat het bevel tot evacueren definitief werd gegeven.

Om acht uur 's ochtends kwam dat bevel. "Blokken, bloksgewijs, zoals bevolen voor de appèls, naar boven marcheren!"

Niemand ging….
Iedereen vroeg zich af hoe de reactie zou zijn. Zou de SS gaan schieten? Dat zij dit incident over zich heen zou laten gaan was uitgesloten. Mogelijk zou men het vliegveld bellen met het verzoek ons het kamp uit te bombarderen. We moesten afwachten. De ingewijden wisten één ding zeker: we moesten ons leven duur verkopen.

Om tien uur werd de kampoudste nummer 1 bij de commandant ontboden. Hij verklaarde dat de gevangenen niet bereid waren zich te laten evacueren en wel omdat het onvermijdelijk was dat er duizenden uitvallers zouden komen, maar vooral omdat ze bang zouden zijn om door de Amerikanen te worden beschoten.

De commandant, die niet in zijn eerste leugen gestikt was, vertelde dat hij op bevel van Berlijn handelde en dat men er daar genoegen mee nam wanneer er voorlopig 20.000 van de 48.000 man zouden worden geëvacueerd.

De kampoudste ging overleg plegen met zijn vertrouwelingen en de blokoudsten. Men concludeerde dat weliswaar geprobeerd moest worden de aftocht te rekken, maar dat in het uiterste geval het bevel moest worden opgevolgd.

Niet alle gevangenen konden zich met dit besluit verenigen toen zij ervan hoorden.

In ieder geval was er weer één dag gewonnen, want het transport zou de volgende dag plaatsvinden.

8 april 1945
De twaalf man van de nachtbewaking van ieder woonblok hadden niet bijzonders waargenomen, maar rustig geslapen hadden we niet. Het begon al met de mededeling bij het opstaan dat een extra liter watersoep zou worden verstrekt want er was weer eens geen brood aangekomen. Er waren mensen die door de spanning de honger niet voelden, maar er waren er ook die juist door de toenemende spanning de honger nog minder konden verdragen.

Om tien uur kwam er wéér een bevel uit de SS-toren. Het hele kamp moest om twaalf uur op de appèlplaats aantreden. Dit zou zijn om, met het oog op de voedselvoorraad, precies vast te stellen hoe sterk het kamp was. Deze truc werd natuurlijk door iedereen gelijk herkend. Intussen was men erin geslaagd de uittocht sterk in te krimpen. Het eerste transport zou slechts 5000 man sterk zijn.

Geen enkel blok ging naar boven.

Collectief werd geweigerd naar de appèlplaats te gaan, zodat de SS om twaalf uur geen sterveling zag verschijnen, terwijl deze moordbrigade gewend was dat iedere gevangene voor haar kroop en deze keer moest ervaren dat de 46 tewerkgestelden in het laboratorium niet waren komen opdagen, een groot deel van de joden niet was verschenen, met de uitzending van 20.000 man mogelijk opzettelijk werd getalmd en het bevel om op het appèl van twaalf uur te verschijnen collectief werd gesaboteerd. Daarop stond slechts enkel de doodstraf….

En toch werd er nog niet geschoten. De commandant riep de kampoudste nr. 1 ter verantwoording en dientengevolge kregen alle blokoudsten het bevel in de Schreibstube te verschijnen. Alle kampstraten werden afgezet door kamppolitie en brandweer. Dat was op zichzelf niet verontrustend, omdat het onze eigen mensen waren. Het was echter duidelijk dat er iets stond te gebeuren. We wisten nog niet dat inmiddels 2000 SS-ers uit Weimar, allemaal bewapend met geweren en pistolen, het kamp waren binnengemarcheerd.

Het nieuwe bevel luidde: "Om twee uur iedereen naar boven!"

Het bevel werd door niemand opgevolgd. De commandant liet om één uur informeren waar de eerste 20.000 man bleven. Hem werd medegedeeld dat men niet met lege magen kon marcheren….

De keuken had inmiddels brood gekregen. Gevraagd werd om eerst de mensen te laten eten. Hoezeer we ook naar een stuk brood snakten, het was ons natuurlijk niet om het eten te doen, maar om tijd te winnen.

De commandant liet weten dat de blokken het brood zouden kunnen afhalen; het eerste transport zou dan tegen vijf uur moeten afmarcheren. Hij hield zich daar natuurlijk niet aan. Tegen drie uur werden enige blokken door honderden SS-ers, bewapend met geweren en knuppels, bestormd om alle gevangenen al schietend en slaand naar buiten te krijgen. Om drie uur was het Nederlandse blok aan de beurt. Er zat niets anders op dan naar de appèlplaats te marcheren. Kamppolitie en brandweer waren inmiddels door SS vervangen en daardoor was ook vluchten onmogelijk.

Daar stonden we dan. Wij die het besluit hadden genomen om niet te gaan.

De SS had kennelijk haast. Blok voor blok werden de gevangenen onderzocht en, voor zover niet al te gebrekkig, naar buiten gejaagd.

Het Nederlandse blok stond achteraan op de appèlplaats. Daardoor werd het mogelijk armbanden van verplegers en van de ordedienst uit te reiken, waardoor een aantal mensen van de appèlplaats kon verdwijnen. Zelfs de SS was niet in staat om op een enkele avond 48.000 man weg te werken. Wie tussen haar vingers doorglipte was althans voor één dag gered. Tot ons genoegen werd er 's avonds om acht uur groot luchtalarm gegeven voor de nadering van Britse vliegtuigen.

Om zeven uur waren er 18.000 man geteld en weggeleid. De rest werd in werkbarakken ondergebracht en zou de volgende dag gaan marcheren. De Nederlanders zagen kans onderdak te vinden in een grote garage.

Verzetslieden
Bij de kamppolitie en de brandweer, die nog van de evacuatie verschoond waren gebleven, werkten een paar mensen uit het Nederlandse verzet. Samen met enkele andere kameraden die nog enige vrijheid genoten, ondernamen zij een actie om een aantal van ons met controle- en verplegersbanden uit de garage te smokkelen.

Ik was gelukkig één van hen en kwam met enkele vrienden om half negen 's avonds in het blok terug. Daarna konden geen Nederlanders meer aan het dodentransport worden onttrokken, omdat het na dat tijdstip verboden was in het kamp rond te lopen.

We waren niet eens blij met onze verlossing. Daarvoor was de spanning te groot en we beseften maar al te goed dat de ongeveer 150 Nederlanders die in de garage waren achtergebleven in ernstig levensgevaar verkeerden.

Onze nieuwe blokoudste was een Nederlander. We hadden tot dan toe een Duitse blokchef gehad. Hij nam zich voor om met enkele mensen uit het verzet en mannen van de hulppolitie de volgende ochtend naar de garage te gaan om de anderen te verlossen.

9 april 1945
's Ochtends om zes uur gingen deze vrienden naar de garage om de eerste Nederlanders weg te halen. De werkplaats was echter leeg. Samen met 8500 Russen, Polen, Italianen en criminele gevangenen waren de 150 Nederlanders om vier uur buiten de poort gebracht.

We hebben onze landgenoten niet meer gezien en zijn er ook niet meer in geslaagd om iets omtrent hun lot te vernemen. Dat transport is spoorloos gebleven.

Ook voor de 21.000 man die het voorrecht hadden nog aan de goede kant van de poort te blijven stond nu wel vast dat ze op transport zouden worden gestuurd. Met het uur werden hun kansen op bevrijding echter gunstiger. Via de radio vernamen we dat de Amerikanen Eisenach, 80 kilometer van Weimar, hadden ingenomen.

10 april 1945
De Nederlandse voormannen waren te weten gekomen dat de Duitse blokken het laatst zouden worden ontruimd. De SS had het dus voornamelijk voorzien op de buitenlanders. Onze nieuwe blokoudste ging toen overleg plegen met een Duitse collega die onmiddellijk bereid bleek om 75 Nederlanders onder te brengen. Met een ander blok was al een overeenkomst gesloten voor 40 man. De overblijvende 60 Nederlanders kregen gelegenheid om op eigen houtje onderdak te gaan zoeken in de verder afgelegen blokken.

Tegen elf uur werden een paar duizend man uit het quarantainekamp weggevoerd. Daarbij waren ook de 50 mannen uit ons blok. Dit transport zou het laatste zijn.

Een hachelijke onderneming
De gevangenen die de dagelijkse leiding hadden in het kamp stelden al wat mogelijk was in het werk om de overblijvende 21.000 man te redden.

Onder de Wehrmacht en zelfs onder de SS waren er enkelen die al lang van te voren de goede kant uitgezwaaid waren. Met hun hulp was het mogelijk geworden onder meer een motorfiets en een uniform in handen te krijgen. Eén van de 46 ter dood veroordeelde lotgenoten wist op deze motor, vermomd als Duits soldaat, het kamp uit te komen. Hij reed op topsnelheid de Amerikanen tegemoet.

Intussen had onze kampleiding ervaren dat Buchenwald 's avonds met fosforbommen zou worden bestookt. Daarna zouden duizend vlammenwerpers de rest doen, terwijl de mitrailleurs in actie waren en de zeven belangrijkste gebouwen zouden opblazen.

Geen gevangene mocht levend in Amerikaanse handen vallen. Dit alles kon de koerier op de motorfiets de Amerikanen mededelen, waarop hun comandant besloot om Erfurt en Weimar links te laten liggen en regelrecht op Buchenwald af te stormen.

Daarmee zouden wij op zichzelf nog niet, althans niet voor het grootste deel, gered zijn geweest. Onze redding hebben de Amerikanen bereikt door vanaf 's ochtends negen uur Buchenwald onder zwaar luchtalarm te houden.

Meer dan zeventig bommenwerpers kruisten onafgebroken boven de SS-kazernes die buiten het kamp stonden. De SS-ers liepen gevaar en het was in hun belang dat groot alatm gegeven werd. De meeste beulen bleken angsthazen. Die van de SS waren het zonder uitzondering, van hoog tot laag. Zij kropen de schuilkelders in, waardoor het uitzenden van transporten tijdens de opmars van de Amerikanen onmogelijk werd.

Onze redding dankten we in de eerste plaats aan de onbekend gebleven motorrijder en vervolgens aan de Amerikaanse bevrijders. We waren nog niet vrij, maar wisten dat dat nu een kwestie van uren zou zijn.

Tegen twaalf uur hoorden wij door de SS-microfoon dat iedereen het kamp moest verlaten. Dat betekende dat de Duitsers op de vlucht sloegen….

Twee uur later wachtte de gevangenen een bijzondere verrassing. Alwéér met behulp van overgelopen SS-ers had men er in de loop van de tijd kans gezien enkele duizenden geweren, pantservuisten en ander wapentuig het kamp binnen te smokkelen. Plotseling kwam het bevel dat enkele duizenden gevangenen die al dienst gedaan hadden als blokbrandweer, als reserve-kamppolitie, of vroeger in het leger hadden gediend, om naar buiten te komen.

Wapens werden ter hand gesteld en de mannen namen bepaalde posities in. Zij zouden van binnenuit ingrijpen zodra hulp van buiten in zicht kwam. Intussen hoorden wij al artillerievuur en het gegrom van pantserwagens……

Door onze verrekijkers zagen we dat de SS-ers hun geweren weggooiden. Vervolgens trokken ze op vrachtwagens en in privé-auto's met de heren officieren en hun familieleden de poort uit.

Iemand met een verrekijker riep dat de eerste legervoertuigen in zicht waren. We hoorden schoten en plotseling was er het gejuich uit 21.000 kelen. De hakenkruisvlag werd gestreken. In plaats daarvan werd er een witte beddenzak in de toren gehesen.

Vrijheid...  

Velen konden hun tranen niet bedwingen. Rond vier uur verscheen kampoudste nr. 1 op de toren om ons toe te spreken: "De Nazi-pest heeft afgedaan! We zijn allemaal vrij. Hoe groot is onze dankbaarheid jegens de Amerikanen. Hulde en dank aan de leiders van de geallieerden Roosevelt, Stalin en Churchill."

De spanning ontlaadde zich nu in een overdovend applaus dat minutenlang aanhield. We renden de straat op om elkaar te feliciteren. Gevangenen die in de bunkers waren opgesloten werden bevrijd.

De ondergedoken joden kwamen juichend tevoorschijn. De 46 vermomde gevangenen sloten zich weer bij ons aan.

Bij de zieke stumperds in het quarantainekamp groeide de hoop op herstel. Spoedig zou het hen aan niets meer ontbreken.

Om acht uur werden de luidsprekers ingeschakeld. De Amerikaanse commandant ging ons toespreken!

"Kameraden - Namens de geallieerde legers zeg ik u die de gevangenschap in Buchenwald zolang heeft doorstaan, hartelijk dank en betuig ik u onze bewondering voor de moed waarmee u de Nationaal Socialistische barbaarsheden heeft gedragen. Aan u allemaal komt grote lof toe voor de wijze waarop u, ieder in eigen land, de strijd tegen het fascisme heeft gevoerd. Wat wij in de laatste uren hebben gezien van de verschrikkingen waarmee het Nazi-dom zich bezoedelt, is mensonterend. We zijn het in de eerste plaats aan de slachtoffers die de bevrijding niet overleefden schuldig deze afgrijselijke toestanden aan de wereld bekend te maken.

U bent nu vrij en het is mij een groot voorrecht u allemaal een spoedige terugkeer in uw vaderland toe te wensen. Wat in onze macht is zullen wij doen om dit te bevorderen."

Deze rede was het sluitstuk van de elfde april, een datum en een sluitstuk dat wij ons tot de laatste snik zullen herinneren.

De volgende morgen, voor het eerst in acht jaar in Buchenwald geen schreeuw 'Raus aus dem Bett!' Wij gingen onze schade inhalen. De portie brood werd verdubbeld. We kregen boter en honing en 's middags soep maar - geen overbodige maatregel - nog met weinig vet. Iedereen kreeg tien sigaretten.

Daarnaa hoefden we niet meer naar het werkcommando!

Na de bevrijding
Hoe dankbaar we ook waren, bij de meesten groeide toch van uur tot uur het ongeduldig verlangen om naar huis te gaan. Ons Nederlanders beklemde het dat het er in het vaderland zorgelijk uitzag. De radio deed ons schrikwekkende mededelingen. Maastricht was inmiddels bevrijd, maar het was niet uitgesloten dat de door de Duitsers bezette steden nog op het laatste moment in puinhopen zouden worden veranderd. Wij hoopten dat, als wij straks als vrije mannen zouden terugkeren, we onze vrouwen, kinderen, familie en vrienden nog terug zouden zien. Met de angst voor hun lot stonden we nu op en gingen we naar bed. Toen voelden we ook steeds sterker de leegte door tal van vrienden achtergelaten, die na maanden, soms jaren van moedig lijden juist vlak vóór de bevrijding door dat krapuul werden vermoord.

Wij schrokken bij de gedachte aan de duizenden moeders, vaders, vrouwen en kinderen die ons bij onze terugkeer zouden vragen of hun dierbaren nog mochten verwachten. Velen zouden we niet de boodschap moeten brengen dat hun zoon, broer of vader werd vermoord door die barbaren. Van de 21 man die uit een klein stadje in Nederland hierheen werden gevoerd, waren er nog twee over. Deze twee zouden straks aan 19 families het bericht moeten brengen dat zij hun mannen nooit meer terug zouden zien. Het zou weken duren voordat zij weer zonder een vorm van schuldgevoel door hun woonplaats zouden kunnen lopen en de rouwende families konden begroeten die hen het zouden kwalijk nemen dat ze het hadden overleefd.

De Amerikanen
Al de dag na hun komst begonnen de Amerikanen met het organiseren van vrachtwagen-excursies vanuit Weimar en Erfurt naar Buchenwald. Deelname was verplicht. De inwoners van die steden moesten met eigen ogen zien voor welke misdaden het Duitse volk in zijn geheel verantwoordelijk was.

In groepen van 200 werden zij op hun macabere tocht door het kamp geleid; geen bijzonderheid, hoe gruwelijk ook, bleef hen bespaard. Zulke lugubere excursies werden voordien nergens ter wereld gehouden en nooit eerder werden deelnemers met zoveel weerzin en walging tijdens zo'n uitstapje voortgedreven.

Men begon bij het quarantainekamp. Daar lagen nog een paar slachtoffers uitgeteerd op de smerige slaapbritsen. Men was al begonnen hen met uiterste voorzichtigheid naar de in beslaggenomen ziekenhuizen van de SS over te brengen. In de barakken hing nog de stank van verrotting van jaren. Langs de muren stonden de afzichtelijke slaaphokken met een tussenruimte van een halve meter tot driehoog op elkaar gestapeld. Daarin was plaats voor ten hoogste 400 mensen, maar er werden er 1600 in geperst.

Van barak tot barak werden de bezoekers langs en door het vuil gesleept en van aangezicht tot aangezicht tegenover de skeletten in de slaaphokken gesteld die in hun erbarmelijke toestand de Duitse burgers zwijgend beschuldigden: "Auch Ihr seit dafür verantwortlich!"

De Duitsers werden voorkomend behandeld. Bang hoefden zij niet te zijn en toch was hen de angst van het gezicht te lezen.

In de hal van het crematorium lagen de lijken, geheel ontkleed, bij honderden en honderden opgestapeld. De beenderen staken bij de uitgeteerde lichamen door het vel heen. Velen staarden met wezenloze dodenogen naar de Duitse burgers, die het liefst hun ogen afwendden en wier blik toch telkens weer met magische kracht gericht werd op de afschuwelijke taferelen. Een groot aantal vrouwen viel in onmacht. De meesten, ook de mannen, hadden moeite zich uiterlijk te beheersen. Lijkwit en ontdaan kwamen ze het crematorium binnen waar meer dan 50.000 slachtoffers in de ovens waren verbrand. Daar zagen ze nog de beenderen van gevangenen die een week eerder het kamp waren binnengekomen. Voortdurend moesten ziekenverplegers vrouwen en mannen bijbrengen. Vervolgens werd de tocht voortgezet naar de galgen waaraan honderden een onterende dood hadden gevonden en naar de bokken waarop duizenden hun 25, 50 en meer slagen met de gummiknuppel of van ijzerdraad gevlochten zweep hadden gehad.

In het Pathologisch Instituut kregen de bezoekers, behalve de overblijfselen van de misdadige wetenschappelijkheden ook de lampekappen te zien die gemaakt waren van getaoeeerde mensenhuiden.

Langs de steengroeven, waarin duizenden bezweken, slenterde het Herrenvolk onder de Amerikaanse bewaking naar een tribune waarvoor plechtig halt werd gemaakt en waar een doek hing: "Wir gedenken die 51.000 Toten die in Buchenwald gefallen sind."

Tenslotte, om te zorgen dat Buchenwald geen van de bezoekers ooit nog zou loslaten, werden zij naar de SS-hospitalen geleid waar honderden lagen te sterven .

(wordt vervolgd)

Terug naar het verhalenoverzicht