Herinneringen aan Buchenwald I
Auteur(s): Het verhaal van een anonieme Maastrichtenaar die inmiddels overleden is.Redactie: Rob Kamps
"Het concentratiekamp Buchenwald lag tussen Erfuhrt en Weimar in Thüringen. Het was in gebruik sinds 1937. Gevangenen hadden het gebouwd, ook de officierswoningen en de kazernes daarbuiten en zij hebben de wegen ernaartoe aangelegd. Niet die in het kamp zelf; dat waren modderwegen door de natuur gemaakt.
Het kamp was berekend op het onderbrengen van 8000 gevangenen en voor de verzorging van dit aantal waren ook het ziekenhuis en de keukens ingericht. Geleidelijk werd de bevolking ervan uitgebreid, echter niet de inrichting. In het begin van 1943 herbergde Buchenwald 30.000 en in april 1945 zelfs 48.000 mannelijke gevangenen.
Het bestond uit 50 blokken. Een blok was een stenen gebouw van twee verdiepingen. Het had vier vleugels, ieder met een grote woon- en een slaapzaal. De laatste was berekend op 150 mensen. Wij woonden er met ongeveer 250 man in.
Geen gevangene kwam binnen zonder het Quarantainekamp te passeren. Hier brachten de pas aangevoerde ladingen gevangenen de eerste tijd door, maar ook de wrakken die van andere kampen of de werkcommando's waren aangevoerd. Sommigen passeerden dit quarantainekamp zes of zeven keer.
Het quarantainekamp bestond uit tien houten gebouwen van één verdieping, opgetrokken rondom een grote open vlakte. Er waren geen tafels of stoelen; langs de zijkanten bevonden zich slaapbritsen. Elke woonruimte was hier berekend op 600 man, die het dan krap genoeg hadden. Het laatste jaar werden er hier 1400 tot zelfs 1800 mensen in samengeperst; gezonden en zieken, halfdoden en stervenden. Voor overbevolking was natuurlijk op de britsen geen plaats genoeg; elke vierkante centimeter van de vloer werd als slaapgelegenheid gebruikt.
In dit quarantainekamp bleven de gevangenen enige maanden. Van hieruit gingen sommigen naar het grote kamp Buchenwald; de meerderheid werd op transport gesteld naar de buitencommando's. Wie tot Buchenwald werd toegelaten, behoorde tot de gelukkigen; die buitencommando's waren erger.
Mijn ervaringen strekten zich uit over 1944 en '45. Met andere Nederlanders ben ik uit Nederlandse gevangenschap naar Buchenwald vervoerd.
In het kamp verbleven ongeveer 400 Nederlanders. Meer dan de helft daarvan werd vermoord.
De Duitsers hadden eigen kazernes buiten de afsluiting van het kamp. Het waren goed ingerichte gebouwen waarin ongeveer 3000 man SS-troepen waren ondergebracht. De hier gelegerde troepen waren in opleiding voor het Oostfront en dienden ook om het kamp te bewaken.
De 50 blokken, de tien quarantainebarakken en de 60 werkcommando's (die er elke dag op uittrokken om werk te doen buiten het kamp), stonden onder toezicht van een SS-man, meestal een Scharführer, een onderofficier. De grote commando's werden door een officier geleid. Er waren dus 150 tot 200 mannen die geregeld dienst deden in het kamp.
SS
De SS-commandanten regelden de werkzaamheden met de Capo's, de voormannen, die ook tijdens het werk toezicht hielden.
In de blokken was het in mijn tijd uit te houden. Vóór 1943 maakte men het de gevangenen ook hier het leven zuur. Om 4 uur opstaan en om 5 uur bedden model opmaken. De bedden moesten in een onberispelijk rechte lijn staan. Wie deze verbrak, kreeg er 's avonds van langs en had als extra straf zijn bed enige keren opnieuw op te maken. 's Zondags was er inspectie over schoenen en kleding. Menigeen heeft bloed gezweet, als het de dag tevoren had geregend en broek en jas dik onder de modder zaten.
Op de appèlplaatsen waren de heren van de SS steeds prominent aanwezig. Een enkele gedroeg zich daar behoorlijk. De meesten gingen rond - zelfs tot in de laatste weken - met de air van Wir Sieger.
Indien een gevangene zo'n SS-er in het kamp tegenkwam, dan moest zijn muts met een ruk van het hoofd en het hoofd recht vooruit, want het was ons, gevangenen, niet geoorloofd deze goden te aanschouwen. Met de handen op de naden van de broek dienden wij dat tuig met zes passen gestrekte benen lopen te passeren.
De leiding in de gebouwen werd geheel aan de gevangenen overgelaten, ook de kamppolitie en de brandweer. De afdeling huishoudelijke diensten, zoals ziekenhuis, kledingmagazijn, magazijn voor uitrustingsstukken, kleermakerij, schoenmakerij, posterijen, enzovoort, stonden alle onder leiding van afzonderlijke Schar- of Sturmführer. Dit gold overigens voor alle werkcommando's.
Boven de blokleiding en werkcommando's, belast met de leiding over het hele kamp, stonden de kampoudsten 1, 2 en 3. De woonblokken stonden onder een blokchef, bijgestaan door een aantal kamerwachten, politieke gevangenen, Rijksduitsers, voor het overgrote deel oudgedienden, communisten met meer dan tien jaar ervaring in kampdiscipline. Onder de kamerwachten bevonden zich velen die later aankwamen, ook enkele Nederlanders.
De verhouding van de gevangen tot deze met leiding en toezicht belaste medegevangenen was vaak goed, in een aantal gevallen ook onbevredigend tot heel slecht. Om aan te tonen hoever de misdragingen van de met leiding belaste gevangenen soms ging, memoreer ik dat het wel eens voorkwam dat ze om hun wreedheden jegens andere gevangenen werden vermoord.
Een verstandige en beheerste gevangene zorgde ervoor, dat hij met zijn blokoudste-Capo, voormannen en kamerwachten, in wezen met iedere gevangene die iets te zeggen had, op goede voet bleef. Zij waren immers belast met de verdeling van het voedsel, de verzorging van de slaapzalen en het vergeven van baantjes binnen het blok, waardoor men verschoond kon blijven van uitzending door het werkcommando.
Aankomst en ontvangst
Zij die de poort van Buchenwald binnenkwamen, werden het eerst naar het desinfecteergebouw gestuurd. Hier moest de gevangene zich helemaal uitkleden en zijn kleren, koffers en andere bezittingen afgeven. De meerderheid zag daar nooit meer iets van terug. Bij de bevrijding werd ons verteld dat alle bezittingen al lang verdwenen waren, zodat de terugtocht naar Nederland ondernomen moest worden in onze oude kampplunje.
De naakte gevangene werd volledig kaalgeschoren en daarna in een grote bak gegooid met een desinfectiemiddel waarin de vele honderden die hem waren voorgegaan hun sporen hadden achtergelaten: het bad was als roetwater. Daarna werd de vuiligheid er met een scherp vocht afgespoten. De aldus gewassen gevangene werd naakt over een binnenplaats naar het kleedlokaal gevoerd. In plaats van zijn eigen degelijk en warm ondergoed en zijn gewone kleren, kreeg hij hier een versleten hemd zonder knopen, een oude broek, een haveloze jas en een paar gebruikte klompen.
Binnen één uur nadat ik de poort van Buchenwald was gepasseerd met enige honderden behoorlijk geklede burgers, bevond ik mij in bedelaarskostuum temidden van een paar honderd griezelige paupers.
De eerste verblijfplaats
Wij werden opgenomen in de zogenaamde quarantainebarakken. De slaapbritsen hier zouden voor drie en zeker voor vier mensen te smal zijn. We werden er met tien man op twee slappe strozakken ondergebracht. Vijf mannen moesten slapen met het hoofd rechts en vijf andere met het hoofd links. Elke nacht op een harde ligplaats doorbrengen met links en rechts van de neus de voeten van een medegevangene behoorde niet tot de minste van de kwellingen van het kampleven.
Geen nacht ging er voorbij, of er moest er wel een naar het toilet, wat haast niet mogelijk was zonder de anderen bij vertrek en terugkeer te wekken.
De dagelijkse poging om de deken van ongedierte te zuiveren was ook, nadat de handigheid was aangeleerd om 70 of 80 vlooien te vangen, zonder veel effect. In de quarantainebarakken krioelde het van vlooien en luizen.
Voor de acht quarantainebarakken, waarin aanvankelijk 7000 mensen huisden, later 14.000, was één groot toilet gebouwd, een gecementeerde bak, die soms door 400 mensen tegelijk werd gebruikt, óók in de winter. Bij barre kou en in het stikdonker moesten zieken op de tast hun weg zoeken om deze gemeenschappelijke bak te bereiken. Er was geen weg die erheen leidde; bij regen of sneeuw waadde men in het donker door een modderpoel.
Gedurende de eerste 12 dagen kreeg de gevangene in de barak om de twee dagen een injectie die hem moest beschermen tegen roodvonk, tyfus en andere besmettelijke ziekten. Daartoe moest hij zich in het blok uitkleden. Nadat iedereen geholpen was, werd hij naar het woonblok teruggevoerd om zich aan te kleden. Weer of geen weer, verbleef de gevangene korte of lange tijd met ontbloot bovenlijf in de open lucht, dan deed menigeen die de tyfus probeerde te ontlopen een even dodelijke longontsteking op.
In de quarantainebarakken
Het eten was er even slecht als in het grote kamp. Bij mijn aankomst in 1944 kregen wij 400 gram brood per dag, in 1945 was het rantsoen 250 gram plus een liter watersoep, waarin soms enig groen, boombladeren, werden meegekookt, terwijl twee keer per week slechte aardappelen, ongeschild, werden verstrekt.
Brood en soep werden tezamen uitgedeeld en onmiddellijk opgegeten. Dit was het enige doeltreffende middel gebleken om diefstal van het eten te voorkomen. Het had het nadeel dat men een te groot deel van de dag honger moest lijden.
Gegeten werd op de slaapbritsen of op de grond. Tafels en banken ontbraken. Veel erger dan dit ongerief was de stank die in de eetzaal alle etensgeur overheerste. In het begin was de bedorven lucht van 800 mensen, later 1600, in één zaal niet te harden. Het was één van de weinige dingen waaraan het bijna onmogelijk was te wennen.
De gevangenen die werden binnengebracht waren voor een groot deel mensen die in kwik-, gips-, of zoutmijnen of bij de ondergrondse tunnelbouw hadden gewerkt. Hoe zij eruit zagen kon men zich misschien voorstellen als ik zeg dat ze op het rantsoen dat ook in Buchenwald werd verstrekt, 12 tot 14 uur per dag moesten werken, velen zonder ooit daglicht te zien. De meesten waren ziek, weerstandsvermogen had er bijna geen meer en een aantal, lijdende aan hongeroedeem, waterbenen, doorval-dysenterie of longaandoening, kwam er alleen om te sterven.
Er ging letterlijk geen dag voorbij of er werden doden uit de barakken naar buiten gedragen en het laatste jaar steeg hun aantal door de toenemende aanvoer van retourtransporten voortdurend.
De sterfte
In januari 1945 was het bar koud en er lag veel sneeuw. Onder deze slechtst denkbare omstandigheden kwam er een transport binnen uit Auschwitz, hoofdzakelijk joden, waaronder ook enkele Nederlanders. Het transport was vierduizend man groot. De mensen hadden acht dagen gelopen en vier dagen per spoor gereisd, dat wil zeggen in veewagens, van boven open, de zijkanten bestaande uit schotten met open kieren. Gedurende enige dagen was hen geen voedsel verstrekt en geen of zeer weinig drinken. Het vroor 12 tot 14 graden. Dat er onder deze omstandigheden niet meer dan 800 doden uit de veewagens werden gedragen, bewees wel hoe taai de mens is. Vaak waren de doden aan elkaar vastgevroren. Zij moesten worden losgebroken voordat ze naar het crematorium konden worden gebracht.
Van de 3200 overlevenden hadden er 1500 bevroren ledematen. Enkele honderden stierven toen ze aan het warme water in de desinfectie-afdeling werden blootgesteld. Vele anderen vonden binnen enige dagen op de vloer van het quarantainekamp de dood.
In de eerste maand van 1945 werden in Buchenwald en de tot het kamp behorende buitencommando's 5800 doden geregistreerd, in februari 4700. Tot 1 april 1945 stierven er in totaal 51.000 mensen in Buchenwald en omgeving tengevolge van ontberingen en mishandelingen. Daar kwam nog een groot aantal bij van hen die de laatste dagen vóór de bevrijding tijdens de transporten stierven.
In het grote kamp
Wie de quarantaine-ellende overleefde, ging òf naar het grote kamp, òf op transport. De meeste transporten waren bijzonder gruwelijk. Alleen de allersterksten overleefden het.
Het eigenlijke kamp, Buchenwald, was beter, ook beter dan de quarantainebarakken. In de woonblokken sliep men niet op de vloer of met tien man op een brits, maar in ledikanten, in de regel met twee man op een strozak. Dat was weliswaar geen pretje, maar na alle ongerief waarmee men had kennisgemaakt, telde dit nauwelijks mee.
In de woonblokken waren tafels en banken, zodat een groot deel van de kampbewoners zittend kon eten.
Het laatste jaar waren deze woonblokken overvol, óók overvol met luizen en vlooien en er heerste in het algemeen een zeer slechte stemming onder de gevangenen. Natuurlijk waren er uitzonderingen op de regel. Vanwege een inmiddels herstelde beenwond beschikte ik over een eigen strozak. Met behulp van enkele vrienden, die zelf al vier jaar van huis waren, ben ik hier van het begin af aan zo goed als mogelijk doorheen geholpen. Daardoor bleef mij een transport bespaard en had ik al spoedig betere kleding, wat een mens ook fitter maakt. Dankzij mijn kameraden ben ik er goed doorheen gekomen.
De werkcommando's
De gevangenen in Buchenwald moesten natuurlijk zwoegen. Ze werden tewerkgesteld in het kamp zelf of in de bedrijven, waarvan er vele tot de oorlogsindustrie behoorden, onder meer voor het maken van onderdelen voor de V1, het maken van munitiewagens, geweren, onderdelen van pantservuisten, enzovoort. Verder waren er veel autoreparatiebedrijven. Het slechtst was het werken in de steengroeven. Hier werden in de loop der jaren duizenden gevangenen door het zware werk en de mishandelingen van de SS vermoord.
In het kamp was een grote varkensmesterij, natuurlijk ten behoeve van de SS-keukens. De stallen werden ook gebruikt om Russische krijgsgevangenen met nekschoten af te maken.
In de maanden vóór de bevrijding konden de zieken die er behoefte aan hadden geen dieetkost krijgen. Toen naderhand de SS-bewaking werd opgerold, werden er in het magazijn van de varkensmesterij zestig balen havermout gevonden om de zwijnen te mesten.
Buchenwald verheugde zich in het bezit van een moes- en een bloementuin. Hier werden de gevangenen onder toezicht van de SS letterlijk afgebeuld. Zo moesten zij met twee man zware bakken mest versjouwen. In looppas. Op dit commando ranselde de SS er bijzonder hard op los. Veel Nederlanders werden in deze Gärtnerei onder de zweep en de hakken van het SS-schorem of door de voorman, zelf een gevangene, zwaar mishandeld.
Ik zie nog voor mij hoe een paar maanden geleden een Nederlander vanuit deze Gärtnerei weer het kamp werd binnengesleept. Nadat hij even had stilgestaan, werd hij dusdanig met een gummiknuppel bewerkt dat zijn ribben helemaal kapot waren.
Een duivelse ervaring was ook de aanleg van een spoorweg. Hierbij werden de gevangenen van 's morgens zes tot 's avonds half zes voortgejaagd. Schop en houweel mochten geen ogenblik rust hebben. Dan waren er nog de bouwcommando's, ook belast met het opruimen van puinhopen. Lichter werk vonden de gevangenen in de kleermakerij, schoenmakerij, kousenstopperij en bij het houtsprokkelcommando.
Tot de zware commando's moesten ook de keukendiensten gerekend worden. De voedselvoorziening voor 48.000 man, hoe klein de porties ook waren, vergde heel veel van het personeel.
Dit was beslist ook het geval in het ziekenhuisbedrijf. Van wie hier als artsen, verplegers of zaalknechten diensten hadden te verrichten, werd meer dan het uiterste gevergd. Zij hebben zich volkomen aan hun taak gegeven.
Lichte gevallen van ziekte kregen zij niet te behandelen. Gedurende het laatste jaar werd niemand met minder dan 39,5 graden koorts opgenomen.
De arbeidsbeurs
Het kamp had een arbeidsbeurs. Die mocht er zijn. Alle 120.000 gevangenen die het kamp passeerden, werden in de werkregisters van dit commando genoteerd.
Het was hard werken bij deze administratie. Werd er bijvoorbeeld om 13.00 uur door de dienstleider geroepen dat 2000 man voor transport zus en zo om 17.00 uur moesten afmarcheren, dan was het zaak vóórdien de lijsten met de namen van deze 2000 man samen te stellen, te zorgen dat ze gekeurd werden en zo spoedig mogelijk voorzien van werkkleren.
Dit waren spoedgevallen die helaas in de laatste oorlogsmaanden herhaaldelijk voorkwamen. Het samenstellen van transporten die pas dagen later zouden vertrekken vereiste ook hele dagen hard werken.
Niemand wou graag op transport. Wie voor een dodentransport was aangewezen, dat wil zeggen, ingedeeld werd bij een werkcommando waarvan de meesten na enkele maanden of een jaar door uitputting de dood zou vinden, deed zijn uiterste best om er onderuit te komen en wat hij aan kruiwagens had werd in beweging gezet om zijn naam uit de registers te krijgen. Van ongestoord werken was onder deze omstandigheden bij de administratie geen sprake.
De arbeidsbeurs was er ook verantwoordelijk voor dat alle gevangenen, uitgezonderd de zieken, bij het één of het ander tewerkgesteld waren. De controle hierop was zo scherp, dat men meestal na één dag spijbelen na het verlaten van de ziekenbarak al een oproep kreeg om bij de arbeidsbeurs te verschijnen.
Tegen de vindingrijkheid van de gevangenen was tenslotte niets bestand. Het lukte dus een aantal om door de mazen van het net heen te glippen. De SS heeft ook heel wat stokslagen uitgedeeld aan hen die er op betrapt werden.
Dat het strafrisico in het algemeen niet gering was, en dit gold voor alle overtredingen, was te wijten aan de Capo's, de met toezicht belaste medegevangenen. Hieronder bevond zich een aantal goedaardige kerels, maar ook heel wat ellendelingen.
Wie een tijdlang onder SS-leiding werkte en bang was voor zijn eigen hachje, degeneerde vroeg of laat tot zo'n ellendeling……
De schrijfkamer
Deze dienst, die als alle andere werkcommando's onder toezicht van een SS-Gruppenführer stond en door gevangenen werd bestuurd, had een talrijk personeel dat zich dag in dag uit met niets anders bezighield als met de inhoud van een reusachtige kaartenbak. Hier werden de 120.000 gevangenen geadministreerd. Door deze administratie was het door een greep in de bak binnen een paar seconden mogelijk vast te stellen in welk blok een gevangene was ingedeeld, bij welk commando hij werkte, met welk transport hij was weggegaan, wie een verbod had om pakketten of brieven te ontvangen, wie bij zijn aankomst in het kamp een extra vermelding had gekregen om hem het leven wat zwaarder te maken, van wie of waar het kamp deze gevangene had betrokken, in welk land, stad of dorp hij vroeger domicilie had en nog een aantal bijzonderheden, waar zelfs een ambtenaar van de Burgerlijke Stand geen weet van had.
De brandweer
Deze dienst omvatte uitsluitend gevangenen die in uniform en voorzien van uitstekend materiaal hun diensten verrichtten.
De brandweerlieden, waaronder ook een paar Nederlanders, kregen een zware opleiding en leerden hierdoor het vak grondig. Zij konden zich met de beste vaklieden in Nederland meten. Hun dienst was zeer zwaar. De SS eiste ook hier het uiterste van wat een mens geven kon. Als gevolg hiervan waren het geharde brandwachten geworden. Zij deden (wat geen regel was bij de tewerkgestelden in Buchenwald) hun dienst met toewijding, want hun werk was in het belang van hun medegevangenen.
De kamppolitie
De leden van het politiecorps werden uit de gevangenen van alle nationaliteiten gerecruteerd. Daar waren dus ook Nederlanders bij. De taak van de kamppolitie was het uitoefenen van controle in het kamp, het verrichten van nacht- en bewakingsdiensten bij het vervoeren van levensmiddelen en het houden van toezicht in het algemeen.
In februari 1945 kregen wij een transport uitgehongerde mensen. Wanneer de eetketels hun barak werden binnengedragen, bestormden zij de kamerwachten die met de distributie belast waren. Er werd geslagen en menigeen werd onder de voet gelopen, óók de kamerwachten die in de regel voor geen kleintje vervaard waren. De sterksten kregen daardoor kans een dubbele of een drievoudige portie te bemachtigen en honderden kregen totaal niets…
De langdurige hongerellende had deze mensen tot beesten gemaakt. Het was nodig de kamppolitie in te schakelen en die ranselde - hier kon het niet anders - met gummiknuppels de van honger uitzinnig geworden gevangenen weer terug in het gareel.
Na een paar dagen was de distributie hier weer vokomen geordend. De geschikte elementen onder de kamppolitie hielpen de mannen die rust nodig hadden te spijbelen door hen 's morgens van de appèlplaats naar de slaapplaatsen te begeleiden.
Hoe stram de discipline ook werd gehandhaafd, meestal werd toch in de eerste plaats met de belangen van de medegevangenen rekening gehouden.
De politieke afdeling
Bij de politieke afdeling kwamen alle stukken binnen die de diverse Gestapobureaus in Europa omtrent de gevangenen verzamelden. Bij de aankomst in het kamp werden deze documenten door de begeleiders aan de politieke instantie overhandigd.
Ook in deze geheime afdeling werkten gevangenen; wèl was hier de bezetting met SS-lieden talrijker.
De voorman-gevangene was een Nederlander, een fijne kerel die samen met een paar landgenoten aan talrijke gevangenen uitstekende diensten heeft bewezen. Het gebeurde tal van keren dat een speciale instructie voor de behandeling van een gevangene door de Gestapo gegeven, tijdig kon worden weggewerkt, door ze verkeerd uit te voeren.
Ook was het meer dan eens noodzakelijk om na te gaan of wij in onze eigen rijen verkeerde elementen hadden, wat alleen op de stukken in de politieke afdeling was in te zien en ook trouw werd nageleefd. Medegevangenen van andere nationaliteiten bewezen hun landgenoten dezelfde diensten.
Meer dan eens lukte het om op de politieke afdeling van een joodse gevangene die er bedenkelijk aan toe was, een christen te maken. Dat redde niet zelden mensenlevens…
De vertrouwensmannen van de verschillende landen werden door hun mensen uit dit commando op de hoogte gebracht van maatregelen die de SS in overweging had. Daardoor werd het vaak mogelijk om tijdig een tegenactie op touw te zetten.
De politieke afdeling was per slot van rekening meer ten bate van de gevangene dan van de SS. Dat kon nooit de bedoeling zijn geweest.
De nationaliteiten
Buchenwald kreeg zijn slachtoffers aangevoerd uit de Sovjetunie, Polen, Noorwegen, vooral studenten uit Tjecho-Slowakije, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Italië, België, Spanje en Nederland. Al naar gelang het land van herkomst droegen de gevangenen een letter bij hun nummer. De Nederlanders droegen dus de letter N. De politieke gevangenen kregen deze letter op een rode driehoek gedrukt, met uitzondering van de Jehovagetuigen, waaronder ook Nederlanders, door de Duitsers bijbelvorsers genoemd en met een paarse driehoek gekenmerkt.
Deze sekte was vanwege haar geloof tegenstandster van het Nationaal Socialisme en haar aanhangers getuigden hiervan ondanks het verbod en de zware straffen. Zij zouden een gemeenschappelijke brief hebben opgesteld aan Hitler, waarin zij op grond van bijbelteksten voorspelden dat Duitsland onder hem de ondergang tegemoet ging en Hitler op de puinhopen zou sterven.
Enkele keren waren ze bij de toren geroepen waar hun aangeboden werd in vrijheid te worden gesteld indien zij een verklaring tekenden waarin zij op hun voorspelling terugkwamen. Niet één man heeft de gewenste verklaring ondertekend…
De asocialen droegen een zwarte, homoseksuelen een roze en criminelen die ongeschikt werden geacht om weer in de maatschappij terug te keren, een groene driehoek. De laatste groep bestond, net zoals de homoseksuelen, uitsluitend uit Rijksduitsers.
De Duitse communisten en socialisten zaten het langst in de concentratiekampen. Ze waren al in 1933 en '34 opgepakt.
De oudstgedienden waren de Italiaanse socialisten, 21 jaar geleden gearresteerd toen Mussoloni aan de macht kwam (1922) en, nadat ze 18 jaar in Italiaanse gevangenissen en kampen hadden doorgebracht, naar Buchenwald werden doorgestuurd toen Mussolini vreesde dat zij in handen van de Geallieerden zouden vallen.
Wij, politieke gevangenen, hadden allemaal het gevoel dat ze een deel van hun leven gemist hadden, of dat er een breuk was gekomen in ons familieleven. Wat was, voorzover we het er levend vanaf hadden gebracht, ons verlies en ons verdriet, vergeleken bij dat van deze gevangenen die 21 jaar gescheiden waren van ouders, vrouw en kinderen? De weinigen die alle ellende hadden doorstaan, keerden terug naar hun familie die zij als gezonde, jonge kerels verlaten hadden, als oude, afgeleefde mensen. Hun kinderen waren zèlf vader en moeder geworden. Van herstel van het familieleven kon hier in de regel geen sprake meer zijn.
De kleinste groep in het concentratiekamp Buchenwald werd gevormd door de Luxemburgers met 77 en Nederlanders met 400 gevangenen op een totaal van 48.000 in de laatste maanden. De jongste gevangene was een ventje van drie jaar, dan een van vijf en een paar van acht tot twaalf jaar. Deze staatsgevaarlijke individuen waren joodse kinderen of kleine zigeuners wier ouders in Auschwitz of andere joodse kampen waren vermoord. Een paar ervan zouden naar Nederland komen, omdat enkele Nederlanders al in Buchenwald het pleegvaderschap over hen op zich hadden genomen.
(wordt vervolgd)
Terug naar het verhalenoverzicht