Herinneringen aan Buchenwald II
Auteur(s): Het verhaal van een anonieme Maastrichtenaar die inmiddels overleden is.Redactie: Rob Kamps
Iedere dag tweemaal appèl
" 's Morgens om 6 uur had het appèl plaats. Alle werkenden werden daarna in de groepen, waartoe ze behoorden, met muziek buiten de poort gebracht om naar de werkcommando's te gaan.
Zij die door ziekte of gebreken niet in staat waren om het werkcommando te volgen, verzamelden zich ook in een groep en mochten dan na een half uur op vertoon van het ziekenbriefje in hun woonblok terugkeren. 's Avonds om 6 uur had het grote tel-appèl plaats. Al regende het pijpenstelen, al lag de sneeuw een meter hoog op de modderbrij, al beefden de vermagerde ledematen bij 12 of 15 graden vorst - het appèl ging door. Precies op tijd en voor iedereen.
Deze appèls duurden minstens een uur. Als wij er met één uur vanaf kwamen, voelden wij ons gelukkig. Dikwijls stonden we echter in de modder, in de regen, in snerpende kou twee uur, drie uur, vier uur…. En langer. Alles hing er vanaf of de telling klopte. Iedere man, gezond of ziek, dood of levend, moest op het appèl verantwoord worden. Na een foute telling begon het appèl gewoon opnieuw. Ordnung muss sein. Ook in Buchenwald. Een Duitser is gründlich, dus ook de SS-crimineel.
Had een gevangene kans gezien - dit gebeurde overigens hoogst zelden - om te ontsnappen, dan stonden wij uren en uren buiten totdat uitgeplozen was wie van de 30 tot 40.000 man ontbrak.
Ook zieken hadden zich op het appèl te melden. Wie niet lopen kon en mensen met flegmasie (open benen) moest naar de appèlplaats worden gedragen. Wie griep had of longontsteking mocht op het appèl niet ontbreken. Dit hoefde niemand te verwonderen, want menselijk leed telde in Buchenwald niet.
Wie tussen 17.00 en 18.00 uur overleed en dus niet meer vóór het appèl uit de bestanden kon worden geschrapt, wat bij de tientallen sterfgevallen per dag meer regel was dan uitzondering, moest naar de appèlplaats worden meegenomen. De overledenen konden niet op de gewone manier worden afgevoerd zonder het totaal der tellingen in gevaar te brengen. Deze gang van zaken was niet in woorden uit te drukken, in het bijzonder voor de vrienden van het slachtoffer die het lijk te versjouwen hadden. De onwaardig behandelde, wiens lichaam enkele uren in de regen in de modder was gelegd, had er in ieder geval geen weet van.
Straffen
Op het weglopen, vooral van Russen of Polen, werd bij arrestatie de doodstraf uitgevoerd. Dit gebeurde door een nekschot of door ophanging aan de galgen. Een enkele keer werden de veroordeelden tijdens het appèl opgehangen. Dan moesten de verschillende blokken de executie bijwonen. Bij die gelegenheid werden de vuisten gebald en de tanden op elkaar gezet, om geen waarneembaar geluid van afkeer of verzet te tonen.
Er bestond een speciale bok waarop gestraften werden gelegd om voor een overtreding 25, 50 en soms 75 slagen met een gummiknuppel of een van staaldraad gevlochten zweep te krijgen. Vaak werden dan ook de nieren geraakt en stukgeslagen. Het was geen uitzondering dat tijdens deze folteringen de dood intrad. Wie het er levend afbracht, was na maanden nog bont en blauw.
Vóór mijn tijd (ik arriveerde in 1944) ging het er nóg vreselijker aan toe. Er was SS-gespuis dat van de gruwelijkste wreedheden genoot. Het kwam voor dat men gevangenen, nadat ze zich hadden moeten uitkleden, liet bukken. Dan werden hun polsen en enkels gebonden, een slang werd in de darmopening gebracht en hierdoor werd vervolgens een vloeistof gespoten. Dit ging door totdat de ingewanden in stukken door de mond naar buiten kwamen. De slachtoffers bezweken meestal tijdens deze sadistische praktijken.
Een andere methode met dodelijke afloop ging als volgt: de gevangene werd aan een katrol opgetild met de handen geboeid. Daarna werden de benen met touwen gebonden en gespreid. Vervolgens werd onder de gehangene een rechtop staande boomstam geplaatst en de katrol weer losgelaten. De slachtoffers vielen dan met hun stuit op de boomstam en stierven een paar uur later van de pijn.
De buitencommando's
Op transport gesteld te worden naar een buitencommando was ook al levensgevaarlijk. Velen kwamen er niet van terug. Vooral oorden met vrouwennamen als Dora en Laura genoten een zeer slechte reputatie, bijna net zo slecht als Mauthausen en Langenstein. Van de mannen die in de zout- of kwikmijnen tewerkgesteld werden, stierven er velen zonder dat ze ooit nog het daglicht te zien kregen. In de mijnen werd gegeten en op stro geslapen. Frisse lucht was er even schaars als andere elementaire dingen die het leven mogelijk maakten.
Het werk in de mijnen was bovendien ontzettend zwaar. De gevangenen waren geheel naakt en zij transpireerden de hele dag door. Het eten dat ze kregen was niet beter of slechter dan het magere kamprantsoen dat al is beschreven.
In de gipsgroeven werd de atmosfeer voortdurend verpest door stofwolken die het ademhalen bemoeilijkte. Desondanks werden de gevangenen er twaalf uur per dag voortjegaagd.
In Dora en Langenstein moesten de gevangenen eerst tunnels graven en die daarna verwijden tot ruimten waarin ondergrondse fabrieken werden ingericht. Het boren van tunnels hield in dat men twaalf uur per dag met een zware boormachine boven het hoofd bezig was. Waren er voldoende gaten geboord, dan werden deze met springstof gevuld. Na de ontploffingen werkten de gevangenen uren achter elkaar in een verpestende stank en een dichte mist van stof.
Aangezien het werk hier meestal in het donker gedaan werd, gebeurde het vaker dat iemand een losgeschoten stuk steen op zich kreeg en daarbij zwaar gewond raakte of gedood werd.
Vijf maanden vóór de bevrijding arriveerde er uit Langenstein een wagon vol zwaargewonden in het ziekenhuis van Buchenwald. Iedereen had verpletterde lichaamsdelen door het vallen van grote brokken steen in de toekomstige ondergrondse vliegtuigfabriek.
De voormannen waren belast met het toezicht. Zij waren gerecruteerd uit criminelen en zorgden ervoor dat het tekort aan voedsel door een overdaad aan slagen werd aangevuld.
Van de door honger uitgeputte, zwaar mishandelde slachtoffers uit Langenstein overleefde slechts een enkeling in het ziekenhuis van Buchenwald.
Bij de tunnelbouw in Langenstein werkten 87 Nederlanders. Drie waren er aan het einde van de oorlog nog in leven; 84 waren er ten gevolge van ongevallen, uitputting en mishandeling gestorven. In Dora, Laura, Mauthausen en andere moordfabrieken was het niet veel beter.
De gevangenen die op transport gingen kregen nieuwe, althans andere kleding aan dan hen bij binnenkomst in het kamp werd gegeven. De nieuwe kleren waren evenmin duurzaam. In de mijnen en tunnels en bij het maken van ondergrondse werkplaatsen moest in het halfdonker worden gewerkt en vonden dagelijks grote en kleine ongevallen plaats die niet alleen de mensen maar ook hun uitrusting beschadigden. De gevangenen werkten en sliepen in dezelfde kleren; het laatste was het geval omdat er geen matrassen of stro werden verstrekt. Binnen zeer korte tijd liepen de gevangenen weer in vodden.
Veel Nederlanders, ook ik, hadden het voorrecht gehad om door bemiddeling van twee kameraden die in het kledingatelier werkten van betere kleren te worden voorzien. Ze waren van joodse gevangenen in Auschwitz geweest die daar waren vermoord.
Het was een bijzonder onprettig gevoel in de gestolen kleren van mensen te lopen die niet meer in leven waren, maar het was nog veel onaangenamer om kleding aan te hebben die kort geleden een dode had omhuld.
Om te voorkomen dat we er al te netjes uit zouden zien en een vlucht door het bezit van enigermate toonbare kleren zou kunnen worden bevorderd, knipte men uit de broeken, jassen en overjassen grote stukken weg, waarvoor een stof met een zebra-motief werd ingenaaid. Door deze opvallende verandering zou de Duitse bevolking onmiddellijk een vluchteling uit Buchenwald herkennen.
Wie het lijden van de slachtoffers had gezien, beefde van ergernis over het feit dat de Nazi-beulen gelegenheid hadden zich door zelfmoord aan hun gerechte straf te onttrekken.
Het bombardement
Op 24 augustus 1944 kwam de Britse Royal Air Force en bombardeerde Buchenwald. We waren allemaal opgetogen toen we de vliegtuigen hoorden ronken en mochten ook de ravage zien die ze aanrichtten, al deed het tóch pijn te ervaren dat ze onder de gevangenen veel slachtoffers maakten.
Het bombardement was niet tegen ons of de SS gericht, maar tegen de in het kamp ondergebrachte oorlogsindustrie. Net als de meeste andere concentratiekampen leverde Buchenwald haar aandeel in de fabricage van oorlogsmateriaal.
In de loop der jaren werden er in Buchenwald grote fabrieken door de gevangenen gebouwd. Daarbij vloeide heel wat bloed en vielen er letterlijk duizenden onder de zweep van de Gestapo.
De Gustloff-Werke in Buchenwald bestonden uit dertien grote hallen waarin tenminste 8000 mannen geweren, munitie, munitiewagens, vliegtuigonderdelen en ander oorlogsmateriaal vervaardigden.
Bovendien waren in zes hallen de Mibau-Werke ondergebracht, waarin 4000 mensen in slavendienst onderdelen maakten voor de V1 en V2. Aan materiaal was er in 1944 nog geen gebrek. Toen ik er tewerk werd gesteld, vond ik onder meer een magazijnstaat waarop 22 kilometer koperdraad voorkwam, een hoeveelheid die waarschijnlijk door geen enkele verzamelplaats waar dan ook benaderd werd.
In de beide grote ondernemingen werd er zwaar gesaboteerd. Ik heb mij vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat de SS - die voor elke kleinigheid het doodvonnis voltrok - de sabotage in de werkplaatsen maar door liet gaan. In 1944 werd er 80 procent van de gefabriceerde geweren afgekeurd.
Bij het bouwen van een munitiewagen werd er twintig keer de normale tijd gewerkt. Geen enkele kabel voor de V1 of V2, geleverd door het industriële complex van Buchenwald, werd goedgekeurd.
Geconfronteerd met deze jammerlijke resultaten kon het niet verwonderen dat de houding van SS-controleurs en opzichters in burger tegenover de gevangenen niet bijster gunstig was. Wie 's ochtends bij het binnenmarcheren in de fabriek niet snel genoeg liep, kreeg een klap met een karwats op het hoofd.
Op die manier werd er ook angstvallig voor gezorgd dat er in de gedachten van de gevangenen geen sprankje hoop op enige verbetering kon ontstaan. De ijver om te saboteren verflauwde daardoor ook geen ogenblik.
Wij waren ervan overtuigd dat de geallieerde bommenwerpers de fabrieken zouden verwoesten, maar ook dat die vernietiging ten koste van vele gevangenen zou gaan.
Op 24 augustus 1944 verschenen Britse bommenwerpers en zij voerden hun opdracht met precisie uit. Alle Gustloff-Werke lagen plat nadat de eskaders verdwenen waren; ook de zes Mibau-Werke. Bovendien waren de grote garages, waar dagelijks honderden personen- en vrachtwagens in reparatie werden afgegeven, vernietigd. Zo ook de officierswoningen; kortom: alles dat met de oorlogsindustrie in verband stond. Het mag een wonder heten dat een dergelijke destructie niet meer dan 300 mensenlevens eiste, terwijl er 600 mensen zwaar gewond raakten.
Van een aantal moest arm of been geamputeerd worden en velen hadden ernstige hoofdwonden. Het steeds tot de nok gevulde ziekenhuis moest onmiddellijk ruimte maken.
Dag en nacht waren doktoren en verplegers, zelf allemaal gevangenen, in touw geweest. Sommige chirurgen hanteerden 36 uur onafgebroken het mes. Veel gevangenen met een EHBO-diploma meldden zich als noodverplegers. Nog maanden daarna deden zij met de artsen in lange werkdagen hun plicht.
In het woonblok van de Noorse studenten werd een noodziekenhuis ingericht waarin honderd gewonden werden opgenomen. Vrijwel iedere Noorse student deed dienst op de ziekenzaal, waardoor iedere patiënt over een eigen verpleger beschikte.
Deze Noren behoorden tot de zeer bevoorrechten die regelmatig van het Rode Kruis pakketten ontvingen en dus over levensmiddelen, vitaminen en geneesmiddelen beschikten. Al wat deze mensen rijk waren, stelden zij ter beschikking van de aan hun toevertrouwde gewonden die daardoor niet meer hoefden te teren op beschimmeld brood en koolraap watersoep.
Het was uitsluitend aan de goede zorgen van artsen, verplegers en zaalhulpen, allemaal gevangenen die zich met volkomen overgave aan de gewonden hadden gewijd, te danken dat de meeste gewonden onder de gruwelijkste omstandigheden Buchenwald genezen konden verlaten.
Wetenschap en kunst
Buchenwald had een gezaghebbend laboratorium waar Duitse geleerden onderzoekingen verrichtten om de beste middelen te ontwikkelen tegen vlektyfus en andere besmettelijke ziekten. Daartoe pasten zij vivisectie toe, niet op konijnen of cavia's, maar op gevangenen. Honderden van hen offerden in de loop der jaren in het onderzoeksblok no. 46 hun leven op, om de Duitse wetenschap te dienen.
Aan een bijzondere vorm van Nazi-kunst betaalden weliswaar geen honderden, maar dan toch wel tientallen mensen met hun leven.
De vrouw van de vorige commandant had ontdekt dat er een bijzonder artistieke korting uitging van de schemerlampen in haar huiskamer wanneer zij die voorzag van kappen, gemaakt van getatoeëerde mensenhuiden. Zij had met deze ontdekking school gemaakt bij andere Nazi-dames. Kwamen er gevangenen binnen met een getatoeëerde huid, dan werden zij in het ziekenhuis met een spuitje uit hun lijden geholpen, gestroopt en weldra verhoogde hun versierde huid de gezelligheid in menige Nazi-huiskamer.
Een Amerikaanse commandant had bij de bevrijding van Buchenwald beslag weten te leggen op sommige van deze lampen, daterend uit de jaren 1938-'41. Hij stelde ze ten toon voor de duizenden burgers uit Weimar en Erfurt, die verplicht werden de kampgruwelen te aanschouwen.
De honger
We hebben een tijdlang 400 gram brood per dag gehad en nauwelijks ander voedsel, waarop de meesten van ons lang en hard moesten werken. Daarna nam de hoeveelheid af tot 300 gram en tenslotte tot 250 gram.
Uitsluitend op zo'n klein stukje brood en, gelet op de voedingswaarde, volstrekt waardeloze watersoep hadden wij na augustus 1944 moeten leven. Daarna kwamen er geen pakketten met levensmiddelen meer door. Bonen, erwten, meelkost of vitaminehoudende groenten kregen we niet meer te proeven, evenmin als vet of suiker. Zolang er geen pakketten kwamen, was het de gewoonte bij de goedgezinde gevangenen om te delen met hen die totaal verstoten waren. Naderhand konden de ergste hongerlijders enkel gegholpen worden door het afstaan van Steckrübensuppe. Het was geen genot om zo'n uitgemergeld skelet te zien glunderen bij een extra portie lauw vocht.
De broden waren oud, vaak beschimmeld en ze stonken. Geen kruimel ging echter verloren. Er waren hongerlijders zat die ze naar binnen schrokten.
Van de wagens met schillen en afval van knolrapen die vanuit de werkkeukens naar de varkensmesterij werden vervoerd kwam ten hoogste de helft van de lading bij die dieren aan. De karren werden onderweg bestormd door uitgemergelde gevangenen die hun zakken met de inhoud vulden.
Een maand of drie vóór de bevrijding, toen de honger velen razend maakte, kwam het vaker voor dat vlees gesneden werd van de lijken van overledenen. Dat kannibalisme gebeurde gelukkig op beperkte schaal.
De meeste gevangenen probeerden het lijden te ontwijken door vroeg te gaan slapen. Werd er niet gewerkt, dan lag men dag en nacht in bed.
Plundering van pakketten
In augustus 1944, nog vóór het bombardement, werd ons van hogerhand meegedeeld dat tot nader order geen voedselpakketten meer zouden worden afgeleverd. Wat duizenden families bijeen hadden gespaard of door waanzinnig hoge prijzen op de zwarte markt hadden gekocht om het leven van hun man, zoon of vader iets dragelijker te maken, werd door de SS uitgepakt en onder die smeerlappen verdeeld.
Sigaretten en tabak werden voor de officieren bewaard, de levensmiddelen en lekkernijen gingen naar de kazernes waar de nieuwe lichting SS-ers werd opgeleid. Het was niemand toegestaan zijn familie te berichten dat het nutteloos was in de toekomst nog pakketten te sturen. Op die manier kreeg dat krapuul er duizenden in handen. De gevangenen werden niet in het ongewisse gelaten omtrent de opofferingen die de familie zich voor ons had getroost. Het mag als een staaltje van opmerkelijke zin voor humor of deutsche Gründligkeit getuigen dat men ons steeds in het bezit stelde van een lege doos of het pakpapier.
Toch hebben we nog één keer van de van ons gestolen pakketten genoten. Dat was bij het bombardement van 24 augustus. Het was blijkbaar door de Britten tot in detail voorbereid; de vleugels van de SS-gebouwen kregen voltreffers. Daarin lagen de pakketten torenhoog opgestapeld. Alles ging in vlammen op….
Die pakketten waren aan ons geadresseerd en wij kregen het lege omhulsel. Bijgevolg hadden wij de gebruikelijke tien Pfennig administratiekosten te betalen en te tekenen voor ontvangst. Achteraf bleek dat we al veel langer werden bestolen. Ik heb niet eens de helft van de mij toegezonden pakketten in handen gekregen.
De Duitsers in de omgeving van het kamp, de kennissen en familieleden van het SS-schorem, konden van deze officieel toegelaten, maar niet verordende grootschalige diefstal zeggen dat ze van niets wisten. De gedupeerden geloofden het niet.
Hoe dichter de Amerikanen Thüringen naderden, hoe harder de dieven werkten om onze bezittingen weg te slepen. Honderden koffers, gevuld met onze ringen, horloges, vulpennen, geld en kleding zijn vóór de bevrijding uit Buchenwald weggesleept.
Het moeten treinen vol geweest zijn waarmee de bezittingen van gevangenen onder de Nazi-families werd verdeeld, want de diefstal beperkte zich niet tot hetgeen de 48.000 man die het kamp de laatste maanden herbergde bij hun aankomst hadden afgestaan. Buchenwald was een doorgangshuis. De nummers liepen van 1 tot 120.000 en zijn enkele keren gebruikt. Ik was de vierde die zijn naam verwisselde voor een bepaald nummer. Toen ik dat de tweede dag na mijn aankomst hoorde en vernam dat drie dodennummers mij naar het crematorium waren voorafgegaan, was ik niet bepaald hoopvol gestemd op mijn toekomst. Aan mijn bezittingen dacht ik zelfs niet meer.
Wanneer men de waarde van hetgeen de gevangene aan lijfgoed en sieraden meebracht op niet meer dan honderd gulden stelde, dan bleek dat de Nazi's ons in dat opzicht alleen al voor meer dan tien miljoen gulden bestolen hadden. Daarbij kwam nog wat wij aan contant geld bij ons droegen. Het Herrenvolk roofde voor miljoenen en miljoenen guldens, dollars en francs van ons.
We wisten dat we, ook al zouden we het er levend afbrengen, nooit meer iets terug zouden zien van wat wij het kamp hadden binnengebracht, of van wat ons was toegezonden. Ik geloof echter niet dat een enkele van ons zich daar één ogenblik zorgen over heeft gemaakt.
We hadden slechts één streven: levend en niet te dicht bij de dood in een zebrakostuum dit oord te verlaten omdat wij aan het leven, de familie en onze vertrouwde omgeving hingen en ook om alles te kunnen navertellen.
Kunst en vermaak
Buchenwald had zelfs een bioscoop. De gevangenen maakten er echter nauwelijks gebruik van. De bewoners van het quarantainekamp was toegang ontzegd. De bewoners van het grote kamp werd de entreebewijzen bloksgewijs ter beschikking gesteld. De films waren oud en grijsgedraaid en natuurlijk ontbrak de Nazi-propaganda niet. Zelfs de gevangenen probeerde men van de heerlijkheden van het regime te overtuigen. Op enkelen na meden politieke gevangenen deze bioscoop opzettelijk. Er was niet de geringste belangstelling voor de film Schund.
Er was ook een bordeel. Het werd bewoond door 24 vrouwen, gevangenen die uit andere kampen naar Buchenwald waren gebracht om zich ter beschikking te stellen. De prijs was de vrijheid na zes maanden dienst. Deze vrouwen kregen extra eten, melk en eieren en een aparte afdeling van de kleermakerij werkte voor de uitbreiding van hun garderobe.
Het bordeel was centraal verwarmd en voorzien van badkamers. Die vormden het enige aantrekkelijke van de inrichting. Het bordeelbezoek stond op de bon en de klanten waren tegen woekerprijzen beschermd. De gevangenen beschikten enkel over waardeloze Lager-Marken. Er werd loon uitgekeerd en wel tot tien mark per maand aan hen die werkten. De oorlogsindustrie betaalde het maximum.
Het vaste tarief in het bordeel was één mark. Zelfs met die prijs werd het bordeel geen succes. Geen enkele Nederlandse gevangene bezocht het ooit. Elk lid van onze kolonie wist dat enige nieuwsgierigheid zwaar behoorde te worden gestraft.
De bezoekers bestonden bijna uitsluitend uit strafgevangenen, misdadigers die gekenmerkt werden door een groene driehoek, van wie er velen al 12 tot 16 jaar tuchthuis achter de rug hadden.
Voor een bezoek moest een aanvraag worden ingediend bij de blokchef. Bij het avond-appèl werden dan de nummers afgeroepen van de kandidaten die aan de beurt waren. Als die zich dan met "Jawohl!" op het afroepen van zijn nummer meldde, was het antwoord "Puff!" (bordeel) en kreeg de gevangene zijn entreebewijs.
Het enige positieve aan het bordeel was dat het bezoek ervan niet verplicht gesteld werd.
Op leven en dood
Toen de oorlog ten einde liep waren wij precies op de hoogte van de vorderingen van de Geallieerde legers in Duitsland. Wij zouden geen goede illegale werkers zijn geweest indien in het kamp onze activiteiten niet zouden zijn voortgezet. Buchenwald bezat dan ook een illegale zender en ontvangststation.
Het was ons dus van uur tot uur bekend tot hoever de Amerikanen en Russen ons waren genaderd. Wij ontvingen de radio-uitzendingen van Moskou, de BBC en Radio Oranje. Ook waren wij op de hoogte van wat er in Nederland gebeurde.
Op dinsdag 2 april 1945, Tweede Paasdag, hadden we bij slecht weer avondappèl. Er waren 's middags en in de nacht daarvóór grote transporten teruggekomen. 700 doden en zeer veel zieken werden uitgeladen. Levenden en doden moesten bij het opmaken van het appèl volledig kloppen. Waarschijnlijk waren er bij dit transport meer doden uitgeladen dan er geteld waren bij het bergen van de overledenen. Daardoor duurde het meer dan vier uur voordat het appèl was afgelopen. Al die tijd moesten we staan en dat terwijl we die hele dag nog geen kruimel brood hadden gehad. Bij het bombardement was de bakkerij in Erfurt weggevaagd en sindsdien stagneerde de broodvoorziening.
Voordat de commandant ons liet gaan, deed hij een vreemde mededeling. Met ingang van 3 april zouden de werkcommando's om 5 uur 's middags worden beëindigd.
Menigeen dacht dat de Nazi's nóg slechter in hun materiaal zaten dan voorzien en daarom genoodzaakt waren om de werkdag te verkorten. Er waren er ook die begrepen dat op die derde april de strijd op leven en dood zou beginnen. De volgende dag bleek dat hun inschatting juist was geweest.
4 april 1945
Op die dag nodigde de commandant alle blokoudsten en werkchefs (capo's) uit om in de bioscoopzaal te komen. Daar zouden enige belangrijke mededelingen worden gedaan.
De omgang met het SS-schorem had ons wantrouwig gemaakt en we hielden rekening met de mogelijkheid dat het hele kamp zou worden uitgemoord. Het doden maken van de leiders zou daarvan heel goed het begin kunnen zijn. Een aantal van hen werd daarom van pistolen voorzien. In het kamp werd namelijk een arsenaal aangehouden dat zorgvuldig aan het oog van de administratieve krachten onttrokken bleef.
Het stond vast dat een eventuele massamoord met het doden van de commandant zou beginnen.
Er gebeurde toen iets waarvan niemand het flauwste vermoeden had gehad. De commandant deelde mee dat de Amerikanen Thüringen hadden bereikt en dat er dus rekening mee moest worden gehouden dat ook Weimar en Erfurt spoedig aan de beurt zouden zijn.
Hij verkondigde nu het standpunt dat het zijn plicht was jegens de dappere kampgevangenen dat Buchenwald in goede staat aan de Amerikanen moest worden overgedragen. Van een evacuatie die veel doden zou kosten wou de plots humaan geworden commandant niets weten.
Als het juiste ogenblik was aangebroken, zou hij de leiding van het kamp en de gevangenen overdragen aan de kampoudste nummer 1, ooit zelf gevangene.
De mensen in de bioscoopzaal wisten niet wat ze hoorden. Een deel geloofde dat hij het eerlijk meende. Nooit eerder had hij zo oprecht van mens tot mens gesproken. Een ander deel nam zijn goede trouw aan onder voorbehoud: indien er later van hogerhand een andere opdracht werd gegeven, dan zou de commandant zich van al zijn toezeggingen ontslagen achten.
Weer een ander deel was de mening toegedaan dat het principieel ontoelaatbaar was een Nazi op zijn woord te geloven en wel vanwege het feit dat ze sinds 30 januari 1933 nooit iets anders hadden gedaan dan mensen te belazeren.
(wordt vervolgd)
Terug naar het verhalenoverzicht