Frans Emanuel Fouquet: 'dokter van de armen'

Auteur(s): Paul Arnold
Redactie: Paul Arnold


In de negentiende eeuw bestond de medische dienst voor de armen in Maastricht uit armendokters en vroedvrouwen, van wie er in elke wijk één werd gestationeerd. In 1804 was het aantal armendokters en vroedvrouwen van drie op vier gebracht. In 1854 kwam er een vijfde armendokter bij, later gevolgd door een extra vroedvrouw. Naast demedische zorg voor de minvermogenden - op kosten van het Burgerlijk Armbestuur - hadden de armendokters ook nog een particuliere praktijk. Eén van die armendokters was de uit Roermond afkomstige arts Frans Emanuel Fouquet (1822-1908).

Frans Fouquet werd geboren in Roermond op 25 december 1822, studeerde in Leiden en vestigde zich na zijn promotie in 1846 als geneesheer in Maastricht. In 1854 bood Fouquet zichzelf bij het Armbestuur aan, toen was uitgelekt dat dit bestuur een extra armendokter wenste aan te stellen. Wat hem hiertoe had doen besluiten is niet bekend. Vanouds bestond er bij veel dokterswrevel over het vele werk dat een armenpraktijk vergde en het karige inkomen dat ermee verdiend werd. Armendokter werd men daarom meestal in het begin van zijn carrière. Fouquet kreeg de Sint-Mathiasparochie onder zijn hoede, de arbeidersbuurt tussen het Bassin en de KleineGracht. Hij zou dit werk 25 jaar lang blijven doen, tot circa 1880. Tussen 1860 en 1872 was Fouquet bovendien fondsarts voor deglas slijpers in de glasfabriek van Petrus Regout.

Fouquet was een hygiënist in hart en nieren. Hij was ervan overtuigd dat het de ongunstige
arbeids-, woon- en leefomstandigheden waren die ten grondslag lagen aan de slechte fysieke toestand van een groot deel van de Maastrichtse bevolking. Hij had ruimschoots de gelegenheid deze visie te ontwikkelen, want de overbevolkte Sint-Mathias parochie telde bijna twee keer zo veel ondersteunde armen als de drie andere parochies tezamen. Het waren dan ook altijd deze patiënten die bij epidemieën het eerst en het zwaarst getroffen werden. Zoals in 1866-1867 toen 298 Maastrichtenaren aan de cholera bezweken: 3 gegoeden, 92 arbeiders en 203 armen. Alleen al in de Raamstraat, één van de straten in de Mathiasparochie, werden 150 ziektegevallen geconstateerd.

In 1887 kreeg Fouquet landelijke bekendheid vanwege zijn onverbloemde uitspraken voor de Parlementaire Enquêtecommissie die onderzoek deed naar de levensomstandigheden van de Nederlandse en in het bijzonder de Maastrichtse industriearbeiders. Op dat moment was hij al zes jaarvoorzitter van de 'Vereeniging ter Bevordering van de Volksgezondheid' én van de Maastrichtse gemeenteraad. In beider hoedanigheid heeft hij voortdurend met kracht geijverd voor de aanleg van een drinkwaterleiding, voor uitbreiding van het rioolstelsel en verbetering van de stadsreiniging. Ook pleitte hij regelmatig voor de invoering van sociale maatregelen, zoals een arbeidersziekenfonds en ouderdomsverzekering, voor verbetering van de arbeidsomstandigheden en meer veiligheid in de fabrieken, voor de bouw van arbeiderswoningen en voor verbetering van het vakonderwijs ter verheffing van de onderontwikkelde arbeiders.

Na de verkiezingen van 1905 keerde Frans Fouquet in verband met zijn hoge leeftijd niet meer terug in de Maastrichtse gemeenteraad. Hij stierf op 17 februari 1908, thuis aan de Bredestraat 5.

Terug naar het verhalenoverzicht