Herinneringen aan 1944 en 1945
Auteur(s): Elly Kamps
Elly Kamps verteld:"Ik herinner mij het bombardement van 18 augustus 1944 op Maastricht alsof het gisteren nog gebeurde. Het was een snikhete zomerdag. Later op die avond kwam er lichtbruin water uit de kraan. Of de leidingen waren stukgegaan bij dat bombardement?
Er waren heel veel doden. Die werden daarna opgebaard in de Dominicanerkerk. Er stonden ontzettend veel kisten en ik ben er een paar keer naar toe gegaan. De begrafenisstoet trok langs de Tongersestraat en daar woonde ik op nummer 74a.
Wij (mijn moeder, mijn oudere broer en ik) stonden langs de kant te kijken. De kisten waren allemaal van verlegen hout dat door de hitte aan het kromtrekken was. De deksels gingen daardoor open en in de stoet liepen een paar mensen met hamers mee om ze weer dicht te slaan. De stank van ontbinding was zo verschrikkelijk dat we allemaal zakdoeken voor onze mond hadden.
Mijn vader werkte destijds bij de brandweer en het personeel droeg de kransen tijdens de plechtigheid. Ook hij liep mee. Er is tenminste één foto waar hij op staat*.
De stoet trok in de richting van de begraafplaats aan de Tongerseweg. De Duitsers wilden ook present zijn en stuurden een delegatie. Men stelde hun aanwezigheid duidelijk niet op prijs. Ze gingen toen achter de kerkhofmuur staan en even later verschenen ze tòch.
Dat was mijn verhaal over het bombardement op het Kreijedörrep.
Als brandweerman was mijn vader vaak afwezig omdat er altijd wel ergens branden moesten worden geblust. Ooit kwam hij uit Blauw Dorp terug na dat bombardement daar van november 1941. Er was ook een slagerij getroffen. Van de commandant mochten de mannen ieder een worst mee naar huis nemen. Mijn vader vertelde ook dat er toen in de puinhopen van een huis een kindje werd aangetroffen onder een tafel. Het leefde nog, maar toen ze het eronder vandaan haalden stierf het. Dat kan ik me nog goed herinneren.
Ook kan ik mij mevrouw Aldegonda Zeguers-Boere** nog voor de geest halen. Vier keer per dag ging ik langs het Sint Servaasklooster, op weg naar school. Dáár woonde ze en ik kwam haar wel eens tegen. Het was een grote vrouw met een opvallende neus en ze droeg zwaluwoorbellen. Ze woonde in een mooi, gesloten huis. Er gingen in dat jaar al geruchten dat ze contacten onderhield met de Duitsers. Later hoorde ik hoe het echt zat en hoeveel mensen er door haar toedoen aan hun eind gekomen zijn.
Er was ook een avondklok. Om acht uur moest iedereen binnen zijn. Ons huis had een portiek met drie deuren. Als mijn moeder in dat portiek stond te kijken naar het strijken van de vlag, kwam er een Duitse soldaat de straat overgestoken om haar te zeggen dat ze naar binnen moest. Dan deed ze het raampje in de deur open en stond ze van binnenuit het schouwspel gade te slaan. Ik herinner me dat ik ooit met haar ergens aan de Cannerweg aardappelen aan het rooien was. We moesten op tijd binnen zijn omdat ik bang was dat ons iets zou overkomen. Ik was doodsbang! Mijn moeder trok zich daar niets van aan. Een kwartier nadat de spertijd was ingegaan, kwamen we pas thuis!
De Duitsers waren heel gedisciplineerd en hun gemarcheer ging altijd vergezeld van gekletter. De Amerikanen waren heel anders. Door hun schoeisel hoorde je ze nooit aankomen.
Voor mij was mijn kindertijd in de oorlog heel interessant. Het was echt een avontuur. Toen mijn jongste broer in maart 1945 werd geboren moesten mijn oudere broer en ik gaan logeren bij een tante aan de Papenstraat. Het huis van de Civil Affairs aan het Vrijthof 19, grensde, meen ik, aan haar achtertuin. We bleven er veertien dagen.
In dat huis had voorheen een zekere commandant Schmidt gewoond. Of die gevlucht is of gevangen genomen weet ik eigenlijk niet. Naderhand zaten er de Amerikanen. Ik heb toen in het lits-jumeaux van Schmidt geslapen. Mijn moeder heeft later via die tante twee dekbedden gekregen die aan die Schmidt hadden toebehoord. Alles moest weg. We hebben er jaren lekker onder geslapen! Onder in de kelderkeuken aan de kant van het Vrijthof aten we 's morgens eierkoeken van eierpoeder, groot Zweeds wittebrood, pindakaas - allemaal dingen die wij niet kenden. Er was nooit veel te krijgen, maar we hebben ook niet echt honger geleden.
Bij de bevrijding heb ik de eerste Amerikanen in het Stadspark een hand gegeven. In de Bredestraat was er een winkel, de 'Huisvlijt', waar je lampions kon kopen voor de bevrijdingsfeesten.
In de Tongersetraat, bij de Kakeberg, lag ook een plancher, een dansvloer. De Amerikaanse soldaten dansten daar 's avonds met de Maastrichtse meisjes. In de poortopening van het Jezuitenklooster stonden ze van alles te bereiden - worstjes, en zo. Ze bakten ook donuts; daar hadden wij nog nooit van gehoord! En blikken met vlees! De mensen uit de Abtstraat stonden er met pannetjes in de hand en vroegen enkel naar de jus. We waren niets gewend in die tijd.
Voor mij was de oorlog één avontuur. Naderhand kwam je van alles te weten. Wat zich allemaal heeft afgespeeld….. Nu volg ik alles; er ontgaat mij echt niets op dat gebied."
* "Maastricht Bevrijd! En Toen…?", deel I, pagina 32, foto boven. De brandweerman rechts met de zakdoek in de hand is Leon F.H. Ummels (1907-1989), vader van de vertelster.
** Aldegonda Elisabeth Boere (1918-2005) wekte bij de ondergrondse de indruk dat ze te vertrouwen was door een verzetsman in huis te nemen. In werkelijkheid verried zij alle verzetslieden aan de Duitsers. Door haar toedoen zijn ongeveer dertig mensen terechtgesteld. Zij was ook actief in de zwarthandel.
Terug naar het verhalenoverzicht